Gibraltar? Het werd Barcelona!

door Frans Dijkstra

‘Op naar Gibraltar’ schreef ik op 9 april 2010 op deze website. Zaterdag 10 april 2010 stapte ik op de fiets met bestemming Gibraltar. Maar de aankondiging was niet zonder voorbehoud. Of ik in Gibraltar zou aankomen wist ik niet. Ik had een planning die er in voorzag, dat ik op zaterdag 15 mei Gibraltar zou binnenfietsen. Daar wilde ik dan het weekend blijven en op maandag 17 mei naar huis terugvliegen. Maar ik had ook een plan B en een plan C. Als de Spaanse heuvels zouden tegenvallen wilde ik een stuk van het Spaanse traject per trein doen (plan B), maar de berichten over de mogelijkheid om in Spanje grote afstanden af te leggen met de fiets in de trein waren niet al te best. Mocht ook plan B niet haalbaar zijn, dan had ik plan C achter de hand, wat inhield dat ik eerder zou besluiten om het stuur te wenden naar het dichtstbijzijnde vliegveld om op tijd in Nederland terug te kunnen zijn om het orgel te bespelen in de Pinksterdienst in de PKN-kerk in Ommen.

Welnu, het is plan D geworden. Ik heb afgezien van de Spaanse bergtrajecten, omdat ik de Franse bergen wel genoeg vond, met als hoogtepunten de Col de Mezilhac van 1120 meter en de Col de Manrell op de grens tussen Frankrijk en Spanje. Ik heb op 4 mei Barcelona bereikt, na 2150 km in 25 dagen, waarna ik de fiets heb teruggestuurd naar Nederland, wat mogelijk was dankzij de goede zorgen van de Spaanse vestiging van Hyva International, een onderneming uit Alphen aan de Rijn, waar mijn broer Louwrens de baas is. De fiets was binnen een week in Nederland, en ik heb hem begin juni in Alphen afgehaald en naar Ommen terug gebracht.

En ik? Ik heb in Barcelona een auto gehuurd en de resterende 1100 km naar Gibraltar in twee dagen overbrugd. Zondag 9 mei heb ik in Gibraltar doorgebracht en op 10 mei heb ik de auto afgeleverd op het vliegveld van Málaga en ik ben ’s nachts teruggevlogen naar Nederland.

Hieronder staat een fotoverslag met hoogteprofielen van de tocht. In de profielen is met een rode pijl aangegeven bij welke col de daarop volgende foto’s zijn gemaakt. Wie de hoogteprofielen in detail wil bekijken moet even het zoompercentage van zijn browser op 400% zetten. De hoogteprofielen zijn geconstrueerd op grond van foto’s van het dagelijkse hoogteprofiel dat het Garmin-navigatieapparaat levert. De verticale strepen markeren de dagetappes, de overnachtingsplaats staat er telkens onder. De cijfers langs de verticale strepen geven de hoogte in meters.

Ik vertrok op zaterdag 10 april om 10.15 uur. Na een valse start om half tien was ik nog even teruggekeerd omdat ik de valhelm vergeten had.

Zutphen bereikte ik om 12.35 uur waar mijn vaste eettent bij het station geen kalfslapjes kon leveren omdat de stroom in de keuken was uitgevallen. In Arnhem was ik om 15.30 uur. Via een fraaie fietsbrug naast de spoorbrug stak ik om 16.15 uur de Waal bij Nijmegen over. Via de Heiligelandstichting kwam ik om 17.05 uur op de natuurcamping van Groesbeek met 123 km op de teller, wat 111 km had kunnen zijn zonder valse start.

’s Avonds ging ik te voet naar Groesbeek, waar een Egyptisch restaurant wel kalfslapjes kon serveren. Na de maaltijd liep ik een misviering binnen, waar ik midden in de preek binnenviel en de rest helemaal bijwoonde. De pastoor was bezorgd over de misbruikaffaires, en vond dat ze niet verzwegen moeten worden.

Op zondag 11 april vertrok ik om acht uur van de camping en verdwaalde bij Gennep flink, doordat wegwijzers waren afgeplakt wegens wegwerkzaamheden. Na een lunch om 13.00 uur in Helden arriveerde ik met een psychologische inzinking om 14.15 in Roermond. Ik pepte mezelf op door een zelfontspannerfoto te maken, staande op de brug over de Maas.

Via Sint Odiliënrode nam ik de weg richting Brunssum, die over Duits gebied loopt. In 1991 kwam ik hier ook eens langs. Toen was deze weg nog een gesloten corridor vanwaar men de omliggende Duitse plaatsen niet kon bereiken. Nu kon ik gewoon afslaan naar Tüddern en Sittard. Voor Schinnen bedwong ik de eerste ‘col’ met een stijgingspercentage dat nog wel meeviel en waarbij mijn snelheid boven de 8 km/h bleef. Het was de hele dag koud, en ik bracht de avond door in een restaurant in de buurt en in de slechtweerruimte van natuurcamping Hoeve Krekelberg.

De nacht van maandag 12 april was koud en de licht gewicht slaapzak hielp onvoldoende. Ik trok extra kleren aan en zelfs dubbele sokken en wanten. Om 9.05 uur vertrok ik via Valkenburg naar Margraten, waarheen ik de eerste beklimming doorstond: 2,5 km met stijgingspercentage 3,2%. Om kwart voor elf passeerde ik de Belgische grens, en al snel daarna de taalgrens. In een mistroostig Wallonië vermeed ik de grote steden Verviers en Liège. De stijgingen bleven behapbaar, maar het viel me wel steeds zwaarder. Bij Manhay wilde ik een hotel zoeken en volgde wegwijzers naar Hotel Le Mirage. Dat bleek 20 km verderop te liggen, in Dochamps, en was gesloten. Op de camping ‘Petit Suisse’ zette ik toen maar weer in de kou mijn tent op, om 19.15 uur. Een verwarmd huisje of een kamer kon men mij niet leveren, omdat de receptie gesloten was. Maar er was een goed restaurant waar ik in alle rust kon dineren. Het personeel sprak Nederlands.

