Gibraltar? Het werd
Barcelona!
door Frans Dijkstra
‘Op naar Gibraltar’ schreef ik op 9 april 2010 op deze website. Zaterdag 10 april 2010 stapte ik op de fiets met bestemming Gibraltar. Maar de aankondiging was niet zonder voorbehoud. Of ik in Gibraltar zou aankomen wist ik niet. Ik had een planning die er in voorzag, dat ik op zaterdag 15 mei Gibraltar zou binnenfietsen. Daar wilde ik dan het weekend blijven en op maandag 17 mei naar huis terugvliegen. Maar ik had ook een plan B en een plan C. Als de Spaanse heuvels zouden tegenvallen wilde ik een stuk van het Spaanse traject per trein doen (plan B), maar de berichten over de mogelijkheid om in Spanje grote afstanden af te leggen met de fiets in de trein waren niet al te best. Mocht ook plan B niet haalbaar zijn, dan had ik plan C achter de hand, wat inhield dat ik eerder zou besluiten om het stuur te wenden naar het dichtstbijzijnde vliegveld om op tijd in Nederland terug te kunnen zijn om het orgel te bespelen in de Pinksterdienst in de PKN-kerk in Ommen.
Welnu, het is plan D geworden. Ik heb afgezien van de
Spaanse bergtrajecten, omdat ik de Franse bergen wel genoeg vond, met als hoogtepunten
de Col de Mezilhac van
En ik? Ik heb in Barcelona een auto gehuurd en de resterende
Hieronder staat een fotoverslag met hoogteprofielen van de tocht. In de profielen is met een rode pijl aangegeven bij welke col de daarop volgende foto’s zijn gemaakt. Wie de hoogteprofielen in detail wil bekijken moet even het zoompercentage van zijn browser op 400% zetten. De hoogteprofielen zijn geconstrueerd op grond van foto’s van het dagelijkse hoogteprofiel dat het Garmin-navigatieapparaat levert. De verticale strepen markeren de dagetappes, de overnachtingsplaats staat er telkens onder. De cijfers langs de verticale strepen geven de hoogte in meters.
|
|
|||
|
|
Ik vertrok op zaterdag 10 april om 10.15 uur. Na een valse start om half tien was ik nog even teruggekeerd omdat ik de valhelm vergeten had. Zutphen bereikte ik om 12.35 uur waar mijn vaste eettent bij het station geen kalfslapjes kon leveren omdat
de stroom in de keuken was uitgevallen. In Arnhem was ik om 15.30 uur. Via
een fraaie fietsbrug naast de spoorbrug stak ik om 16.15 uur de Waal bij Nijmegen
over. Via de Heiligelandstichting kwam ik om 17.05 uur op de natuurcamping
van Groesbeek met ’s Avonds ging ik te voet naar Groesbeek, waar een Egyptisch restaurant wel kalfslapjes kon serveren. Na de maaltijd liep ik een misviering binnen, waar ik midden in de preek binnenviel en de rest helemaal bijwoonde. De pastoor was bezorgd over de misbruikaffaires, en vond dat ze niet verzwegen moeten worden. |
||
|
|
Op zondag 11 april
vertrok ik om acht uur van de camping en verdwaalde bij Gennep flink, doordat
wegwijzers waren afgeplakt wegens wegwerkzaamheden. Na een lunch om 13.00 uur
in Helden arriveerde ik met een psychologische inzinking om Via Sint Odiliënrode nam ik de weg richting Brunssum, die
over Duits gebied loopt. In 1991 kwam ik hier ook eens langs. Toen was deze
weg nog een gesloten corridor vanwaar men de omliggende Duitse plaatsen niet
kon bereiken. Nu kon ik gewoon afslaan naar Tüddern en Sittard. Voor Schinnen
bedwong ik de eerste ‘col’ met een stijgingspercentage dat nog wel meeviel en
waarbij mijn snelheid boven de |
||
|
|
De nacht van maandag
12 april was koud en de licht gewicht slaapzak hielp onvoldoende. Ik trok
extra kleren aan en zelfs dubbele sokken en wanten. Om 9.05 uur vertrok ik
via Valkenburg naar Margraten, waarheen ik de eerste beklimming doorstond: |
||
|
|
|||
|
|
Ik vertrok op dinsdag
13 april om 8.05 uur van de camping. De eerste |
||
|
|
Mijn fietsnavigatieapparaat
Garmin E-trex Vista kende hier in Wallonië de weg
niet. De provincie Luxemburg is niet vertegenwoordigd in het
navigatiemateriaal voor West-Europa waar dit apparaat op draait. Daardoor
moest ik hier ouderwets op de kaart en de wegwijzers navigeren. Dat maakt het
voor een fietser in een middelgrote plaats niet altijd gemakkelijk de juiste
uitvalsweg te vinden. Op weg naar Hives verliet ik La Roche eerst volgens de
verkeerde weg, en klom wel Om 11.25 uur had ik nog maar ’s Middags omstreeks 15.30 uur kon ik in Martilly aanhaken op de door Paul Benjaminse beschreven fietsroute naar Barcelona. Het begin van de route ‘Amster- |
||
|
|
