|
Klimaatmonitor Viermaandelijkse monitor van de belangrijkste
indicatoren voor klimaatverandering, mogelijke oorzaken en gevolgen |
|
|
Samenvatting 1 januari 2012 Ø
De
periode waarin de aarde geen opwarming meer vertoont is in de loop van 2011 verder
aangegroeid. Sinds januari 1998 is de opwarmingstrend -0,00002 graad per
maand. Dit verschilt niet significant van nul. In de klimaatliteratuur werd
de stagnering van de opwarming tot dusver gerelativeerd als natuurlijke
fluctuatie, of verklaard door maskering van de opwarming door natuurlijke en
menselijke oorzaken, terwijl de hoofdboodschap van het IPCC recht overeind
bleef staan, want zodra die maskerende factoren wegvallen zouden we de
opwarming in volle kracht terug krijgen. Dit kan nog steeds waar zijn, maar
zolang een gedegen inzicht in die maskerende factoren ontbreekt blijft de
voorspelling van ‘gevaarlijke klimaatverandering in de 21ste eeuw’
weinig geloofwaardig in het licht van de feitelijke ontwikkelingen. In 2011
zijn enkele wetenschappelijke artikelen verschenen van gerenommeerde
warmisten en/of alarmisten waarin wordt toegegeven, dat de opwarming zich
blijkbaar niet houdt aan de voorspellingen, zodat men misschien wel de
gevoeligheid van het klimaat voor broeikasgassen heeft overschat. Ø
Volgens
een voorlopige berekening (december 2011 is nog niet bekend) op grond van de
dataset van HadCrut is 2011 een tamelijk koel jaar geweest: het staat in
ranglijst van de laatste 15 jaar op de tiende plaats. In de GISS-dataset (die
er van verdacht wordt de opwarming te overdrijven) staat 2011 op de 7 plaats
in de laatste 15 jaar. Er is voorlopig geen statistisch bewijs,
dat de aarde sinds 1998 verder zou zijn opgewarmd. Ø
Voor
degenen die toch graag elk jaar willen bestempelen als recordwarm is er iets nieuws
bedacht: 2011 is het warmste jaar in de geschiedenis waarin een La Niña
effect optrad. Dat is de tegenpool van El Niño, die de globale temperatuur
opjaagt. Als het stromingspatroon in de Stille Oceaan omkeert treedt juist
verkoeling op. Van alle La Niña jaren in de geschiedenis is 2011 dus het
warmste geweest. Wij gunnen de alarmisten dit record. Het is namelijk zeer
triviaal, want alle jaren na 1998 waren warmer dan de voorgaande. In die
periode zijn er drie La Niña jaren geweest. Daarvan was 2011 het warmste. Het
is dus een record uit drie. Ø
De
gemiddelde CO2-concentratie is
in 2011 gestegen met 1,76 ppmv
vergeleken met 2010. Dit jaarlijks gemiddelde blijft vrijwel continu stijgen.