Ik vertrok op dinsdag 13 april om 8.05 uur van de camping. De eerste 11 km naar La Roche gingen gemakkelijk: eerst 4 km licht golvende secundaire weg, gevolgd door een afdaling van 5% over 7 km. Dat was dus een hoogteverschil van 350 meter. Bij de afdaling kreeg ik het erg koud, temeer, omdat ik de dag daarvoor een van mijn gebreide handschoenen had verloren. Als vervanging had ik een van de handen in een sok gewikkeld. Mijn eerste doel in La Roche was het kopen van nieuwe handschoenen. Nu kende ik het Franse woord voor handschoen niet, maar via gebarentaal kwam ik er bij een tassenwinkel achter dat die dingen ‘gant’ heten, die de winkel overigens niet had. Bij een winkel met hengelsportartikelen kon ik een paar gebreide handschoenen met halve vingers kopen, waarmee ik het wel kon doen.

Mijn fietsnavigatieapparaat Garmin E-trex Vista kende hier in Wallonië de weg niet. De provincie Luxemburg is niet vertegenwoordigd in het navigatiemateriaal voor West-Europa waar dit apparaat op draait. Daardoor moest ik hier ouderwets op de kaart en de wegwijzers navigeren. Dat maakt het voor een fietser in een middelgrote plaats niet altijd gemakkelijk de juiste uitvalsweg te vinden. Op weg naar Hives verliet ik La Roche eerst volgens de verkeerde weg, en klom wel 60 meter voor ik dat door had.

Om 11.25 uur had ik nog maar 32 km op mijn dagteller staan. Een dame vroeg waar ik naar onderweg was. Haar Nederlands was beter dan mijn Frans, dus ik antwoordde haar in mijn eigen taal ‘naar Zuid-Frankrijk.’ Het lef om Gibraltar als doel te noemen had ik even niet, tijdens deze zware Ardennenrit.

’s Middags omstreeks 15.30 uur kon ik in Martilly aanhaken op de door Paul Benjaminse beschreven fietsroute naar Barcelona. Het begin van de route ‘Amster-

dam-Barcelona,’ die overigens in Eindhoven start, had ik overgeslagen, omdat hij nogal wat smalle kronkelwegen door het uiterste oosten van België voorstelt.

Maar de route is wel goed uitgekiend. De stijgingen bleken minder dan toen ik me op de Michelinkaart verliet. Om 18.00 uur verliet ik België, nagestaard door vier ezels.

In Frankrijk kon ik direct weer beginnen met klimmen, maar ik hoefde niet af te stappen. Om 19.00 uur nam ik in Montmédy mijn intrek in het plaatselijke hotel. Op de foto hieronder is dat het tweede gebouw van links. Op de achtergrond ziet men de Citadelle die hoog op de rots achter Montmédy ligt. Daar is ook de camping, maar die was in april nog gesloten, en ik wilde toch al in een hotel overnachten, om weer eens goed warm te worden en een uitgebreid bad te nemen. Tevreden stelde ik vast, dat de Ardennen mij niet klein gekregen hadden, en dat ik nog op mijn voorgenomen tijdschema zat.

Op woensdag 14 april verliet ik om 8.20 uur het hotel. Na 10 km kreeg ik de eerste col van de dag te verduren, een stijging van 150 meter over 2 km. Dat is 7,5%, dus niet niks. Het lukte me voor het eerst om zo’n stijging fietsend te overwinnen, door me telkens een tussendoel te stellen: ‘dit even 500 meter volhouden, en dan even uitblazen.’ Na zo’n tussenstop is het lastig om op een steile helling met een zware fiets weer in beweging te komen, maar die techniek kreeg ik vandaag plotseling onder de knie. Net als een peuter van 15 maanden, die ineens doorkrijgt hoe hij moet lopen (Kembou zal me deze vergelijking vast niet kwalijk nemen).  

Om 11.20 uur dronk ik koffie in Vilosnes aan de Maas en om twaalf uur zat ik in een greppel te proberen via de korte golf het nieuws van de wereldomroep te horen.

Dat lukte niet, maar via de sms had ik van Lineke en Mirjam al vernomen dat Lucia de Berk was vrijgesproken. Nederland is dus toch een rechtstaat, al heeft het in dit geval wel heel veel moeite gekost om het recht zijn loop te laten krijgen. Een zelfgenoegzame opmerking van een justitiewoordvoerder, dat deze zaak het zelfreinigend vermogen van ons rechtsysteem heeft laten zien, zat er volledig naast. Het rechtsysteem heeft dit niet zelf opgelost, maar er was een boek van een buitenstaander (Ton Derksen) voor nodig om de zaak aan het rollen te krijgen. Gelukkig zetten de zeer betrokken en invoelende reacties van minister Hirsch Ballin en super PG Brouwer veel dingen recht.

Langs de zuidelijke oever van de Maas fietste ik in westelijke richting naar Verdun, waar ik een langere pauze nam. Ik liet mij een uitgebreide lunch serveren met o.a. een steak grillé en een halve liter wijn en een halve liter water. Er wordt beweerd, dat de benen van een fietser zwaar worden van wijn, maar ik merk daar niets van.

Verdun is bekend vanwege de slag bij Verdun in de eerste wereldoorlog, die anderhalf jaar geduurd heeft, en waar onze taal de uitdrukking ‘loopgravenoorlog’ aan heeft te danken. Verdun dankt aan deze en andere veldslagen diverse monumenten in en om de stad.

Mijn belangrijkste doel in Verdun was – behalve de lunch – het sturen van een e-mailbericht naar mijn fans in Nederland. Daarvoor moest ik een internetcafé vinden, en daar ben ik een uur mee bezig geweest. Daarna worstelde ik drie kwartier met het Franse toetsenbord, maar toen was mijn eerste e-mailbericht een feit.

Om 16.45 verliet ik deze stad aan de Maas en reed heel rustig door het rivierdal naar Saint Mihiel, waar ik om 19.30 uur op een vrijwel uitgestorven camping de tent opzette. Maar er was wel een beheerder aan wie ik 7 euro kon betalen. ’s Avonds luisterde ik voor het inslapen op mijn mp3-speler naar de laatste twee delen van de derde symfonie van Beethoven.

Ik had het in de tent redelijk warm, maar toen ik op donderdag 15 april om ongeveer 7 uur opstond zat er ijs op de buitentent. Ik at een droog stokbroodje als ontbijt en dronk in plaats van thee een beker sinaasappelsap. Ik heb op deze tocht, anders dan destijds naar de Noordkaap, geen spullen bij mij om warme dranken te maken.