dam-Barcelona,’ die overigens in Eindhoven start, had ik overgeslagen, omdat hij nogal wat smalle kronkelwegen door het uiterste oosten van België voorstelt. Maar de route is wel goed uitgekiend. De stijgingen bleken minder dan toen ik me op de Michelinkaart verliet. Om 18.00 uur verliet ik België, nagestaard door vier ezels. In Frankrijk kon ik direct weer beginnen met klimmen, maar ik hoefde niet af te stappen. Om 19.00 uur nam ik in Montmédy mijn intrek in het plaatselijke hotel. Op de foto hieronder is dat het tweede gebouw van links. Op de achtergrond ziet men de Citadelle die hoog op de rots achter Montmédy ligt. Daar is ook de camping, maar die was in april nog gesloten, en ik wilde toch al in een hotel overnachten, om weer eens goed warm te worden en een uitgebreid bad te nemen. Tevreden stelde ik vast, dat de Ardennen mij niet klein gekregen hadden, en dat ik nog op mijn voorgenomen tijdschema zat. |
||
|
|
Op woensdag 14 april
verliet ik om 8.20 uur het hotel. Na Om 11.20 uur dronk ik koffie in Vilosnes aan de Maas en om twaalf uur zat ik in een greppel te proberen via de korte golf het nieuws van de wereldomroep te horen. |
||
|
|
|||
|
|
Dat lukte niet, maar via de sms had ik van Lineke en Mirjam al vernomen dat Lucia de Berk was vrijgesproken. Nederland is dus toch een rechtstaat, al heeft het in dit geval wel heel veel moeite gekost om het recht zijn loop te laten krijgen. Een zelfgenoegzame opmerking van een justitiewoordvoerder, dat deze zaak het zelfreinigend vermogen van ons rechtsysteem heeft laten zien, zat er volledig naast. Het rechtsysteem heeft dit niet zelf opgelost, maar er was een boek van een buitenstaander (Ton Derksen) voor nodig om de zaak aan het rollen te krijgen. Gelukkig zetten de zeer betrokken en invoelende reacties van minister Hirsch Ballin en super PG Brouwer veel dingen recht. Langs de zuidelijke oever van de Maas fietste ik in westelijke richting naar Verdun, waar ik een langere pauze nam. Ik liet mij een uitgebreide lunch serveren met o.a. een steak grillé en een halve liter wijn en een halve liter water. Er wordt beweerd, dat de benen van een fietser zwaar worden van wijn, maar ik merk daar niets van. |
||
|
|
Verdun is bekend vanwege de slag bij Verdun in de eerste wereldoorlog, die anderhalf jaar geduurd heeft, en waar onze taal de uitdrukking ‘loopgravenoorlog’ aan heeft te danken. Verdun dankt aan deze en andere veldslagen diverse monumenten in en om de stad. Mijn belangrijkste doel in Verdun was – behalve de lunch – het sturen van een e-mailbericht naar mijn fans in Nederland. Daarvoor moest ik een internetcafé vinden, en daar ben ik een uur mee bezig geweest. Daarna worstelde ik drie kwartier met het Franse toetsenbord, maar toen was mijn eerste e-mailbericht een feit. Om 16.45 verliet ik deze stad aan de Maas en reed heel rustig door het rivierdal naar Saint Mihiel, waar ik om 19.30 uur op een vrijwel uitgestorven camping de tent opzette. Maar er was wel een beheerder aan wie ik 7 euro kon betalen. ’s Avonds luisterde ik voor het inslapen op mijn mp3-speler naar de laatste twee delen van de derde symfonie van Beethoven. |
||
|
|
Ik had het in de tent redelijk warm, maar toen ik op donderdag 15 april om ongeveer 7 uur opstond zat er ijs op de buitentent. Ik at een droog stokbroodje als ontbijt en dronk in plaats van thee een beker sinaasappelsap. Ik heb op deze tocht, anders dan destijds naar de Noordkaap, geen spullen bij mij om warme dranken te maken. Ik vertrok om 8.25 uur en week af van de route van Paul Benjaminse. Die stelt voor om van hier via Boucq door het Foret de la Reine te rijden, waarvan de beschrijving mij deed vermoeden dat het niet alleen een omweg was, maar ook dat de kans op fout rijden groot was. Bij drie cruciale afslagen staan bij de bospaden geen wegwijzers, wat Paul Benjaminse heeft opgelost door in zijn routebeschrijving foto’s op te nemen van die plekken, met onderschriften ‘hier links, hier rechts, hier rechtdoor.’ Ik achtte mijzelf bij uitstek in staat om daar telkens de verkeerde beslissing te nemen en in dat bos hopeloos te verdwalen. |
||
|
|
|
||
|
|
In plaats van de route van Paul Benjaminse liet ik mij door Garmin (hier in Frankrijk kende hij de weg weer!) via Commercy naar Pagny sur Meuse leiden. Dat deed Garmin heel aardig, over een niet geasfalteerd pad langs een spoorlijn, dat heel goed te berijden was. Om 11.30 uur was ik op een punt waar ik de route van Paul weer kon volgen. Die voerde meestal door het Maasdal. De natuur was hier wat verder ontwikkeld dan in Nederland. Uitbundig bloeiende forsythia’s en bomen met enorme bolvormige clusters bladeren (foto’s hierboven) zijn daar enkele tekenen van. Deze streek is in de voorbije eeuwen herhaaldelijk het toneel van heftige oorlogen geweest, en in menig dorp staat dan ook een protserig monument dat daaraan herinnert. De foto hiernaast is een detail van zo’n monument. |
||
|
|