Ondanks toenemende en in sommige jaren flink wisselende uitstoot versnelt de
stijging niet. Ø
Het gemiddelde
aantal zonnevlekken is in 2011 gestegen van Ø
De zeespiegel
is in 2011 gemiddeld niet gestegen. Het tempo van de
zeespiegelstijging is in de laatste 18 jaar volgens satellietmetingen
geleidelijk afgenomen. Volgens peilschaalmetingen ligt de stijging op Ø
De
omvang van het Noordpoolijs is een van de weinige klimaatsignalen die op oranje
staan. De afsmelting
van het poolijs in juli 2011 was de grootste die is waargenomen met
satellietopnamen sinds 1979. Toch is de afsmelting voor de hele zomer
meegevallen: op het moment dat het ijs eind september weer begon aan te
groeien was het dieptepunt van 2007 niet gepasseerd. Ø
De
omvang van het zee-ijs rond Antarctica is sinds 1979 licht toegenomen. Ø
De
gemiddelde temperatuur in De Bilt in 2011 was 10,93 ºC. Dit is 1,54
ºC boven het gemiddelde over
1961-1990. Alleen de jaren 2006, 2007 en 1999 waren gemiddeld warmer. 2011
was dus een warm jaar, of liever gezegd, een zacht jaar, want veel
zomerwarmte heeft 2011 niet gebracht. Het hoge gemiddelde is te danken aan
zachte maanden in winter, lente en herfst. Ø
De
gemiddelde temperatuur in De Bilt in de laatste 10 jaar vertoont een (niet
significante) dalende trend. Het ‘warmste
decennium ooit’ laat geen enkele neiging tot verdere opwarming zien. Ø
Het
aantal ijsdagen in de winter 2010/2011 lag met 13 boven het gemiddelde
over 1961-1990 (10,7), maar dit getal is vrijwel helemaal te danken aan de
koude decembermaand van Ø
Het
aantal tropische dagen in 2011 is blijven steken op 2. Dit wijkt niet significant af van het
gemiddelde over 1961-1990 (2,4). Het langjarige gemiddelde aantal tropische dagen is na de
golf warme zomers aan het begin van deze eeuw weer flink gedaald. Het record
aantal tropische dagen staat nog altijd op naam van 1947. |
|
|
|
Figuur 1. Er zijn diverse datasets van de
gemiddelde wereldtemperatuur in de laatste anderhalve eeuw. De dataset van de
Britse Climate Research Unit (HadCRUT) laat zien, dat sinds 1850 de temperatuur
golvend is gestegen met ongeveer 0,8 ºC. De helft van die stijging vond
plaats voor 1940, de andere helft na 1970. Het jaar 1998 is het warmste jaar
in deze reeks. Dat werd veroorzaakt door een krachtige El Niño in dat jaar.
Ook 2010 kende een krachtige El Niño, maar deze is er niet in geslaagd het
record van 1998 te breken. De zwarte lijn is
de trend, ontdaan hoog frequente ruis. Deze vertoont in de recente jaren een
daling. Een zo grote en zo lang aanhoudende daling is voor het laatst voorgekomen
in de jaren zestig van de 20ste eeuw. Het leggen van
een verband tussen deze temperatuurontwikkeling en de uitstoot van
broeikasgassen is moeilijk. Er spelen veel meer factoren een rol. Warmte
wordt in de aardse atmosfeer en de oceanen meer verspreid door stroming dan
door straling. De enorme variatie in stromingspatronen, op een schaal van
paar maanden tot een jaar, maar ook op een schaal van meerdere decennia,
verklaart veel van het grillige temperatuurverloop. Misschien is maar een kwart van de temperatuurstijging
sinds 1970 toe te schrijven aan broeikasgassen. |
|
|
Figuur 2. Er is in de kranten, blogs op internet en
in de wetenschappelijke literatuur veel te doen over het feit dat de aarde
sinds 1998 niet meer warmer is geworden. Dat blijkt uit vier van de vijf
meest gebruikte datasets van grondmetingen en van satellietmetingen. Het klimaatbureau
van de NASA heeft een eigen dataset (GISS) die 2005 als warmste jaar geeft.
NASA presenteerde in juni 2010 een voortschrijdend gemiddelde voor 12 maanden
dat als ‘all time high’ werd aangeduid. GISS is de enige dataset die niet
1998 als warmste jaar geeft. We laten hier de
vraag buiten beschouwing welke politieke motieven achter deze presentatie van
NASA kunnen zitten, maar stellen alleen vast, dat het gemiddelde van de vijf
verschillende datasets goed overeenstemt met de trend van HadCRUT. De laatste
14 jaar (1 januari 1998 t/m eind 2011) toont HadCRUT geen enkele stijging
meer. De stagnatie van de gemiddelde wereldtemperatuur zet zich dus voort. Advocaten van de
catastrofale opwarmingstheorie hebben de laatste 10 jaar gesteld, dat
tijdelijke natuurlijke fluctuaties rond de opwarmingstrend niet bewijzen dat
de trend gestopt zou zijn. De theorie laat de mogelijkheid open, dat er 15
jaar lang geen opwarming gemeten wordt, terwijl de trend toch door gaat. Aan
die termijn van 15 jaar ontbreekt nog slechts één jaar. 2012 zal een
bijzonder warm jaar moeten worden om de trend opnieuw significant omhoog te
stuwen. |
|
|
Figuur 3. Het CO2-gehalte
van de atmosfeer wordt sinds maart 1958 gemeten op het Mauna Loa Observatorium
op Hawaï. Dat is gevestigd op een plek waar zo weinig mogelijk storing
optreedt door vegetatie (die ’s nachts CO2
afgeeft en overdag CO2 opneemt)
of nabijgelegen steden. Deze metingen worden representatief geacht voor het
wereldgemiddelde van CO2 in de atmosfeer.
