Klimaatmonitor

Viermaandelijkse monitor van de belangrijkste indicatoren voor klimaatverandering, mogelijke oorzaken en gevolgen

 

Samenvatting 1 januari 2012

Ø      De periode waarin de aarde geen opwarming meer vertoont is in de loop van 2011 verder aangegroeid. Sinds januari 1998 is de opwarmingstrend -0,00002 graad per maand. Dit verschilt niet significant van nul. In de klimaatliteratuur werd de stagnering van de opwarming tot dusver gerelativeerd als natuurlijke fluctuatie, of verklaard door maskering van de opwarming door natuurlijke en menselijke oorzaken, terwijl de hoofdboodschap van het IPCC recht overeind bleef staan, want zodra die maskerende factoren wegvallen zouden we de opwarming in volle kracht terug krijgen. Dit kan nog steeds waar zijn, maar zolang een gedegen inzicht in die maskerende factoren ontbreekt blijft de voorspelling van ‘gevaarlijke klimaatverandering in de 21ste eeuw’ weinig geloofwaardig in het licht van de feitelijke ontwikkelingen. In 2011 zijn enkele wetenschappelijke artikelen verschenen van gerenommeerde warmisten en/of alarmisten waarin wordt toegegeven, dat de opwarming zich blijkbaar niet houdt aan de voorspellingen, zodat men misschien wel de gevoeligheid van het klimaat voor broeikasgassen heeft overschat.

Ø      Volgens een voorlopige berekening (december 2011 is nog niet bekend) op grond van de dataset van HadCrut is 2011 een tamelijk koel jaar geweest: het staat in ranglijst van de laatste 15 jaar op de tiende plaats. In de GISS-dataset (die er van verdacht wordt de opwarming te overdrijven) staat 2011 op de 7 plaats in de laatste 15 jaar. Er is voorlopig geen statistisch bewijs, dat de aarde sinds 1998 verder zou zijn opgewarmd.

Ø      Voor degenen die toch graag elk jaar willen bestempelen als recordwarm is er iets nieuws bedacht: 2011 is het warmste jaar in de geschiedenis waarin een La Niña effect optrad. Dat is de tegenpool van El Niño, die de globale temperatuur opjaagt. Als het stromingspatroon in de Stille Oceaan omkeert treedt juist verkoeling op. Van alle La Niña jaren in de geschiedenis is 2011 dus het warmste geweest. Wij gunnen de alarmisten dit record. Het is namelijk zeer triviaal, want alle jaren na 1998 waren warmer dan de voorgaande. In die periode zijn er drie La Niña jaren geweest. Daarvan was 2011 het warmste. Het is dus een record uit drie.

Ø      De gemiddelde CO2-concentratie is in  2011 gestegen met 1,76 ppmv vergeleken met 2010. Dit jaarlijks gemiddelde blijft vrijwel continu stijgen. Ondanks toenemende en in sommige jaren flink wisselende uitstoot versnelt de stijging niet.

Ø      Het gemiddelde aantal zonnevlekken is in 2011 gestegen van 19 in januari naar 73 in december. De hoogste waarde was 98, in november. De nieuwe cyclus van zonnevlekken is dus op gang gekomen, maar het heeft uitzonderlijk lang geduurd. De laatste keer dat dit gebeurde was in 1798, wat destijds leidde tot een reeks van strenge winters in de Nederlanden: 1799 had een zeer strenge winter en ook die van 1800 was streng. Meer dan de helft van de winters van 1801 tot 1825 was koud, streng of zeer streng. Astronomen verwachten een langdurige stille fase van de zon met mogelijk afkoeling van het klimaat tot gevolg. Maar klimaatalarmisten wijzen er op, dat – zelfs als dit zou gebeuren – die afkoeling aanzienlijk getemperd zal worden door broeikasgassen.