Bij Sauvigny passeerde ik voor het laatst de Maas, die hier niet breder is dan de Vecht in Ommen. De route voerde nu naar een bergplateau, waarvan de klim meeviel. Ik kon kiezen voor een routevariant die me langs het geboortehuis van Jeanne d’Arc zou hebben geleid, maar die route vereiste een sterke klim naar Grand, waar ik maar liever van af zag. In Grand is een Romeins amfitheater (foto hieronder), dat op een praktische manier is gerestaureerd, zodat het ook voor hedendaagse uitvoeringen geschikt is. Het was de hele dag goed koud. De handschoenen droeg ik vrijwel permanent. Ik had dus weinig zin in een koude nacht in de tent, en vond in Andelot het Hotel Le Cantharel, waar ik een kamer nam, me helemaal opfriste, en zelfs de baard van een week afschoor. |
||
|
|
|||
|
|
Vrijdag 16 april
vertrok ik om 8.40 uur van het hotel, en koos voor een routevariant met een onverhard
sterk klimmend stuk, waarna een ‘betoverend mooi vervolgdal’ zou volgen. Dat onverharde stuk was niet te fietsen, stijgend niet, maar
dalend ook niet, als ik beneden tenminste met een onbeschadigde fiets wilde
aankomen. Ik liep De verdere route ging over een fietspad langs het Canal de
la Marne à la Saône. Rond het middaguur naderde ik Langrès, een vestingstad
op een |
||
|
|
lekkere ‘Salade atlantique.’ Over de hoogvlakte van Langrès kwam ik bij Heuilly-Cottons weer bij het kanaal terug, waar het jaagpad opnieuw voor fietsers geschikt is gemaakt. Het jaagpad wordt tegenwoordig gebruikt door de sluiswachtsters (het zijn allemaal vrouwen), die in heel smalle autootjes van de ene sluis naar de andere rijden. Fietsers zijn op grote stukken officieel toegelaten en waar men officieel niet mag fietsen wordt het gedoogd. Er is mij tenminste nooit een strobreed in de weg gelegd. In het dal van de Vingeanne zocht ik in Villeneuve sur Vingeanne de camping, maar volgens de dorpsbewoners was hij gesloten. Toch was er één kraan die water gaf, en een hurktoilet, en van half 11 ’s avonds tot half 7 uur ’s morgens gingen de lichten automatisch aan en uit. Ik beschouwde de camping dus als geopend en zette mijn tent op. |
||
|
|
Zaterdag 17 april vertrok ik om half acht van de verlaten camping. Mijn route volgde weer gedeeltelijk het jaagpad. Omdat de beschreven route tot ver na de middag nauwelijks plaatsen van enige omvang aandeed, week ik bij Longchamp daar vanaf en liet me door Garmin naar de dichtstbijzijnde supermarkt leiden. Ook daarvoor is dit navigatieapparaat een prima instrument. Hij wees me niet alleen feilloos de supermarkt, maar wees daarna ook een makkelijke weg de stad uit. Bij Echigay hernam ik de beschreven route. Het weer was inmiddels voortreffelijk geworden, de wind was bijzonder gunstig, en de temperatuur kwam ruim boven de 20 graden, zodat de handschoenen uit konden. Om 15.30 uur arriveerde ik in Beaune, waar ik direct de VVV opzocht om te internetten en te informeren naar een hotel. Men sprak bij de VVV prima Engels, veel beter dan mijn Frans, zodat de communicatie soepel verliep. Ik kwam terecht in Hotel Central, op een steenworp afstand van het centrale stadsplein. In Beaune bleef ik de hele zondag. Behalve met de normale toeristische en spirituele activiteiten op een vrije zondag hield ik me ook intensief bezig met de verdere planning van de tocht. Ik was niet erg gerust op plan C, waarbij ik in Spanje een flink stuk met de trein zou overbruggen. En ik had in deze eerste 8 dagen gemerkt, dat er geen rek in mijn tijdschema zat. De vage hoop, dat ik wel wat trajecten zou kunnen versnellen, leek me inmiddels ijdel. En ik had ook de terugreis vanuit Gibraltar nog niet geregeld. Het leek me riskant, om dat in één weekend te willen regelen na aankomst op Gibraltar, maar nu leek dat nog te vroeg. |
||
|
|
Ik internette nog wat over alternatieve mogelijkheden van transport binnen Spanje, en kwam toen tot plan D: fietsen tot Barcelona, en verder in Spanje het fietsen overslaan. Vanuit Barcelona zou ik de fiets naar huis sturen, en dan zou ik nog genoeg tijd hebben voor een bliksembezoek aan Gibraltar per huurauto. Maar dan had ik wel mijn rijbewijs nodig! Dat moest Lineke dan dus voor mij meenemen bij onze ontmoeting in Vallon Pont d’Arc tijdens het volgende weekend. Na dit besluit over de wijziging van mijn reisplan ebde de depressiviteit weg, die zich die zondagmiddag van mij meester had gemaakt. ’s Avonds dineerde ik met een Salade Nordique en een Boeuf Borgondaise. Zwaar, maar lekker. Men is in deze streek helemaal in de greep van de wijn. Er is een wijnmuseum, een wijnveilinghuis, talloze wijnwinkels en er is ook een speciale fietsroute door de wijngaarden. Een schaduwzijde van deze ‘haute culture’ is, dat je geen goedkope huiswijnen op de menukaarten aantreft. Voor een omnivore niet-fijnproever als ik schiet dat zijn doel een beetje voorbij. |