De groene lijn van de maandelijkse gemiddelden vertoont een jaarlijkse golfbeweging,
omdat in de zomer door planten, bomen en algen CO2 wordt opgenomen. De meeste planten en bomen staan op
het noordelijk halfrond, en daarom daalt het CO2-gehalte
als het daar zomer is. De zwarte lijn
laat de trend zien. De lijn vertoont een vrijwel continue stijging, als
gevolg van uitstoot van CO2 door
verbranding van fossiele brandstoffen. De stijging versnelt licht. Aan de
formule van de lijn is te zien, dat een kleine kwadratische term (met
coëfficiënt 0,00009) nodig is voor een goede aansluiting bij de data. |
|
|
Figuur 4. Bij inzoomen op de laatste vijf jaar is
het seizoenseffect goed te zien, maar ook, dat daar af en toe kleine
onregelmatigheden in optreden. Het is moeilijk te zeggen wat daarvan de
oorzaken zijn. In de zomer van 2010 werd verwacht dat de enorme Russische bosbranden
tot een stijging van het CO2-gehalte zouden leiden. Deze grafiek laat van
juli tot en met september 2010 zelfs niet de kleinste rimpeling zien. Maar
aan het begin van 2011 is wel een kleine vertraging is opgetreden. Als de stijging
in dit tempo doorgaat bereiken we het jaar 2080 een concentratie van 560
ppmv, het dubbele van voor de industriële revolutie. Slechts ongeveer
de helft van de CO2 die in een
jaar door verbranding wordt uitgestoten blijft in de atmosfeer. De rest wordt
opgenomen in de oceanen en door planten en bomen. CO2 is zeer bevorderlijk
voor de plantengroei, wat niet slecht is in een wereld waar 7 miljard monden
moeten worden gevoed. |
|
|
Figuur 5. Het verband tussen zonne-activiteit en het
klimaat is omstreden. Het IPCC betwist niet, dat in het verleden de zon
invloed heeft gehad op het klimaat, maar wil er niets van weten, dat de zon
mede oorzaak is van de temperatuurstijging sinds 1970. Het IPCC negeert
daarmee een brede stroming onder de zonnedeskundigen die stellen dat
variaties in magnetische activiteit van de zon invloed hebben op de
hoeveelheid ultraviolette straling die de zon naar de aarde zendt en op de
kosmische stralen die vanuit de ruimte de aarde treffen. Het wisselend
magnetisch veld van de zon schermt de aarde meer of minder af voor kosmische
straling, wat invloed kan hebben op de vorming van wolken. Zonnevlekken zijn
een zichtbaar symptoom van de veranderingen in zonne-activiteit. Deze grafiek
laat zien, dat het aantal zonnevlekken varieert volgens een 11-jarige cyclus,
en dat in de toppen van de curve een onregelmatige golfbeweging zit met een
periode van 50-100 jaar. De relatieve minima in deze grafiek liggen bij 1800,
1880-1900 en 1960. Dat valt ongeveer samen met de perioden waarin de globale
temperatuur relatief lager was (zie figuur 1). |
|
|
Figuur 6. Als we inzoomen op de laatste vijf
zonnecycli, dan valt op dat in deze periode koude winters in Nederland
voornamelijk voorkwamen rond een zonnevlekminimum: in 1963, 1985, 1986 en
1997 vonden de laatste Elfstedentochten plaats. Ook in 1976 kon er geschaatst
worden (drie man voltooiden op eigen houtje een Elfstedentocht) en in 2009 en
2010 werden in Nederland voor het eerst sinds 1997 weer schaatstoertochten
verreden. Bovendien had de winter van 2009/2010 de meeste sneeuw in 30 jaar.