Ø      De zeespiegel is in 2011 gemiddeld niet gestegen. Het tempo van de zeespiegelstijging is in de laatste 18 jaar volgens satellietmetingen geleidelijk afgenomen. Volgens peilschaalmetingen ligt de stijging op 1,5 mm per jaar (gegevens bekend t/m 2006). Alarmisten schermen nog wel eens met een mogelijke zeespiegelstijging van anderhalve meter in de komende eeuw. Wij weten evenmin als de alarmisten wat de toekomst zal brengen, en volstaan hier met de constatering, dat de historische cijfers tot medio augustus 2011 geen enkele steun geven aan deze verwachting. Een zeespiegelstijging van hoogstens 15 centimeter in 2100 lijkt waarschijnlijker.

Ø      De omvang van het Noordpoolijs is een van de weinige klimaatsignalen die op oranje staan. De afsmelting van het poolijs in juli 2011 was de grootste die is waargenomen met satellietopnamen sinds 1979. Toch is de afsmelting voor de hele zomer meegevallen: op het moment dat het ijs eind september weer begon aan te groeien was het dieptepunt van 2007 niet gepasseerd.
Het sterk verminderen van het zomerijs in het noordpoolgebied kan leiden tot een positieve terugkoppeling: doordat er minder ijs is, dat de zonnestralen reflecteert, absorbeert het donkere zeewater meer zonnestralen, waardoor er in de komende winter minder ijs gevormd kan worden, waardoor er in de volgende zomer weer meer zonnestralen geabsorbeerd worden, enzovoorts.

Ø      De omvang van het zee-ijs rond Antarctica is sinds 1979 licht toegenomen.

Ø      De gemiddelde temperatuur in De Bilt in 2011 was 10,93 ºC. Dit is 1,54 ºC  boven het gemiddelde over 1961-1990. Alleen de jaren 2006, 2007 en 1999 waren gemiddeld warmer. 2011 was dus een warm jaar, of liever gezegd, een zacht jaar, want veel zomerwarmte heeft 2011 niet gebracht. Het hoge gemiddelde is te danken aan zachte maanden in winter, lente en herfst.

Ø      De gemiddelde temperatuur in De Bilt in de laatste 10 jaar vertoont een (niet significante) dalende trend. Het ‘warmste decennium ooit’ laat geen enkele neiging tot verdere opwarming zien.

Ø      Het aantal ijsdagen in de winter 2010/2011 lag met 13 boven het gemiddelde over 1961-1990 (10,7), maar dit getal is vrijwel helemaal te danken aan de koude decembermaand van 2010. In heel 2011 werd slechts één ijsdag geteld. Het begint er op te lijken, dat het golfje ijswinters ten tijde van het zonnevlekkenminimum al weer voorbij is.

Ø      Het aantal tropische dagen in 2011 is blijven steken op 2. Dit wijkt niet significant af van het gemiddelde over 1961-1990 (2,4). Het langjarige  gemiddelde aantal tropische dagen is na de golf warme zomers aan het begin van deze eeuw weer flink gedaald. Het record aantal tropische dagen staat nog altijd op naam van 1947.

Figuur 1. Er zijn diverse datasets van de gemiddelde wereldtemperatuur in de laatste anderhalve eeuw. De dataset van de Britse Climate Research Unit (HadCRUT) laat zien, dat sinds 1850 de temperatuur golvend is gestegen met ongeveer 0,8 ºC. De helft van die stijging vond plaats voor 1940, de andere helft na 1970. Het jaar 1998 is het warmste jaar in deze reeks. Dat werd veroorzaakt door een krachtige El Niño in dat jaar. Ook 2010 kende een krachtige El Niño, maar deze is er niet in geslaagd het record van 1998 te breken.

De zwarte lijn is de trend, ontdaan hoog frequente ruis. Deze vertoont in de recente jaren een daling. Een zo grote en zo lang aanhoudende daling is voor het laatst voorgekomen in de jaren zestig van de 20ste eeuw.

Het leggen van een verband tussen deze temperatuurontwikkeling en de uitstoot van broeikasgassen is moeilijk. Er spelen veel meer factoren een rol. Warmte wordt in de aardse atmosfeer en de oceanen meer verspreid door stroming dan door straling. De enorme variatie in stromingspatronen, op een schaal van paar maanden tot een jaar, maar ook op een schaal van meerdere decennia, verklaart veel van het grillige temperatuurverloop.  Misschien is maar een kwart van de temperatuurstijging sinds 1970 toe te schrijven aan broeikasgassen.