||
|
|
Maandag 19 april vertrok ik om 8.10 uur van Hotel Central. De route voerde door de wijngaarden rond Beaune. Prachtig, maar het vereiste wel veel stijgingen, omdat die wijngaarden vaak langs hellingen zijn aangelegd. En de schoonheid van het wijnlandschap was zo vroeg in het jaar meer een belofte dan werkelijkheid. Op de uitgestrekte landerijen was nog niet meer te zien dan kale afgeknotte stronken. En dat ging vele kilometers door. De routebeschrijving van Paul Benjaminse hielp hier minder goed, want de situatie is sinds 2005 flink veranderd. Benjaminse adviseert de bewegwijzerde wijnroute te volgen die er nog niet was toen hij het boek afsloot. Dat deed ik ten dele, maar toen ik het vele op en neer gaan zat was, koerste ik op de kaart verder. Dat bracht mij soms te midden van het autoverkeer, maar de Franse automobilist heeft een groot ontzag voor de fietser, en rijdt met een grote boog om je heen. Bij Chagny sloot ik weer aan op de route van Paul Benjaminse. |
||
|
|
Daar begon een fietspad langs een kanaal, dat ik tot Forgès kon volgen. Die kanaalroutes zijn niet alleen rustig en vlak, ze zijn ook interessant door de vele sluizen die je tegenkomt, soms wel elke kilometer, als de hoogteverschillen dat nodig maken. Desondanks is het voor de fiets een vlakke route, want drie meter stijging per kilometer kun je geen helling noemen, nog niet eens ‘vals plat.’ Na deze kanaalroute volgde een fraaie fietsroute door een bos, waarna ik bij Giorgy kon beginnen aan de fietsroute over de vroegere spoorbaan naar Cluny. Aan het begin van de middag passeerde ik via deze spoordijk Taizé, het bekende oecumenische ontmoetingscentrum, waar ik even pauzeerde en internet gebruikte. De fietsroute is hier zeer in trek bij de regionale fietsclubs. Aan het begin ligt bij Giorgy een groot parkeerterrein, waar men per auto kan aankomen om een stuk over het fietspad te rijden. De route gaat natuurlijk buiten alle dorpen om, maar bij de grotere plaatsen ligt het voormalige station wel zo dicht bij de dorpskern dat men makkelijk even de plaatselijke horeca bezoeken. |
||
|
|
Bij de grotere stations zijn de oorspronkelijke overkappingen van de perrons nog in tact, en soms ligt er nog een stukje rails, zoals op de foto hiernaast bij het station van St. Gengoux. Na Cluny gaat de fietsroute verder, maar de oude spoorbaan wordt hier meermalen doorsneden door de TGV-lijn Parijs-Lyon. Die rijdt af en aan. In beide richtingen telde ik er zeker vier in een half uur. Rijdend op zo’n oude spoorbaan, waar 100 jaar geleden voor die tijd hypermoderne treinen hebben gereden, en kijkend naar het snelle verkeer op die moderne hogesnelheidslijnen, vroeg ik me af: zouden al die viaducten en tunnels die nu Europa doorsnijden voor het TGV-net over 100 jaar ook omgebouwd worden tot fietsroutes? Dat wordt interessant voor de Paul Benjaminses van de tweeëntwintigste eeuw! |
||
|
|
Bij Bois Clair gaat het fietspad door een oude spoortunnel, die volgens Paul Benjaminse gesloten is tussen 1 oktober en 30 april. Gelukkig bleek deze informatie verouderd, en kon ik er gewoon door. De twee kilometer lange tunnel wordt voor een paar fietsers per uur verlicht door een paar honderd lampen. Maar dat mag natuurlijk in een ‘route verte,’ hoewel ik me afvraag hoe lang die lampen kunnen branden op de benzine die ik uitspaar door dit traject met de fiets te doen in plaats van met een auto. Na de tunnel koerste ik, over de oude spoordijk, over fietsstroken bij bestaande wegen en over vrijliggende fietspaden naar Fuissé, waar geen camping is, maar wel een hotel. Maaltijden serveerde men niet, zo vroeg in het seizoen. ’s Avonds ging ik er tevergeefs op uit om een restaurant
te zoeken. Ondanks |
||
|
|
Ik vertrok dinsdag
20 april om half negen van het hotel in Fuissé en verloor in de ochtend
veel tijd doordat de route veel spoorzoeken en klimmen vereiste. In Villefranche lunchte ik voortreffelijk, maar moest
helemaal naar het begin van de stad terugrijden voor de enige supermarkt. De
middag gaf veel stijgingen en dalingen die me soms te zwaar werden, zodat ik
moest lopen. Om zes uur bereikte ik Pollionnays,
waar volgens de kaarten van Paul Benjaminse een
camping moest zijn. Ik vroeg het aan Garmin, en die gaf aan dat de camping |
||
|
|
|||
|
|
Ik stond op woensdag
21 april om 6 uur op, om mij te revancheren voor de moeilijke bergtrajecten
van de vorige dag. De afdaling vanaf de camping liep als een trein, de daarna
volgende stijging naar Rontalon was met 4% goed te behappen.