Vóór 1960 is het verband tussen zonnevlekken en koude winters in Nederland
niet zo duidelijk. Het laatste
zonnevlekminimum heeft opvallend lang aangehouden. In oktober 2005 daalde het
gemiddelde aantal zonnevlekken per maand voor het eerst beneden de |
|
|
Figuur 7. De stijging van de zeespiegel is een van
de spookbeelden die worden opgeroepen als mogelijke gevolgen van
klimaatverandering. Het is een logische gedachte, dat op een warmere aarde
het landijs gaat smelten, wat bijdraagt aan een hoger zeeniveau. Bovendien
zal warmer oceaanwater door uitzetting meer volume innemen, zodat ook zonder
smeltende gletsjers de zeespiegel zou moeten gaan stijgen. De
zeespiegelstijging kan worden gemeten met peilschalen in havens. Het nadeel
van die methode is, dat het dalen en stijgen van het land gesaldeerd wordt
met de zeespiegelstijging. Volgens een recente statistische
analyse van peilschaalgegevens vertoonde de zeespiegel van 1900-2006 een
constante stijging van Sinds eind 1992
kan de zeespiegelstijging ook worden gemeten met satellieten. Die methode heeft
het nadeel, dat alleen op volle zee kan worden gemeten en alleen buiten de
poolcirkels. Deze grafiek geeft de
uitkomsten, bijgehouden tot medio augustus 2011. Het zeeniveau vertoont een
jaarlijkse cyclus met duidelijke uitschieters tijdens krachtige El Niño’s
(1998, 2003 en 2010). De gemiddelde stijging is |
|
|
Figuur 8. De snelheid van de zeespiegelstijging
neemt af. De zwarte lijn geeft het verloop waarin de grote ruis in de
satellietmetingen is uitgefilterd. In 2011 is de zeespiegelstijging voor het
eerst sinds het begin van de metingen op nul gekomen. Eerder, in 1995 heeft
zich een periode voorgedaan met zeer geringe stijging, maar de huidige vertraging
is sterker dan ooit. Het is – gezien
deze data – onbegrijpelijk, dat de publieke opinie vrij algemeen is, dat de
zeespiegelstijging steeds sneller gaat. Het afnemen van
de zeespiegelstijging is overigens consistent met het feit dat de opwarming
van de aarde sinds 1998 tot stilstand is gekomen (zie figuur 1 en 2). |
|
|
Figuur 9. De afname van het drijfijs in de
Noordelijke IJszee baart zorgen. Deze afname leidt niet tot zeespiegelstijging,
omdat het ijs al in het water ligt. Het vloeistofniveau van een glas cola
verandert ook niet als de daarin drijvende ijsblokjes gesmolten zijn. Smelten
van het poolijs heeft ontegenzeggelijk voordelen voor de scheepvaart. Niet
voor niets hebben zeevaarders in het verleden geprobeerd een zomerse
vaarroute van Groenland naar Alaska te vinden, of van Nova Zembla naar de
Beringstraat. Deze doorvaarten zijn in het verleden soms mogelijk geweest: in
1906, 1940 en 2007. Slechts voor de laatste 32 jaar beschikken we over satellietopnamen
die de omvang van het poolijs in beeld brengen. Deze grafiek laat de omvang
zien van het Noordpoolijs vanaf 1978. In september 2007
bereikte de ijsomvang een dieptepunt sinds 1978. Voorspeld werd dat we, als
deze trend door zou gaan, een ijsvrije Noordpool tegemoet zouden kunnen zien
in 2012. Dat bleek een schoolvoorbeeld van alarmisme, want in 2008 en 2009
herstelde het poolijs zich aanzienlijk. Op dit herstel werd in 2010 en 2011
weer een stuk ingeleverd, maar het dieptepunt van 2007 werd niet overtroffen.