Ik vertrok om 8.25 uur en week af van de route van Paul Benjaminse. Die stelt voor om van hier via Boucq door het Foret de la Reine te rijden, waarvan de beschrijving mij deed vermoeden dat het niet alleen een omweg was, maar ook dat de kans op fout rijden groot was. Bij drie cruciale afslagen staan bij de bospaden geen wegwijzers, wat Paul Benjaminse heeft opgelost door in zijn routebeschrijving foto’s op te nemen van die plekken, met onderschriften ‘hier links, hier rechts, hier rechtdoor.’ Ik achtte mijzelf bij uitstek in staat om daar telkens de verkeerde beslissing te nemen en in dat bos hopeloos te verdwalen.

In plaats van de route van Paul Benjaminse liet ik mij door Garmin (hier in Frankrijk kende hij de weg weer!) via Commercy naar Pagny sur Meuse leiden. Dat deed Garmin heel aardig, over een niet geasfalteerd pad langs een spoorlijn, dat heel goed te berijden was. Om 11.30 uur was ik op een punt waar ik de route van Paul weer kon volgen. Die voerde meestal door het Maasdal.

De natuur was hier wat verder ontwikkeld dan in Nederland. Uitbundig bloeiende forsythia’s en bomen met enorme bolvormige clusters bladeren (foto’s hierboven) zijn daar enkele tekenen van. Deze streek is in de voorbije eeuwen herhaaldelijk het toneel van heftige oorlogen geweest, en in menig dorp staat dan ook een protserig monument dat daaraan herinnert. De foto hiernaast is een detail van zo’n monument.

Bij Sauvigny passeerde ik voor het laatst de Maas, die hier niet breder is dan de Vecht in Ommen. De route voerde nu naar een bergplateau, waarvan de klim meeviel. Ik kon kiezen voor een routevariant die me langs het geboortehuis van Jeanne d’Arc zou hebben geleid, maar die route vereiste een sterke klim naar Grand, waar ik maar liever van af zag.

In Grand is een Romeins amfitheater (foto hieronder), dat op een praktische manier is gerestaureerd, zodat het ook voor hedendaagse uitvoeringen geschikt is.

Het was de hele dag goed koud. De handschoenen droeg ik vrijwel permanent. Ik had dus weinig zin in  een koude nacht in de tent, en vond in Andelot het Hotel Le Cantharel, waar ik een kamer nam, me helemaal opfriste, en zelfs de baard van een week afschoor.

Vrijdag 16 april vertrok ik om 8.40 uur van het hotel, en koos voor een routevariant met een onverhard sterk klimmend stuk, waarna een ‘betoverend mooi vervolgdal’ zou volgen. Dat onverharde stuk was niet te fietsen, stijgend niet, maar dalend ook niet, als ik beneden tenminste met een onbeschadigde fiets wilde aankomen. Ik liep 2 km en bereikte een asfaltweg die inderdaad naar een idyllisch mooi dal leidde.

De verdere route ging over een fietspad langs het Canal de la Marne à la Saône. Rond het middaguur naderde ik Langrès, een vestingstad op een 400 meter hoge berg, waar ik op 50 meter na geheel fietsend bij op kwam. Erg fotogeniek was de stad niet, maar men serveerde er een

lekkere ‘Salade atlantique.’ Over de hoogvlakte van Langrès kwam ik bij Heuilly-Cottons weer bij het kanaal terug, waar het jaagpad opnieuw voor fietsers geschikt is gemaakt. Het jaagpad wordt tegenwoordig gebruikt door de sluiswachtsters (het zijn allemaal vrouwen), die in heel smalle autootjes van de ene sluis naar de andere rijden. Fietsers zijn op grote stukken officieel toegelaten en waar men officieel niet mag fietsen wordt het gedoogd. Er is mij tenminste nooit een strobreed in de weg gelegd. In het dal van de Vingeanne zocht ik in Villeneuve sur Vingeanne de camping, maar volgens de dorpsbewoners was hij gesloten. Toch was er één kraan die water gaf, en een hurktoilet, en van half 11 ’s avonds tot half 7 uur ’s morgens gingen de lichten automatisch aan en uit. Ik beschouwde de camping dus als geopend en zette mijn tent op.

Zaterdag 17 april vertrok ik om half acht van de verlaten camping. Mijn route volgde weer gedeeltelijk het jaagpad. Omdat de beschreven route tot ver na de middag nauwelijks plaatsen van enige omvang aandeed, week ik bij Longchamp daar vanaf en liet me door Garmin naar de dichtstbijzijnde supermarkt leiden. Ook daarvoor is dit navigatieapparaat een prima instrument. Hij wees me niet alleen feilloos de supermarkt, maar wees daarna ook een makkelijke weg de stad uit.

Bij Echigay hernam ik de beschreven route. Het weer was inmiddels voortreffelijk geworden, de wind was bijzonder gunstig, en de temperatuur kwam ruim boven de 20 graden, zodat de handschoenen uit konden.

Om 15.30 uur arriveerde ik in Beaune, waar ik direct de VVV opzocht om te internetten en te informeren naar een hotel. Men sprak bij de VVV prima Engels, veel beter dan mijn Frans, zodat de communicatie soepel verliep. Ik kwam terecht in Hotel Central, op een steenworp afstand van het centrale stadsplein.

In Beaune bleef ik de hele zondag. Behalve met de normale toeristische en spirituele activiteiten op een vrije zondag hield ik me ook intensief bezig met de verdere planning van de tocht. Ik was niet erg gerust op plan C, waarbij ik in Spanje een flink stuk met de trein zou overbruggen. En ik had in deze eerste 8 dagen gemerkt, dat er geen rek in mijn tijdschema zat. De vage hoop, dat ik wel wat trajecten zou kunnen versnellen, leek me inmiddels ijdel. En ik had ook de terugreis vanuit Gibraltar nog niet geregeld. Het leek me riskant, om dat in één weekend te willen regelen na aankomst op Gibraltar, maar nu leek dat nog te vroeg.

Ik internette nog wat over alternatieve mogelijkheden van transport binnen Spanje, en kwam toen tot plan D: fietsen tot Barcelona, en verder in Spanje het fietsen overslaan. Vanuit Barcelona zou ik de fiets naar huis sturen, en dan zou ik nog genoeg tijd hebben voor een bliksembezoek aan Gibraltar per huurauto. Maar dan had ik wel mijn rijbewijs nodig! Dat moest Lineke dan dus voor mij meenemen bij onze ontmoeting in Vallon Pont d’Arc tijdens het volgende weekend. Na dit besluit over de wijziging van mijn reisplan ebde de depressiviteit weg, die zich die zondagmiddag van mij meester had gemaakt.