Figuur 2. Er is in de kranten, blogs op internet en in de wetenschappelijke literatuur veel te doen over het feit dat de aarde sinds 1998 niet meer warmer is geworden. Dat blijkt uit vier van de vijf meest gebruikte datasets van grondmetingen en van satellietmetingen. Het klimaatbureau van de NASA heeft een eigen dataset (GISS) die 2005 als warmste jaar geeft. NASA presenteerde in juni 2010 een voortschrijdend gemiddelde voor 12 maanden dat als ‘all time high’ werd aangeduid. GISS is de enige dataset die niet 1998 als warmste jaar geeft.

We laten hier de vraag buiten beschouwing welke politieke motieven achter deze presentatie van NASA kunnen zitten, maar stellen alleen vast, dat het gemiddelde van de vijf verschillende datasets goed overeenstemt met de trend van HadCRUT. De laatste 14 jaar (1 januari 1998 t/m eind 2011) toont HadCRUT geen enkele stijging meer. De stagnatie van de gemiddelde wereldtemperatuur zet zich dus voort.

Advocaten van de catastrofale opwarmingstheorie hebben de laatste 10 jaar gesteld, dat tijdelijke natuurlijke fluctuaties rond de opwarmingstrend niet bewijzen dat de trend gestopt zou zijn. De theorie laat de mogelijkheid open, dat er 15 jaar lang geen opwarming gemeten wordt, terwijl de trend toch door gaat. Aan die termijn van 15 jaar ontbreekt nog slechts één jaar. 2012 zal een bijzonder warm jaar moeten worden om de trend opnieuw significant omhoog te stuwen.

Figuur 3. Het CO2-gehalte van de atmosfeer wordt sinds maart 1958 gemeten op het Mauna Loa Observatorium op Hawaï. Dat is gevestigd op een plek waar zo weinig mogelijk storing optreedt door vegetatie (die ’s nachts CO2 afgeeft en overdag CO2 opneemt) of nabijgelegen steden. Deze metingen worden representatief geacht voor het wereldgemiddelde van CO2 in de atmosfeer. De groene lijn van de maandelijkse gemiddelden vertoont een jaarlijkse golfbeweging, omdat in de zomer door planten, bomen en algen CO2 wordt opgenomen. De meeste planten en bomen staan op het noordelijk halfrond, en daarom daalt het CO2-gehalte als het daar zomer is.

De zwarte lijn laat de trend zien. De lijn vertoont een vrijwel continue stijging, als gevolg van uitstoot van CO2 door verbranding van fossiele brandstoffen. De stijging versnelt licht. Aan de formule van de lijn is te zien, dat een kleine kwadratische term (met coëfficiënt 0,00009) nodig is voor een goede aansluiting bij de data.

Figuur 4. Bij inzoomen op de laatste vijf jaar is het seizoenseffect goed te zien, maar ook, dat daar af en toe kleine onregelmatigheden in optreden. Het is moeilijk te zeggen wat daarvan de oorzaken zijn. In de zomer van 2010 werd verwacht dat de enorme Russische bosbranden tot een stijging van het CO2-gehalte zouden leiden. Deze grafiek laat van juli tot en met september 2010 zelfs niet de kleinste rimpeling zien. Maar aan het begin van 2011 is wel een kleine vertraging is opgetreden.

Als de stijging in dit tempo doorgaat bereiken we het jaar 2080 een concentratie van 560 ppmv, het dubbele van voor de industriële revolutie.

Slechts ongeveer de helft van de CO2 die in een jaar door verbranding wordt uitgestoten blijft in de atmosfeer. De rest wordt opgenomen in de oceanen en door planten en bomen. CO2 is zeer bevorderlijk voor de plantengroei, wat niet slecht is in een wereld waar 7 miljard monden moeten worden gevoed.