Als we de trend lineair zouden doortrekken, duurt het nog 65 jaar voor het
hele poolgebied aan het eind van de zomer ijsvrij zou zijn. Er is echter geen
enkele reden om de trend voor zo’n lange periode door te trekken.
Veranderingen in oceaanstromingen, die mede hebben geleid tot de huidige
afname van het poolijs, vertonen cycli van 30 tot 60 jaar. Die zullen er
binnen enkele decennia waarschijnlijk toe leiden, dat het poolijs weer
toeneemt. |
|
|
Figuur Het feit, dat de
omvang van het zee-ijs in de beide poolgebieden verschillende trends
vertoont, wijst er op, dat deze verschijnselen niet op een simpele manier aan
het broeikaseffect zijn toe te schrijven. De belangrijkste oorzaak van het
smelten van het Noordpoolijs zijn waarschijnlijk veranderingen in de
oceaanstromingen, gecombineerd met fluctuaties in de heersende windpatronen. Alarmisten
relativeren de groei van het drijfijs rond Antarctica: omdat in de zomer het
drijfijs rond Antarctica vrijwel helemaal wegsmelt, heeft dit drijfijs minder
betekenis voor de stralingsbalans van
de aarde. In de zomer krijgt het zuidelijk halfrond de meeste zonnestraling,
en als er dan toch geen ijs rond het continent ligt, heeft dit voor de opwarming
van de aarde geen extra effect. |
|
|
Figuur 11. Per saldo neemt het zee-ijs in beide poolgebieden
af, maar procentueel minder sterk dan wanneer we alleen naar het Noordpoolijs
kijken. Er is een dubbele
dip in de totale zee-ijsomvang in beide poolgebieden in juni en november. Dat
komt omdat het smelten van het ijs rond Antarctica trager inzet dan in het
Noordpoolgebied. Daardoor is in november het Noordpoolijs al flink in omvang
toegenomen, terwijl er bij Antarctica nog weinig is gesmolten. Smelten van het
poolijs kan de opwarming van de aarde versnellen omdat het ijs de
zonnestraling reflecteert, terwijl ijsvrij oceaanwater de zonnestraling
absorbeert. Daarnaast wordt afname van het poolijs gezien als een bedreiging
voor pooldieren, zoals de ijsbeer, die op het drijvende ijs hun jachtgebied
hebben. Tot dusver is er echter geen afname geconstateerd in het aantal
ijsberen. De meeste populaties floreren goed. |
|
|
Figuur 12. Ook
in Nederland stijgt de temperatuur, maar het is de vraag hoeveel dat te maken
heeft met de globale opwarming. Vergelijking van deze figuur met figuur 1
laat nogal wat verschillen zien. De globale stijging van 1910 tot 1940 zien
we in Nederland niet zo duidelijk. De lichte daling van de globale
temperatuur van 1940 tot 1970 is in Nederland ook te zien, en de stijging
sinds 1970 gaat in Nederland twee maal zo hard als globaal. Ondanks de opwarming
sinds 1970 heeft Nederland nog enkele zeer koude jaren gekend in 1979, 1985,
1986, 1996 en (in wat mindere mate) 2010. De oorzaak van de
opwarming van Nederland ligt zeer waarschijnlijk in stromingspatronen. De
wereldwijde westelijke straalstroom is de laatste decennia vaker dan vroeger
persistent geweest. Dat verhindert bij ons in de winter het optreden van
vorstperioden van betekenis. Maar soms wordt die straalstroom een paar weken
of een maand geblokkeerd, en dat kan aanhoudende zuidenwinden veroorzaken die
in de zomer tot hittegolven kunnen leiden. Een oorzakelijk verband tussen
blokkades van de straalstroom en broeikasgassen is niet bekend. 2011 was het
op drie na warmste jaar, na 2005 en 2006 en 1999. |
|
|
Figuur 13. De pessimisten die roepen dat je in Nederland
het klimaat ‘voor je ogen ziet
veranderen’ kunnen met deze figuur uit de droom worden geholpen. Tien
jaar is te kort voor het onderkennen van een klimatologische trend, maar als
men het heeft over ‘voor je ogen veranderen’