Daarna een snelle afdaling naar Rive-de-Gier, waar ik koffie dronk. Toen kwam
de klim naar de Col de Grenouze met stijgingen tot 6%. Om de 500 tot De rivier slingerde zich spectaculair door het landschap, de wijngaarden waren terrasvormig opgebouwd langs de hellingen, en imponerende brug kruiste de rivier. In Condrieu vond ik gesloten restaurants, behalve het restaurant van een viersterrenhotel, waar ik mij toen maar in mijn fietskleding meldde (de valhelm had ik op de fiets laten hangen) voor een lunch van 60 euro inclusief vele amuses en een halve fles wijn. Ik werd met alle passende egards behandeld en zelfs in het Engels te woord gestaan. Ik had natuurlijk een controleur van de Michelin-sterren kunnen zijn! |
||
|
|
Na Condrieu volgde een fietspad langs de Rhône, die een paar keer werd overgestoken via fraai gevormde oude bruggen. Kernenergiecentrales flankeerden hier en daar de oevers. Om een uur of zes was ik in Arras
sur Rhône, waar ik langs een camping reed, die ik toen maar besloot te nemen,
hoewel mijn tijdschema voorzag in een nog iets langere rit. Maar ook met deze
pleisterplaats zou ik de |
||
|
|
Donderdag 22 april
vertrok ik om 7.50 uur van de camping en stond om 8.15 uur in een supermarkt
om mijn avondproviand in te slaan. Die bleek pas over een kwartier open te
gaan. Ondertussen keek ik naar vliegtuigsporen, die er op wezen, dat er voor
het eerst sinds de vulkaanuitbarsting op IJsland weer gevlogen werd, een niet
onbelangrijk punt voor mijn terugtocht! De ochtendetappe bracht een vrij
lange klim naar |
||
|
|
|||
|
|
De middag begon met een nieuwe uitdaging: de Col de Nonières, met een stijging van |
||
|
|
Ik probeerde in de telefooncel Lineke te bellen, die op dat moment in de Thalys onderweg was naar Parijs, maar het lukte niet om een gesprek tot stand te brengen. Haar telefoon ging wel over, maar ze hoorde mij niet, en ik hoorde alleen geruis. Ik dacht aan mijn vele belpogingen bij de tocht naar de Noordkaap en de eenzijdige verbindingen die dat soms opleverde. De klok was even 18 jaar teruggezet. En verder was er deze avond in dit plaatsje niets te beleven: het restaurant stond te koop, het hotel was gesloten en het café was alleen nog herkenbaar aan verbleekte letters boven een vervallen huis naast de kerk. Ook het Franse platteland wordt blijkbaar leeggezogen door de verstedelijking. God verdween niet alleen uit Jorwerd. Overigens waren er bij de kerk wel enige vergeelde pamfletten die op het bestaan van nog een functionerende parochie wezen. |
||
|
|
|||
|
|
|||
|
|
Er vertoonde zich de hele avond en nacht niemand op de
camping zodat ik voor de tweede keer gratis logeerde. Ik stond op vrijdag 23 april om 6.15 uur op en begon
om 7.45 uur aan de beklimming van de rest van de Col de Mézilhac.