Figuur 5. Het verband tussen zonne-activiteit en het klimaat is omstreden. Het IPCC betwist niet, dat in het verleden de zon invloed heeft gehad op het klimaat, maar wil er niets van weten, dat de zon mede oorzaak is van de temperatuurstijging sinds 1970. Het IPCC negeert daarmee een brede stroming onder de zonnedeskundigen die stellen dat variaties in magnetische activiteit van de zon invloed hebben op de hoeveelheid ultraviolette straling die de zon naar de aarde zendt en op de kosmische stralen die vanuit de ruimte de aarde treffen. Het wisselend magnetisch veld van de zon schermt de aarde meer of minder af voor kosmische straling, wat invloed kan hebben op de vorming van wolken.

Zonnevlekken zijn een zichtbaar symptoom van de veranderingen in zonne-activiteit. Deze grafiek laat zien, dat het aantal zonnevlekken varieert volgens een 11-jarige cyclus, en dat in de toppen van de curve een onregelmatige golfbeweging zit met een periode van 50-100 jaar. De relatieve minima in deze grafiek liggen bij 1800, 1880-1900 en 1960. Dat valt ongeveer samen met de perioden waarin de globale temperatuur relatief lager was (zie figuur 1).

Figuur 6. Als we inzoomen op de laatste vijf zonnecycli, dan valt op dat in deze periode koude winters in Nederland voornamelijk voorkwamen rond een zonnevlekminimum: in 1963, 1985, 1986 en 1997 vonden de laatste Elfstedentochten plaats. Ook in 1976 kon er geschaatst worden (drie man voltooiden op eigen houtje een Elfstedentocht) en in 2009 en 2010 werden in Nederland voor het eerst sinds 1997 weer schaatstoertochten verreden. Bovendien had de winter van 2009/2010 de meeste sneeuw in 30 jaar. Vóór 1960 is het verband tussen zonnevlekken en koude winters in Nederland niet zo duidelijk.

Het laatste zonnevlekminimum heeft opvallend lang aangehouden. In oktober 2005 daalde het gemiddelde aantal zonnevlekken per maand voor het eerst beneden de 10. In juli 2007 begon een lange periode (27 maanden) waarin het aantal zonnevlekken beneden de 10 bleef. Vanaf november 2009 is de nieuwe cyclus weer op gang gekomen, maar het aantal zonnevlekken is nog niet boven de 100 uitgekomen. Het volgende maximum wordt in april 2012 verwacht. Verschillende zonnedeskundigen verwachten een langere periode van weinig zonne-activiteit, mogelijk een minimum zoals rond 1800 plaatsvond, met een koeler klimaat als gevolg. De kans op een Elfstedentocht in het huidige decennium is nog niet verstreken!

Figuur 7. De stijging van de zeespiegel is een van de spookbeelden die worden opgeroepen als mogelijke gevolgen van klimaatverandering. Het is een logische gedachte, dat op een warmere aarde het landijs gaat smelten, wat bijdraagt aan een hoger zeeniveau. Bovendien zal warmer oceaanwater door uitzetting meer volume innemen, zodat ook zonder smeltende gletsjers de zeespiegel zou moeten gaan stijgen.

De zeespiegelstijging kan worden gemeten met peilschalen in havens. Het nadeel van die methode is, dat het dalen en stijgen van het land gesaldeerd wordt met de zeespiegelstijging. Volgens een recente statistische analyse van peilschaalgegevens vertoonde de zeespiegel van 1900-2006 een constante stijging van 1,5 mm per jaar. Die stijging versnelde niet.

Sinds eind 1992 kan de zeespiegelstijging ook worden gemeten met satellieten. Die methode heeft het nadeel, dat alleen op volle zee kan worden gemeten en alleen buiten de poolcirkels.  Deze grafiek geeft de uitkomsten, bijgehouden tot medio augustus 2011. Het zeeniveau vertoont een jaarlijkse cyclus met duidelijke uitschieters tijdens krachtige El Niño’s (1998, 2003 en 2010). De gemiddelde stijging is 2,5 mm per jaar, en deze stijging vertraagt.

Figuur 8. De snelheid van de zeespiegelstijging neemt af. De zwarte lijn geeft het verloop waarin de grote ruis in de satellietmetingen is uitgefilterd. In 2011 is de zeespiegelstijging voor het eerst sinds het begin van de metingen op nul gekomen. Eerder, in 1995 heeft zich een periode voorgedaan met zeer geringe stijging, maar de huidige vertraging is sterker dan ooit. 