dan is 10 jaar al een hele lange periode. Het publieke geheugen is nu eenmaal
kort. Sinds 2001 heeft
de gemiddelde maandelijkse temperatuur in De Bilt geschommeld rond een
vrijwel constante trend. ‘Het warmste
decennium uit de geschiedenis’ vertoont geen enkele neiging tot verdere
opwarming. Een voorspellende waarde heeft deze observatie natuurlijk niet. De
volgende jaren kunnen best warmer worden, maar ook kouder. En overigens is er
niets op tegen, dat mensen die denken dat ‘het
klimaat voor hun ogen verandert’ een zuinige auto aanschaffen, of een
zuiniger verwarmingsketel laten installeren, of gloeilampen vervangen door
spaarlampen. Het jaar 2011 had
een zachte winter, een warm voorjaar, een koele en natte zomer, een prachtige
nazomer op de grens van september en oktober, en een zeer zachte november en
december. |
|
|
Figuur 14. Schaatsers van middelbare leeftijd met een
beetje geheugen weten dat we de laatste 13 jaar minder hebben kunnen
schaatsen dan in de decennia daarvoor. Deze figuur bevestigt dat: het
jaarlijkse aantal ijsdagen (dagen met een maximumtemperatuur beneden het
vriespunt) is sinds het midden van de vorige eeuw gestaag afgenomen. In de
jaren veertig waren er gemiddeld ongeveer 15 ijsdagen per jaar, in de jaren
zeventig en tachtig waren het er nog ongeveer 10. De laatste 13 jaar
beleefden we nog slechts 5 à 6 ijsdagen per jaar. Maar de winter van
2009/2010 heeft met 15 ijsdagen nieuwe hoop gegeven. Het aantal
ijsdagen in 2010 is door de koude decembermaand zelfs opgelopen tot 29,
hoewel we de bijdrage van november en december eigenlijk tot de winter van
2010/2011 moeten rekenen. Het jaar 2011
heeft door de zachte januari en februari, november en december in totaal maar
één ijsdag opgeleverd. Het optreden van
minder vorstperiodes is in overeenstemming met de theorie van het
broeikaseffect. Dit effect treedt namelijk vooral op in de winter en de
nacht. Het gaat om verminderde uitstraling, niet om verhoogde instraling.
Maar het verschil tussen de jaren 1940 en de laatste 10 jaar is te groot om
alleen aan het broeikaseffect toe te schrijven. Veranderde stromingspatronen
met overheersende westenwinden zijn waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak
van de mildere winters. |
|
|
Figuur 15. We zijn het na de koele en natte maanden
juli en augustus bijna vergeten, maar de zomer van 2011 heeft in De Bilt toch
nog 2 tropische dagen opgeleverd: 27 en 28 juni. Daar is het verder bij
gebleven. Wel was er nog een spectaculaire nazomer met op 1 en 2 oktober twee
zomerse dagen (maximum temperatuur boven de 25 graden). Het aantal
tropische dagen (dagen met een maximumtemperatuur boven de 30 ºC) vertoont in
Nederland geen opgaande trend. In de periode tot 1950 steeg het aantal tropische
dagen geleidelijk naar een gemiddelde van ongeveer 5 per jaar. Daarna daalde
het naar ongeveer 2 per jaar. In de aanloop naar de nieuwe eeuw steeg het
aantal tropische dagen weer naar ongeveer 5 per jaar. De laatste 10 jaar vertonen
weer een daling. Het optreden van
tropische dagen of hittegolven heeft weinig te maken met het broeikaseffect.
Dat effect treedt namelijk vooral op in de winter en de nacht. Het gaat om verminderde
uitstraling, niet om verhoogde instraling. Het feit dat het aantal tropische
dagen in de hele afgelopen eeuw niet significant is veranderd klopt dus met
de theorie van het broeikaseffect. Dit weerhoudt het KNMI en het Planbureau
voor de Leefomgeving er niet van om aan te kondigen, dat we in de toekomst
steeds meer te maken zullen krijgen met tropische en extreem hete dagen. |