’s Avonds dineerde ik met een Salade Nordique en een Boeuf Borgondaise. Zwaar, maar lekker. Men is in deze streek helemaal in de greep van de wijn. Er is een wijnmuseum, een wijnveilinghuis, talloze wijnwinkels en er is ook een speciale fietsroute door de wijngaarden. Een schaduwzijde van deze ‘haute culture’ is, dat je geen goedkope huiswijnen op de menukaarten aantreft. Voor een omnivore niet-fijnproever als ik schiet dat zijn doel een beetje voorbij.

Maandag 19 april vertrok ik om 8.10 uur van Hotel Central. De route voerde door de wijngaarden rond Beaune. Prachtig, maar het vereiste wel veel stijgingen, omdat die wijngaarden vaak langs hellingen zijn aangelegd. En de schoonheid van het wijnlandschap was zo vroeg in het jaar meer een belofte dan werkelijkheid. Op de uitgestrekte landerijen was nog niet meer te zien dan kale afgeknotte stronken. En dat ging vele kilometers door. De routebeschrijving van Paul Benjaminse hielp hier minder goed, want de situatie is sinds 2005 flink veranderd. Benjaminse adviseert de bewegwijzerde wijnroute te volgen die er nog niet was toen hij het boek afsloot. Dat deed ik ten dele, maar toen ik het vele op en neer gaan zat was, koerste ik op de kaart verder. Dat bracht mij soms te midden van het autoverkeer, maar de Franse automobilist heeft een groot ontzag voor de fietser, en rijdt met een grote boog om je heen. Bij Chagny sloot ik weer aan op de route van Paul Benjaminse.

Daar begon een fietspad langs een kanaal, dat ik tot Forgès kon volgen. Die kanaalroutes zijn niet alleen rustig en vlak, ze zijn ook interessant door de vele sluizen die je tegenkomt, soms wel elke kilometer, als de hoogteverschillen dat nodig maken. Desondanks is het voor de fiets een vlakke route, want drie meter stijging per kilometer kun je geen helling noemen, nog niet eens ‘vals plat.’

Na deze kanaalroute volgde een fraaie fietsroute door een bos, waarna ik bij Giorgy kon beginnen aan de fietsroute over de vroegere spoorbaan naar Cluny. Aan het begin van de middag passeerde ik via deze spoordijk Taizé, het bekende oecumenische ontmoetingscentrum, waar ik even pauzeerde en internet gebruikte.

De fietsroute is hier zeer in trek bij de regionale fietsclubs. Aan het begin ligt bij Giorgy een groot parkeerterrein, waar men per auto kan aankomen om een stuk over het fietspad te rijden. De route gaat natuurlijk buiten alle dorpen om, maar bij de grotere plaatsen ligt het voormalige station wel zo dicht bij de dorpskern dat men makkelijk even de plaatselijke horeca bezoeken.

Bij de grotere stations zijn de oorspronkelijke overkappingen van de perrons nog in tact, en soms ligt er nog een stukje rails, zoals op de foto hiernaast bij het station van St. Gengoux. Na Cluny gaat de fietsroute verder, maar de oude spoorbaan wordt hier meermalen doorsneden door de TGV-lijn Parijs-Lyon. Die rijdt af en aan. In beide richtingen telde ik er zeker vier in een half uur. Rijdend op zo’n oude spoorbaan, waar 100 jaar geleden voor die tijd hypermoderne treinen hebben gereden, en kijkend naar het snelle verkeer op die moderne hogesnelheidslijnen, vroeg ik me af: zouden al die viaducten en tunnels die nu Europa doorsnijden voor het TGV-net over 100 jaar ook omgebouwd worden tot fietsroutes? Dat wordt interessant voor de Paul Benjaminses van de tweeëntwintigste eeuw!

Bij Bois Clair gaat het fietspad door een oude spoortunnel, die volgens Paul Benjaminse gesloten is tussen 1 oktober en 30 april. Gelukkig bleek deze informatie verouderd, en kon ik er gewoon door. De twee kilometer lange tunnel wordt voor een paar fietsers per uur verlicht door een paar honderd lampen. Maar dat mag natuurlijk in een ‘route verte,’ hoewel ik me afvraag hoe lang die lampen kunnen branden op de benzine die ik uitspaar door dit traject met de fiets te doen in plaats van met een auto.

Na de tunnel koerste ik, over de oude spoordijk, over fietsstroken bij bestaande wegen en over vrijliggende fietspaden naar Fuissé, waar geen camping is, maar wel een hotel. Maaltijden serveerde men niet, zo vroeg in het seizoen.

’s Avonds ging ik er tevergeefs op uit om een restaurant te zoeken. Ondanks 18 km rondrijden kwam ik niet verder dan een paar koude quiches van een bakker, die ik met een karafje wijn op het terras van een café consumeerde.

Ik vertrok dinsdag 20 april om half negen van het hotel in Fuissé en verloor in de ochtend veel tijd doordat de route veel spoorzoeken en klimmen vereiste. In Villefranche lunchte ik voortreffelijk, maar moest helemaal naar het begin van de stad terugrijden voor de enige supermarkt. De middag gaf veel stijgingen en dalingen die me soms te zwaar werden, zodat ik moest lopen. Om zes uur bereikte ik Pollionnays, waar volgens de kaarten van Paul Benjaminse een camping moest zijn. Ik vroeg het aan Garmin, en die gaf aan dat de camping 2 km ver was. Maar dat was hemelsbreed. De route was 4,2 km, en wat Garmin niet wist, ook 250 meter omhoog. Dat ging met een stijgingspercentage van 7 tot 8%, wat aan het eind van deze dag voor mij te veel van goede is. Over deze 2 km hemelsbreed deed ik meer dan een uur. Maar toen was ik op een fraaie camping, met vrij uitzicht op de stad Lyon, zoals de foto hiernaast laat zien.

Ik stond op woensdag 21 april om 6 uur op, om mij te revancheren voor de moeilijke bergtrajecten van de vorige dag. De afdaling vanaf de camping liep als een trein, de daarna volgende stijging naar Rontalon was met 4% goed te behappen. Daarna een snelle afdaling naar Rive-de-Gier, waar ik koffie dronk. Toen kwam de klim naar de Col de Grenouze met stijgingen tot 6%. Om de 500 tot 1000 meter rustend kwam ik boven. Het restaurant op de top was gesloten, dus ik volstond met het maken van een overwinningsfoto, en daalde af naar Condrieu aan de Rhône. 