Het is – gezien deze data – onbegrijpelijk, dat de publieke opinie vrij algemeen is, dat de zeespiegelstijging steeds sneller gaat.

Het afnemen van de zeespiegelstijging is overigens consistent met het feit dat de opwarming van de aarde sinds 1998 tot stilstand is gekomen (zie figuur 1 en 2).

Figuur 9. De afname van het drijfijs in de Noordelijke IJszee baart zorgen. Deze afname leidt niet tot zeespiegelstijging, omdat het ijs al in het water ligt. Het vloeistofniveau van een glas cola verandert ook niet als de daarin drijvende ijsblokjes gesmolten zijn. Smelten van het poolijs heeft ontegenzeggelijk voordelen voor de scheepvaart. Niet voor niets hebben zeevaarders in het verleden geprobeerd een zomerse vaarroute van Groenland naar Alaska te vinden, of van Nova Zembla naar de Beringstraat. Deze doorvaarten zijn in het verleden soms mogelijk geweest: in 1906, 1940 en 2007. Slechts voor de laatste 32 jaar beschikken we over satellietopnamen die de omvang van het poolijs in beeld brengen. Deze grafiek laat de omvang zien van het Noordpoolijs vanaf 1978.

In september 2007 bereikte de ijsomvang een dieptepunt sinds 1978. Voorspeld werd dat we, als deze trend door zou gaan, een ijsvrije Noordpool tegemoet zouden kunnen zien in 2012. Dat bleek een schoolvoorbeeld van alarmisme, want in 2008 en 2009 herstelde het poolijs zich aanzienlijk. Op dit herstel werd in 2010 en 2011 weer een stuk ingeleverd, maar het dieptepunt van 2007 werd niet overtroffen. Als we de trend lineair zouden doortrekken, duurt het nog 65 jaar voor het hele poolgebied aan het eind van de zomer ijsvrij zou zijn. Er is echter geen enkele reden om de trend voor zo’n lange periode door te trekken. Veranderingen in oceaanstromingen, die mede hebben geleid tot de huidige afname van het poolijs, vertonen cycli van 30 tot 60 jaar. Die zullen er binnen enkele decennia waarschijnlijk toe leiden, dat het poolijs weer toeneemt.

Figuur 10. In tegenstelling tot het Noordpoolijs neemt het drijfijs rond Antarctica niet af, maar is sinds 1978 licht in omvang gestegen.

Het feit, dat de omvang van het zee-ijs in de beide poolgebieden verschillende trends vertoont, wijst er op, dat deze verschijnselen niet op een simpele manier aan het broeikaseffect zijn toe te schrijven. De belangrijkste oorzaak van het smelten van het Noordpoolijs zijn waarschijnlijk veranderingen in de oceaanstromingen, gecombineerd met fluctuaties in de heersende windpatronen.

Alarmisten relativeren de groei van het drijfijs rond Antarctica: omdat in de zomer het drijfijs rond Antarctica vrijwel helemaal wegsmelt, heeft dit drijfijs minder betekenis  voor de stralingsbalans van de aarde. In de zomer krijgt het zuidelijk halfrond de meeste zonnestraling, en als er dan toch geen ijs rond het continent ligt, heeft dit voor de opwarming van de aarde geen extra effect.

Figuur 11. Per saldo neemt het zee-ijs in beide poolgebieden af, maar procentueel minder sterk dan wanneer we alleen naar het Noordpoolijs kijken.

Er is een dubbele dip in de totale zee-ijsomvang in beide poolgebieden in juni en november. Dat komt omdat het smelten van het ijs rond Antarctica trager inzet dan in het Noordpoolgebied. Daardoor is in november het Noordpoolijs al flink in omvang toegenomen, terwijl er bij Antarctica nog weinig is gesmolten.