De eerste |
||
|
|
Eigenlijk duurde de beklimming helemaal niet lang. Per
kilometer had ik inclusief rust 10 tot 12 minuten nodig. Om 9.22 was ik
boven, maakte een foto van mezelf op het hoogste punt van de hele tocht, Daarna werd Paul Benjaminses routebeschrijving wat lastiger te volgen. Het was af en toe spoorzoeken en in Voguë presteerde ik het zelfs om 180 graden de verkeerde kant uit te rijden. De zon was niet te zien en ik had verzuimd om op het kompas van Garmin te kijken. Maar ik kwam uiteindelijk waar ik wilde zijn en bereikte Ruoms. Daar zou mijn broer Rits mij af halen om de weg te wijzen naar de villa van mijn broer Louwrens. Ik nam met een grote fles mineraalwater plaats in de brasserie van de supermarkt. |
||
|
|
|
||
|
|
Om 14.15 uur arriveerden wij in Vallons Pont d’Arc, waar een Nederlandse projectontwikkelaar een villapark heeft opgezet waar de Nederlandse radio en televisie ontvangen kunnen worden. Lineke spreidde haar armen wijd uit ter begroeting en de broers verwelkomden mij met een spandoek vanwege de tussenfinish op mijn route naar Gibraltar. Dat ik inmiddels een plan D had ontwikkeld waarmee ik op een heel andere manier Gibraltar wilde bereiken wisten ze toen nog niet. De rest van de dag ging heen met praten, eten en drinken. En ik regelde via internet de terugvlucht vanuit Málaga en de huurauto waarmee ik naar Gibraltar wilde reizen. Louwrens kwam met het lumineuze idee om de fiets door een van de regelmatige transporten van zijn bedrijf naar Alphen te laten brengen. |
||
|
|
Zaterdag 24 april en zondag 25 april vierden we een familieweekend in de landstreek Ardèche. We reden met zijn allen naar de Gorges d’Ardeche, een enorme kronkelende rotsspleet, waar men op vele plaatsen een schitterend uitzicht heeft over de rivier Ardèche. En we aten en dronken, barbecueden en wandelden in de directe omgeving. Zondag bezochten we de dorpen Voguë en Baluzac, prachtige plaatsjes in oude stijl, waar de vroegere ondergrondse tunnels voor de waterafvoer nog bestaan, terwijl de latere huizen daar bovenop zijn gebouwd. Maandag 26 april vertrokken Tjitte, Rits en Klaas al vroeg per auto naar Nederland. Lineke en Louwrens zwaaiden mij uit op weg naar Barcelona en reisden vervolgens per auto naar een TGV-station vanwaar ze richting Parijs vertrokken, voor de overstap op de Thalys naar Rotterdam. En zo zat ik weer in mijn eentje op de fiets, met enige tegenzin, maar dat gevoel verdween in de loop van de ochtend snel. |
||
|
|
Bij het verlaten van Ruoms miste ik een paar keer de
juiste uitvalsroute voor ik weer op de beschreven koers zat. Ook later op de
ochtend was ik niet altijd succesvol bij de interpretatie van de
routeaanwijzingen van Paul Benjaminse. Een
‘splitsing bij een statig huis’ bij La Rouvière viel mij niet op, en even
later ging ik bij de verkeerde heuvel op, zodat ik Wat later volgde een klim van 6,5% naar Banne, maar die duurde niet zo lang, zodat ik die met gemak haalde. Hier was een traject met prachtige regelmatige rotsformaties in het bos, waarvan ik me afvroeg of ze natuurlijk waren of resten van voorhistorische wijngaarden. Ik lunchte in Gagnières en liet mij aan het eind van de middag door Garmin naar de camping bij Cardet brengen. Garmin koos daarvoor de kortste route over een onverharde weg langs de rivier. De camping was open en werd door Nederlanders beheerd. Ik vernam van Lineke, dat ze in Parijs de overstap op de Thalys had gemist en pas laat in Rotterdam zou arriveren. |
||
|
|
Dinsdag 27 april reed ik van Cardet naar Adissan, waar de camping voornamelijk een caravanpark is, maar waar wel een toerplekje voor mij beschikbaar was. Onderweg maakte ik foto’s van kwakende kikkers, en in St. Hyppolyte du Fort wijzigde ik via internet de reservering voor de huurauto van Barcelona naar Málaga. Woensdag 28 april bereikte ik bij Vias-Plage de Middellandse Zee. Dit is een echte badplaats met palmen, kermis en ander spektakel. Maar ’s ochtends om 10 uur was er nog weinig te beleven. Ik was al blij dat ik koffie kon krijgen. De rit ging verder langs het Canal du Midi. Dit kanaal
werd tussen 1667 en 1681 aangelegd en vormt de verbinding tussen de
Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Dat was handig om niet door de
straat van Gibraltar langs de boze Spanjaarden en
Marokkanen te hoeven varen. Het kanaal is niet al te breed, nog niet de helft
van het kanaal Almelo-De Haandrik.
Even voorbij Béziers ligt een sluizencomplex, de Neuf
Écluses, waar met negen sluizen een hoogteverschil
van |
||
|
|
Het kanaal gaat even later door een tunnel. Ik volgde het
kanaal tot Poilhès, waarna ik koers zette naar Capestang,
dat opvalt door een enorme kerk die van verre in het landschap is te zien. In
het plaatsje zelf moest ik in de nauwe straatjes wel zoeken naar de kerk, die
helaas gesloten was. Maar op het kerkplein waren de terrassen wel open –
extreem duur, volgens Paul Benjaminse – maar ik
viel niet van mijn stoel van de prijzen. De route had voor deze dag een mooie
finale in petto: van Névian tot Bizanet
ging het over een klein binnenweggetje door de beboste rotsen, afgewisseld
met wijngaarden. Er zat nog een pittige heuvel in met |
||
|
|
Donderdag 29 april
2010 reed ik het laatste puur Franse traject, onder andere door een dorp
dat de toepasselijke naam Latour de France draagt. Enige tijd later begon
Frans Catalonië, wat het eerst te merken was aan de dubbeltalige
plaatsnaamborden: Tuchan – Tuissan.