De rivier slingerde zich spectaculair door het landschap, de wijngaarden waren terrasvormig opgebouwd langs de hellingen, en imponerende brug kruiste de rivier. In Condrieu vond ik gesloten restaurants, behalve het restaurant van een viersterrenhotel, waar ik mij toen maar in mijn fietskleding meldde (de valhelm had ik op de fiets laten hangen) voor een lunch van 60 euro inclusief vele amuses en een halve fles wijn. Ik werd met alle passende egards behandeld en zelfs in het Engels te woord gestaan. Ik had natuurlijk een controleur van de Michelin-sterren kunnen zijn!

Na Condrieu volgde een fietspad langs de Rhône, die een paar keer werd overgestoken via fraai gevormde oude bruggen. Kernenergiecentrales flankeerden hier en daar de oevers.

Om een uur of zes was ik in Arras sur Rhône, waar ik langs een camping reed, die ik toen maar besloot te nemen, hoewel mijn tijdschema voorzag in een nog iets langere rit. Maar ook met deze pleisterplaats zou ik de 130 km die mij nog van Vallon Pont d’Arc scheidden makkelijk in 2 dagen moeten kunnen overbruggen. 

Donderdag 22 april vertrok ik om 7.50 uur van de camping en stond om 8.15 uur in een supermarkt om mijn avondproviand in te slaan. Die bleek pas over een kwartier open te gaan. Ondertussen keek ik naar vliegtuigsporen, die er op wezen, dat er voor het eerst sinds de vulkaanuitbarsting op IJsland weer gevlogen werd, een niet onbelangrijk punt voor mijn terugtocht! De ochtendetappe bracht een vrij lange klim naar 500 meter hoogte, die niet al te steil was: ik kon over het algemeen de snelheid boven de 10 km/h houden en hoefde niet af te stappen. Daarna volgde een heerlijke afdaling naar Lamastre, waar ik koffie dronk, internette en daarna was het al weer lunchtijd. De Salade Ardichoise, met sla, tomaten, gebakken spek, een stevige pittige kaas en een warme gekruide gehaktbal in de top, was de lekkerste lunch die ik op deze tocht heb genoten. Daar heeft men geen viersterrenrestaurant voor nodig!

De middag begon met een nieuwe uitdaging: de Col de Nonières, met een stijging van 250 meter over 11 km. Ik kon kiezen voor een ‘fietsroute’ die over een met stenen bezaaid voormalig spoortraject liep of gewoon het asfalt van de autoweg, en koos op advies van Paul Benjaminse voor het laatste. De beklimming viel niet tegen, het was gemiddeld ook maar 2,3%. Een snelle afdaling naar Le Cheylard bracht mij naar het punt waar de klim van 20 km naar de Col de Mézilhac begon. Ik had mij voorgenomen daar op deze dag de eerste 11 km van te doen. Die kilometers vielen mee en ik hoefde nooit af te stappen. In Dormas stapte ik af bij de gemeentelijke camping, waar een paar stacaravans in aanbouw waren en de receptie gesloten. Eén kraan gaf water, dus aan de minimum voorwaarden voor een overnachting was voldaan en ik zette de tent op. De mobiele telefoon had hier geen bereik en ik was nog net op tijd om bij de plaatselijke kruidenier een telefoonkaart voor de telefooncel aan te schaffen.

Ik probeerde in de telefooncel Lineke te bellen, die op dat moment in de Thalys onderweg was naar Parijs, maar het lukte niet om een gesprek tot stand te brengen. Haar telefoon ging wel over, maar ze hoorde mij niet, en ik hoorde alleen geruis. Ik dacht aan mijn vele belpogingen bij de tocht naar de Noordkaap en de eenzijdige verbindingen die dat soms opleverde. De klok was even 18 jaar teruggezet.

En verder was er deze avond in dit plaatsje niets te beleven: het restaurant stond te koop, het hotel was gesloten en het café was alleen nog herkenbaar aan verbleekte letters boven een vervallen huis naast de kerk. Ook het Franse platteland wordt blijkbaar leeggezogen door de verstedelijking. God verdween niet alleen uit Jorwerd. Overigens waren er bij de kerk wel enige vergeelde pamfletten die op het bestaan van nog een functionerende parochie wezen.

 

Er vertoonde zich de hele avond en nacht niemand op de camping zodat ik voor de tweede keer gratis logeerde. Ik stond op vrijdag 23 april om 6.15 uur op en begon om 7.45 uur aan de beklimming van de rest van de Col de Mézilhac. De eerste 5 km kon ik zonder rust overbruggen, toch was de stijging over deze 5 km 3,2%. Daarna werd de stijging gemiddeld 4,7%. Om dat te volbrengen rustte ik elke kilometer. Paul Benjaminse adviseert om op de flanken van deze col te denken aan wat je al gedaan hebt, en niet aan wat je nog moet doen. Ik vermaakte mijzelf door elke kilometer op de dagteller aan mij te zien voorbij glijden, en telkens te denken: ‘nog 400 (resp. 300, 200, 100) meter en dan mag ik weer uitrusten.’ Het is dan ook een leuk spel om bij de laatste 200 of 100 meter het punt in de berm te schatten waar het rustpunt ligt. En ik hield mijn hersenen in beweging door elke honderd meter de hoogtemeter op de Garmin-navigator af te lezen, en het stijgingspercentage uit te rekenen.

Eigenlijk duurde de beklimming helemaal niet lang. Per kilometer had ik inclusief rust 10 tot 12 minuten nodig. Om 9.22 was ik boven, maakte een foto van mezelf op het hoogste punt van de hele tocht, 1122 meter, en dronk koffie in het plaatselijke café. Daarna begon een ijskoude afdaling van 15 km, die ik af en toe onderbrak om warm te worden. In Vals-les-Bains was er weer sms-contact mogelijk en kon ik Lineke melden waar ik was.

Daarna werd Paul Benjaminses routebeschrijving wat lastiger te volgen. Het was af en toe spoorzoeken en in Voguë presteerde ik het zelfs om 180 graden de verkeerde kant uit te rijden. De zon was niet te zien en ik had verzuimd om op het kompas van Garmin te kijken. Maar ik kwam uiteindelijk waar ik wilde zijn en bereikte Ruoms. Daar zou mijn broer Rits mij af halen om de weg te wijzen naar de villa van mijn broer Louwrens. Ik nam met een grote fles mineraalwater plaats in de brasserie van de supermarkt.

Om 14.15 uur arriveerden wij in Vallons Pont d’Arc, waar een Nederlandse projectontwikkelaar een villapark heeft opgezet waar de Nederlandse radio en televisie ontvangen kunnen worden. Lineke spreidde haar armen wijd uit ter begroeting en de broers verwelkomden mij met een spandoek vanwege de tussenfinish op mijn route naar Gibraltar. Dat ik inmiddels een plan D had ontwikkeld waarmee ik op een heel andere manier Gibraltar wilde bereiken wisten ze toen nog niet. 

De rest van de dag ging heen met praten, eten en drinken. En ik regelde via internet de terugvlucht vanuit Málaga en de huurauto waarmee ik naar Gibraltar wilde reizen. Louwrens kwam met het lumineuze idee om de fiets door een van de regelmatige transporten van zijn bedrijf naar Alphen te laten brengen.

Zaterdag 24 april en zondag 25 april vierden we een familieweekend in de landstreek Ardèche. We reden met zijn allen naar de Gorges d’Ardeche, een enorme kronkelende rotsspleet, waar men op vele plaatsen een schitterend uitzicht heeft over de rivier Ardèche. En we aten en dronken, barbecueden en wandelden in de directe omgeving. Zondag bezochten we de dorpen Voguë en Baluzac, prachtige plaatsjes in oude stijl, waar de vroegere ondergrondse tunnels voor de waterafvoer nog bestaan, terwijl de latere huizen daar bovenop zijn gebouwd.

Maandag 26 april vertrokken Tjitte, Rits en Klaas al vroeg per auto naar Nederland. Lineke en Louwrens zwaaiden mij uit op weg naar Barcelona en reisden vervolgens per auto naar een TGV-station vanwaar ze richting Parijs vertrokken, voor de overstap op de Thalys naar Rotterdam. En zo zat ik weer in mijn eentje op de fiets, met enige tegenzin, maar dat gevoel verdween in de loop van de ochtend snel.

Bij het verlaten van Ruoms miste ik een paar keer de juiste uitvalsroute voor ik weer op de beschreven koers zat. Ook later op de ochtend was ik niet altijd succesvol bij de interpretatie van de routeaanwijzingen van Paul Benjaminse. Een ‘splitsing bij een statig huis’ bij La Rouvière viel mij niet op, en even later ging ik bij de verkeerde heuvel op, zodat ik 40 meter onnodig klom.

Wat later volgde een klim van 6,5% naar Banne, maar die duurde niet zo lang, zodat ik die met gemak haalde. Hier was een traject met prachtige regelmatige rotsformaties in het bos, waarvan ik me afvroeg of ze natuurlijk waren of resten van voorhistorische wijngaarden. Ik lunchte in Gagnières en liet mij aan het eind van de middag door Garmin naar de camping bij Cardet brengen. Garmin koos daarvoor de kortste route over een onverharde weg langs de rivier. De camping was open en werd door Nederlanders beheerd. Ik vernam van Lineke, dat ze in Parijs de overstap op de Thalys had gemist en pas laat in Rotterdam zou arriveren.

Dinsdag 27 april reed ik van Cardet naar Adissan, waar de camping voornamelijk een caravanpark is, maar waar wel een toerplekje voor mij beschikbaar was. Onderweg maakte ik foto’s van kwakende kikkers, en in St. Hyppolyte du Fort wijzigde ik via internet de reservering voor de huurauto van Barcelona naar Málaga.

Woensdag 28 april bereikte ik bij Vias-Plage de Middellandse Zee. Dit is een echte badplaats met palmen, kermis en ander spektakel. Maar ’s ochtends om 10 uur was er nog weinig te beleven. Ik was al blij dat ik koffie kon krijgen.

De rit ging verder langs het Canal du Midi. Dit kanaal werd tussen 1667 en 1681 aangelegd en vormt de verbinding tussen de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Dat was handig om niet door de straat van Gibraltar langs de boze Spanjaarden en Marokkanen te hoeven varen. Het kanaal is niet al te breed, nog niet de helft van het kanaal Almelo-De Haandrik. Even voorbij Béziers ligt een sluizencomplex, de Neuf Écluses, waar met negen sluizen een hoogteverschil van 21 meter wordt overbrugd.

Het kanaal gaat even later door een tunnel. Ik volgde het kanaal tot Poilhès, waarna ik koers zette naar Capestang, dat opvalt door een enorme kerk die van verre in het landschap is te zien. In het plaatsje zelf moest ik in de nauwe straatjes wel zoeken naar de kerk, die helaas gesloten was. Maar op het kerkplein waren de terrassen wel open – extreem duur, volgens Paul Benjaminse – maar ik viel niet van mijn stoel van de prijzen. De route had voor deze dag een mooie finale in petto: van Névian tot Bizanet ging het over een klein binnenweggetje door de beboste rotsen, afgewisseld met wijngaarden. Er zat nog een pittige heuvel in met 130 meter stijging, daar dat lukte goed. Vanaf Bizanet ging het nog weer omhoog naar de camping, die Garmin feilloos aanwees. Ik was de enige klant, maar de campingbaas was er wel. De grond was hard en er stond een stevige wind. Ik moest alle scheerlijnen in stelling brengen om de tent te verankeren.

Donderdag 29 april 2010 reed ik het laatste puur Franse traject, onder andere door een dorp dat de toepasselijke naam Latour de France draagt. Enige tijd later begon Frans Catalonië, wat het eerst te merken was aan de dubbeltalige plaatsnaamborden: TuchanTuissan. Hier ligt de Col d’Extrème, die helemaal niet extreem is: een stijging naar 251 meter, te bereiken via 4 km 1,5% en 700 meter 5,4%. Ik hoefde er geen moment voor af te stappen. Maar ‘extreem’ is natuurlijk een tweezijdig begrip: ook een minimum is een extreem.

In Estagel kon ik voortreffelijk lunchen, met Catalaans water en Catalaanse wijn. Daarna moest ik tot twee uur wachten voor het internetcafé open ging. Van Estagel naar Belesta was een klim naar 400 meter, die een vrij constante stijging van 4,5% vereiste. In Ille sur Tet had ik willen kamperen, maar concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van een camping vond ik niet en ook Garmin kende geen camping. Zodoende reed ik door naar Thuïr, waar een hotel zou moeten zijn. Toen ik dat na

een uur zoeken had gevonden bleek het gesloten. Van enige voorbijgangers kreeg ik een lijst met ‘chambres dhotes’ waarvan ik er een opzocht. Ik kwam terecht in een conferentieoord, waar ik voor 75 euro een fraaie kamer kreeg, waarin ik mij uitgebreid verschoonde en de kleren waste, en mijn avondbrood genoot, hoewel het hotelreglement dat verbood, maar dat wist ik niet toen ik de kamer nam.