Hier ligt de Col d’Extrème, die helemaal niet
extreem is: een stijging naar In Estagel kon ik voortreffelijk
lunchen, met Catalaans water en Catalaanse wijn. Daarna moest ik tot twee uur
wachten voor het internetcafé open ging. Van Estagel
naar Belesta was een klim naar |
||
|
|
een uur zoeken had gevonden bleek het gesloten. Van enige voorbijgangers kreeg ik een lijst met ‘chambres d’hotes’ waarvan ik er een opzocht. Ik kwam terecht in een conferentieoord, waar ik voor 75 euro een fraaie kamer kreeg, waarin ik mij uitgebreid verschoonde en de kleren waste, en mijn avondbrood genoot, hoewel het hotelreglement dat verbood, maar dat wist ik niet toen ik de kamer nam. Vrijdag 30 april
2010 passeerde ik de Spaanse grens. De fietsroute gaat over de Col de
Manrell. Paul Benjaminse meldt, dat wie niet van
klimmen houdt, natuurlijk de autoroute kan volgen. Die gaat niet hoger dan |
||
|
|
|||
|
|
slechter werd. Toch lukte het in de vijfde kilometer bij
een stijgingspercentage van 8,4% Deze weg is in de Francotijd een vluchtroute geweest. Op de grens staat een monument voor 700.000 slachtoffers van de burgeroorlog en 470.000 verdrevenen tijdens de dictatuur. Aan Spaanse zijde loopt een fraaie asfaltweg naar dit punt. Ik daalde snel af naar Figueres waar het hotel-restaurant ook een prima kampeergelegenheid biedt. Paul Benjaminse doet heel negatief over de prijs-kwaliteitverhouding, maar ik vond het een uitstekende pleisterplaats. Mijn Spaans klonk niet houteriger dan mijn Frans (hetgeen geen aanbeveling is voor mijn Frans). Als je hier ‘un vaso de cerveza’ bestelt, krijg je een heel groot glas bier! |
||
|
|
Zaterdag 1 mei vertrok ik om half negen van de camping, opzettelijk laat, om in Figueres enige kaarten te kopen van dit deel van Spanje, want bij de voorbereidingen had ik met plan D geen rekening gehouden. De route voerde langs enkele Spaanse varianten van het
begrip ‘fietsroute.’ Fietspaden zijn hier minder vaak verhard dan in
Frankrijk, soms zijn het niet veel meer dan wandelpaden. Soms is er ook een
speciale fietsbrug langs een stuw gehangen, zorgvuldig omhuld met gaas, om al
te enthousiaste duikproeven van de fietsers te voorkomen. Weer op de gewone
weg moest ik enige malen flink klimmen, maar dat duurde nooit lang. In Pubol, een klein gehucht met een groot restaurant en een Dali-museum lunchte ik uitgebreid. Terwijl ik op het
terras van dat restaurant zat kwam een collega uit mijn OCW-verleden
langs, Rob, bekostigingsspecialist van de TU Eindhoven, die ik in werkgroepen
bekostiging en studielink meerdere malen heb ontmoet. Wij constateerden, dat
de wereld klein is… Na Pubol kwam mijn laatste col
bij Sta Pellaia: een stijging van 100 naar |
||
|
snelheidsrecord van deze tocht, Zondag 2 mei vertrok
ik om 9.30 van het hotel (ze serveerden pas om 9 uur een ‘desayuno’)
en verliet mij nu geheel op de kaarten en op Garmin. Paul Benjaminse
vindt de laatste |
|||
|
Langs de kustweg zette ik vervolgens koers naar Barcelona.