Vrijdag 30 april 2010 passeerde ik de Spaanse grens. De fietsroute gaat over de Col de Manrell. Paul Benjaminse meldt, dat wie niet van klimmen houdt, natuurlijk de autoroute kan volgen. Die gaat niet hoger dan 150 meter, maar dat kunnen we geen fietsroute noemen. Ik besloot de uitdaging aan te nemen en de Col te bedwingen. Die wordt bij Llauro voorafgegaan door een bergje van 300 meter, dat snel voorbij was. Om 10.45 uur begon ik bij Maureilla las Illas aan de weg over de Manrell. Over dat traject van ruim 13 km deed ik bijna twee en een half uur. Dat kwam niet alleen van de soms sterke stijgingen, maar ook omdat de weg naar de Spaanse grens toe steeds

slechter werd. Toch lukte het in de vijfde kilometer bij een stijgingspercentage van 8,4% 500 meter te blijven fietsen. Maar in de tiende kilometer stapte ik bij 9,6% stijging af. Ook lopen met de beladen fiets is dan bijzonder zwaar: over die 500 meter deed ik een kwartier. De twaalfde en dertiende kilometer stegen nog maar een paar procent, maar daar was de weg onmogelijk te befietsen. Al getallen verzamelend zette ik door, en bereikte de grenssteen om 13.09 uur.

Deze weg is in de Francotijd een vluchtroute geweest. Op de grens staat een monument voor 700.000 slachtoffers van de burgeroorlog en 470.000 verdrevenen tijdens de dictatuur. Aan Spaanse zijde loopt een fraaie asfaltweg naar dit punt.

Ik daalde snel af naar Figueres waar het hotel-restaurant ook een prima kampeergelegenheid biedt. Paul Benjaminse doet heel negatief over de prijs-kwaliteitverhouding, maar ik vond het een uitstekende pleisterplaats. Mijn Spaans klonk niet houteriger dan mijn Frans (hetgeen geen aanbeveling is voor mijn Frans). Als je hier ‘un vaso de cerveza’ bestelt, krijg je een heel groot glas bier!

Zaterdag 1 mei vertrok ik om half negen van de camping, opzettelijk laat, om in Figueres enige kaarten te kopen van dit deel van Spanje, want bij de voorbereidingen had ik met plan D geen rekening gehouden.

De route voerde langs enkele Spaanse varianten van het begrip ‘fietsroute.’ Fietspaden zijn hier minder vaak verhard dan in Frankrijk, soms zijn het niet veel meer dan wandelpaden. Soms is er ook een speciale fietsbrug langs een stuw gehangen, zorgvuldig omhuld met gaas, om al te enthousiaste duikproeven van de fietsers te voorkomen. Weer op de gewone weg moest ik enige malen flink klimmen, maar dat duurde nooit lang. In Pubol, een klein gehucht met een groot restaurant en een Dali-museum lunchte ik uitgebreid. Terwijl ik op het terras van dat restaurant zat kwam een collega uit mijn OCW-verleden langs, Rob, bekostigingsspecialist van de TU Eindhoven, die ik in werkgroepen bekostiging en studielink meerdere malen heb ontmoet. Wij constateerden, dat de wereld klein is… Na Pubol kwam mijn laatste col bij Sta Pellaia: een stijging van 100 naar 348 meter. In de afdaling vestigde ik het

snelheidsrecord van deze tocht, 55,4 km/h op een strakke en glad geasfalteerde weg. Aan het eind van de middag arriveerde ik in Caldes de Malavella, een kuuroord met enige gigantische luxueuze hotels. Maar er was ook nog het Hostal Fabrellas waar ik voor 28 euro een kamer kon krijgen, klein, maar voor mijn doel voldoende.

Zondag 2 mei vertrok ik om 9.30 van het hotel (ze serveerden pas om 9 uur een ‘desayuno’) en verliet mij nu geheel op de kaarten en op Garmin. Paul Benjaminse vindt de laatste 60 km naar Barcelona niet meer geschikt om te fietsen, en adviseert vanaf Blanes de trein te nemen. Dat was mij te min, zeker nu ik ook al mijn tocht naar Gibraltar had ingekort en daarom fietste ik rechtstreeks op de Costa Brava af. In Tossa de Mar dronk ik koffie in een Engelse pub, waar ik in mijn beste Spaans om ‘un cafe solo’ vroeg, voor ik ontdekte dat de eigenaar puur Brits was.

Langs de kustweg zette ik vervolgens koers naar Barcelona. In Lloret de Mar, een populair vakantieoord voor veel Nederlandse toeristen, lunchte en internette ik, waarna ik de kustweg vervolgde. Daar is over tientallen kilometers de situatie hetzelfde: een strand, een spoorlijn en een autoweg. Die weg heeft redelijk brede stroken waarin gefietst kan worden, maar bij elke rotonde moet de rechtdoorgaande fietser zich er van vergewissen, dat de rechtsaf slaande automobilisten begrijpen wat hij gaat doen. Ik begrijp Paul Benjaminse dus wel: dit is geen echte fietsroute, maar het kan wel. Via Saint Pol de Mar, Canet de Mar en Arenys de Mar bereikte ik de camping Barcelona. Deze camping ligt anderhalve km voor Mataró, 18 km voor Barcelona. Hier zette ik mijn tent op met de bedoeling een vrije dag te nemen en van de mondaine stranden van de Costa Brava te genieten. Maar ’s avonds begon het hard te regenen, en dat bleef het ongeveer 36 uur onafgebroken doen.

Maandag 3 mei stond ik in de stromende regen op met de bedoeling Mataró te verkennen. De stranden waren verlaten, de musea waren gesloten, en mij restte niet veel anders dan met een regencape door de stad te zwalken van het ene koffiehuis naar het andere.

Om een uur of 10 ’s avonds ging ik maar weer in de tent liggen. De onafgebroken regen kletterde op de tent, en van slapen kwam niet veel. Ik brulde het uit van ellende. ‘Ik wil naar huis! Wat heb ik mezelf aangedaan?’ Om toch wat te kunnen slapen deed ik een propje toiletpapier in mijn oor. Dat bleek een effectief oordopje, maar toen ik me na een half uur rust in dat oor begon af te vragen of ik het er wel weer uit zou krijgen, bleek het propje muurvast te zitten.

Dinsdag 4 mei stond ik opnieuw in de stromende regen op. De temperatuur was opmerkelijk constant: dag en nacht 10 graden, nu al twee dagen lang. Beter dan de kou van het begin van de tocht, maar niet wat je verwacht aan de Costa Brava!