In Lloret de Mar, een populair vakantieoord voor veel Nederlandse toeristen,
lunchte en internette ik, waarna ik de kustweg vervolgde. Daar is over
tientallen kilometers de situatie hetzelfde: een strand, een spoorlijn en een
autoweg. Die weg heeft redelijk brede stroken waarin gefietst kan worden,
maar bij elke rotonde moet de rechtdoorgaande fietser zich er van
vergewissen, dat de rechtsaf slaande automobilisten begrijpen wat hij gaat
doen. Ik begrijp Paul Benjaminse dus wel: dit is
geen echte fietsroute, maar het kan wel. Via Saint Pol de Mar, Canet de Mar en Arenys de Mar
bereikte ik de camping Barcelona. Deze camping ligt anderhalve km voor Mataró, |
|||
|
|
Maandag 3 mei stond ik in de stromende regen op met de bedoeling Mataró te verkennen. De stranden waren verlaten, de musea waren gesloten, en mij restte niet veel anders dan met een regencape door de stad te zwalken van het ene koffiehuis naar het andere. Om een uur of 10 ’s avonds ging ik maar weer in de tent liggen. De onafgebroken regen kletterde op de tent, en van slapen kwam niet veel. Ik brulde het uit van ellende. ‘Ik wil naar huis! Wat heb ik mezelf aangedaan?’ Om toch wat te kunnen slapen deed ik een propje toiletpapier in mijn oor. Dat bleek een effectief oordopje, maar toen ik me na een half uur rust in dat oor begon af te vragen of ik het er wel weer uit zou krijgen, bleek het propje muurvast te zitten. Dinsdag 4 mei stond
ik opnieuw in de stromende regen op. De temperatuur was opmerkelijk constant:
dag en nacht 10 graden, nu al twee dagen lang. Beter dan de kou van het begin
van de tocht, maar niet wat je verwacht aan de Costa Brava! |
||
|
|
|
||
|
|
Omstreeks half 11 was ik in Barcelona. Bij een apotheek informeerde ik naar middelen om mijn oor te bevrijden van de papierprop, en werd naar een gezondheidscentrum verwezen. Dit leidde tot een kennismaking met de Spaanse gezondheidszorg, waarbij in anderhalf uur tijd niet alleen mijn gehoorgang weer vrij kwam, maar ook bleek, dat het label “European Health Insurance Card” dat op onze zorgpas staat geen loze kreet is: ik werd zonder enig probleem geholpen zonder dat ik een cent op tafel hoefde te leggen. Met een grote zorg minder kon ik mijn aandacht op Barcelona
richten. Het was na 48 uur opgehouden met regenen, en het fietsen door deze
wereldstad bleek goed te doen. Er zijn fietspaden langs alle grote Avenudo’s. Ik doorkruiste de stad en overnachtte in een
hotel in Viladecans, Woensdag 5 mei reed ik in anderhalf uur door naar Sitges, waar ik de tent op een camping neerzette en om 12 uur met de trein terug reed naar Barcelona om toerist te spelen. |
||
|
|
|
||
|
|
Donderdag 6 mei haalde ik in Barcelona de huurauto af en verkende de omgeving. Na 21 maanden Prius gereden te hebben zat ik voor het eerst weer in een geschakelde auto. De motor sloeg mij slechts twee maal af. Vrijdag 7 mei meldde
ik mij om 10 uur bij Hyva Hispanica te Vilafranca. Dat was slechts Ik vertrok om 11 uur van de camping, doorkruiste km het
Catalaanse kustlandschap over Zaterdag 8 mei
bracht een autorit van |
||
|
|
Zondag 9 mei was
grotendeels gewijd aan het verkennen van Gibraltar. Ik woonde een Anglicaanse
hoogmis bij, ging met de kabelbaan naar de top van de rots, werd daar door de
apen verwelkomd, maar zag af van het wandelen naar de Europe
Point, het zuidelijkste puntje, omdat dat heen en terug nog eens Maandag 10 mei ging ik met de auto nog eenmaal naar Gibraltar. De grenscontroles vielen mee, en ik kon hier goedkoop tanken. In een regenachtige sfeer reed ik naar Europe Point en keek door de motregen heen over de Straat van Gibraltar waar de kust van Marokko vaag te onderscheiden was. Daarna reed ik naar Spanje terug. Ik had zeeën van tijd,
want mijn vliegtuig moest om 20.05 uur vertrekken en Málaga ligt maar |
||
|
Britse vliegvelden gingen dicht. Zondagavond was het vliegveld van München gesloten en de stofwolk die daarvoor verantwoordelijk was bedreigde nu Wenen. Het leek een kwestie van tijd voordat ook Amsterdam en Zuid-Spanje betrokken zouden worden. Ik had zondag daarom op internet al vast een plan E ontworpen: hoe kom ik per trein vanuit Málaga naar Nederland? Eenmaal per dag is er een trein van Madrid naar Parijs. Een TGV rijdt nog niet tussen deze steden. Maar plan E bleek niet nodig. Hoewel de
helft van de vluchten op het vertrekbord van een rode aantekening CANCELLED
was voorzien bleef Transavia-vlucht HV6118 de hele
avond op het scherm staan. Omstreeks middernacht vertrok het toestel met
4 uur vertraging. In het Spaanse luchtruim kon niet hoger dan Lezers van mijn relaas uit 1992 over de tocht naar de
Noordkaap zullen in dit verhaal twee elementen missen: de muggen en de spaken.
Muggen ben ik in Referenties · Paul Benjaminse – Onbegrensd fietsen van Amsterdam naar Barcelona, deel 1: Eindhoven-Beaune – Benjaminse Uitgeverij, Amsterdam, 2005 · Paul Benjaminse – Onbegrensd fietsen van Amsterdam naar Barcelona, deel 2: Cluny – Barcelona – Benjaminse Uitgeverij, Amsterdam, 2008 · Paul Benjaminse, Fred van Eck – Onbegrensd Fietsen naar Andalusië – Benjaminse Uitgeverij, Amsterdam, 2007 · Gerard Mak – Hoe God verdween uit Jorwerd – Uitgeverij Atlas, 1996 · Frans Dijkstra – De muggen waren getuige – Verslag van een fietstocht naar de Noordkaap – Zoetermeer, 1992 |
|||
.