Omstreeks half 11 was ik in Barcelona. Bij een apotheek informeerde ik naar middelen om mijn oor te bevrijden van de papierprop, en werd naar een gezondheidscentrum verwezen. Dit leidde tot een kennismaking met de Spaanse gezondheidszorg, waarbij in anderhalf uur tijd niet alleen mijn gehoorgang weer vrij kwam, maar ook bleek, dat het label “European Health Insurance Card” dat op onze  zorgpas staat geen loze kreet is: ik werd zonder enig probleem geholpen zonder dat ik een cent op tafel hoefde te leggen.

Met een grote zorg minder kon ik mijn aandacht op Barcelona richten. Het was na 48 uur opgehouden met regenen, en het fietsen door deze wereldstad bleek goed te doen. Er zijn fietspaden langs alle grote Avenudo’s. Ik doorkruiste de stad en overnachtte in een hotel in Viladecans, 10 km ten zuidoosten van Barcelona. Ik misbruikte de keurige hotelkamer om mijn kletsnatte kampeerspullen te laten drogen.

Woensdag 5 mei reed ik in anderhalf uur door naar Sitges, waar ik de tent op een camping neerzette en om 12 uur met de trein terug reed naar Barcelona om toerist te spelen.

Donderdag 6 mei haalde ik in Barcelona de huurauto af en verkende de omgeving. Na 21 maanden Prius gereden te hebben zat ik voor het eerst weer in een geschakelde auto. De motor sloeg mij slechts twee maal af.

Vrijdag 7 mei meldde ik mij om 10 uur bij Hyva Hispanica te Vilafranca. Dat was slechts 20 km van Sitges maar wel 200 meter hoger, zodat mijn laatste etappe niet eens zonder inspanning was. De topman van Hyva Hispanica, Gert Jan Bossen, nam de fiets in ontvangst en bracht mij hoogst persoonlijk per auto terug naar de camping in Sitges. Zo doet Hyva dat met belangrijke relaties!

Ik vertrok om 11 uur van de camping, doorkruiste km het Catalaanse kustlandschap over 510 km filevrije snelwegen (de tol viel mee: 12 euro) en bracht de nacht door in een hotel in Elche-Alicante.

Zaterdag 8 mei bracht een autorit van 600 km mij bij het einddoel van de reis.  Ik nam mijn intrek in een hotel aan de Spaanse kant van de rots van Gibraltar. ’s Avonds wandelde ik naar Britse kolonie en dineerde in passende sfeer.

Zondag 9 mei was grotendeels gewijd aan het verkennen van Gibraltar. Ik woonde een Anglicaanse hoogmis bij, ging met de kabelbaan naar de top van de rots, werd daar door de apen verwelkomd, maar zag af van het wandelen naar de Europe Point, het zuidelijkste puntje, omdat dat heen en terug nog eens 12 km zou hebben gevergd, en ik loop wel halve marathons, maar wandel geen 20 km.

Maandag 10 mei ging ik met de auto nog eenmaal naar Gibraltar. De grenscontroles vielen mee, en ik kon hier goedkoop tanken. In een regenachtige sfeer reed ik naar Europe Point en keek door de motregen heen over de Straat van Gibraltar waar de kust van Marokko vaag te onderscheiden was.

Daarna reed ik naar Spanje terug. Ik had zeeën van tijd, want mijn vliegtuig moest om 20.05 uur vertrekken en Málaga ligt maar 120 km van Gibraltar. Maar er waren weer IJslandse stofwolken verschenen. De laatste paar dagen werden steeds meer vliegvelden in het noordwesten van Spanje en in Portugal gesloten. Ook de meeste

Britse vliegvelden gingen dicht. Zondagavond was het vliegveld van München gesloten en de stofwolk die daarvoor verantwoordelijk was bedreigde nu Wenen. Het leek een kwestie van tijd voordat ook Amsterdam en Zuid-Spanje betrokken zouden worden. Ik had zondag daarom op internet al vast een plan E ontworpen: hoe kom ik per trein vanuit Málaga naar Nederland? Eenmaal per dag is er een trein van Madrid naar Parijs. Een TGV rijdt nog niet tussen deze steden.

Maar plan E bleek niet nodig. Hoewel de helft van de vluchten op het vertrekbord van een rode aantekening CANCELLED was voorzien bleef Transavia-vlucht HV6118 de hele avond op het scherm staan. Omstreeks middernacht vertrok het toestel met 4 uur vertraging. In het Spaanse luchtruim kon niet hoger dan 5000 meter worden gevlogen. Maar onder de aswolk door bereikte het toestel toch het Franse luchtruim en leverde mij op dinsdag 11 mei om 3.30 uur in de vroege ochtend af op Schiphol. De eerste trein naar Zwolle vertrok daar om 5.55 uur en ik was om 8 uur thuis.

Lezers van mijn relaas uit 1992 over de tocht naar de Noordkaap zullen in dit verhaal twee elementen missen: de muggen en de spaken. Muggen ben ik in 3300 km tussen Ommen en Gibraltar vrijwel niet tegengekomen. Het weer was er blijkbaar niet naar en voor de door klimaatpessimisten wel verkondigde stelling, dat muggen en ongedierte elk jaar 10 km naar het noorden oprukken heb ik geen enkele aanwijzing gevonden. Anders dan op weg naar de Noordkaap hebben de spaken van mijn fiets zich goed gehouden, hoewel ik veel zwaardere hellingen heb bedwongen. Van lekke banden heb ik ook geen last gehad. De moderne fietsband doet daar niet meer aan.

 

Referenties

·         Paul Benjaminse – Onbegrensd fietsen van Amsterdam naar Barcelona, deel 1: Eindhoven-BeauneBenjaminse Uitgeverij, Amsterdam, 2005

·         Paul Benjaminse – Onbegrensd fietsen van Amsterdam naar Barcelona, deel 2: Cluny – Barcelona – Benjaminse Uitgeverij, Amsterdam, 2008

·         Paul Benjaminse, Fred van Eck – Onbegrensd Fietsen naar Andalusië – Benjaminse Uitgeverij, Amsterdam, 2007

·         Gerard Mak – Hoe God verdween uit Jorwerd – Uitgeverij Atlas, 1996

·         Frans Dijkstra – De muggen waren getuige – Verslag van een fietstocht naar de Noordkaap – Zoetermeer, 1992

 

 

 

 

 

 

 

.