Smelten van het poolijs kan de opwarming van de aarde versnellen omdat het ijs de zonnestraling reflecteert, terwijl ijsvrij oceaanwater de zonnestraling absorbeert. Daarnaast wordt afname van het poolijs gezien als een bedreiging voor pooldieren, zoals de ijsbeer, die op het drijvende ijs hun jachtgebied hebben. Tot dusver is er echter geen afname geconstateerd in het aantal ijsberen. De meeste populaties floreren goed.

 

Figuur 12.  Ook in Nederland stijgt de temperatuur, maar het is de vraag hoeveel dat te maken heeft met de globale opwarming. Vergelijking van deze figuur met figuur 1 laat nogal wat verschillen zien. De globale stijging van 1910 tot 1940 zien we in Nederland niet zo duidelijk. De lichte daling van de globale temperatuur van 1940 tot 1970 is in Nederland ook te zien, en de stijging sinds 1970 gaat in Nederland twee maal zo hard als globaal. Ondanks de opwarming sinds 1970 heeft Nederland nog enkele zeer koude jaren gekend in 1979, 1985, 1986, 1996 en (in wat mindere mate) 2010.

De oorzaak van de opwarming van Nederland ligt zeer waarschijnlijk in stromingspatronen. De wereldwijde westelijke straalstroom is de laatste decennia vaker dan vroeger persistent geweest. Dat verhindert bij ons in de winter het optreden van vorstperioden van betekenis. Maar soms wordt die straalstroom een paar weken of een maand geblokkeerd, en dat kan aanhoudende zuidenwinden veroorzaken die in de zomer tot hittegolven kunnen leiden. Een oorzakelijk verband tussen blokkades van de straalstroom en broeikasgassen is niet bekend. 2011 was het op drie na warmste jaar, na 2005 en 2006 en 1999.

 

Figuur 13. De pessimisten die roepen dat je in Nederland het klimaat ‘voor je ogen ziet veranderen’ kunnen met deze figuur uit de droom worden geholpen. Tien jaar is te kort voor het onderkennen van een klimatologische trend, maar als men het heeft over ‘voor je ogen veranderen’ dan is 10 jaar al een hele lange periode. Het publieke geheugen is nu eenmaal kort.

Sinds 2001 heeft de gemiddelde maandelijkse temperatuur in De Bilt geschommeld rond een vrijwel constante trend. ‘Het warmste decennium uit de geschiedenis’ vertoont geen enkele neiging tot verdere opwarming. Een voorspellende waarde heeft deze observatie natuurlijk niet. De volgende jaren kunnen best warmer worden, maar ook kouder. En overigens is er niets op tegen, dat mensen die denken dat ‘het klimaat voor hun ogen verandert’ een zuinige auto aanschaffen, of een zuiniger verwarmingsketel laten installeren, of gloeilampen vervangen door spaarlampen.

Het jaar 2011 had een zachte winter, een warm voorjaar, een koele en natte zomer, een prachtige nazomer op de grens van september en oktober, en een zeer zachte november en december. 

Figuur 14. Schaatsers van middelbare leeftijd met een beetje geheugen weten dat we de laatste 13 jaar minder hebben kunnen schaatsen dan in de decennia daarvoor. Deze figuur bevestigt dat: het jaarlijkse aantal ijsdagen (dagen met een maximumtemperatuur beneden het vriespunt) is sinds het midden van de vorige eeuw gestaag afgenomen. In de jaren veertig waren er gemiddeld ongeveer 15 ijsdagen per jaar, in de jaren zeventig en tachtig waren het er nog ongeveer 10. De laatste 13 jaar beleefden we nog slechts 5 à 6 ijsdagen per jaar. Maar de winter van 2009/2010 heeft met 15 ijsdagen nieuwe hoop gegeven.

Het aantal ijsdagen in 2010 is door de koude decembermaand zelfs opgelopen tot 29, hoewel we de bijdrage van november en december eigenlijk tot de winter van 2010/2011 moeten rekenen.

Het jaar 2011 heeft door de zachte januari en februari, november en december in totaal maar één ijsdag opgeleverd.

Het optreden van minder vorstperiodes is in overeenstemming met de theorie van het broeikaseffect. Dit effect treedt namelijk vooral op in de winter en de nacht. Het gaat om verminderde uitstraling, niet om verhoogde instraling. Maar het verschil tussen de jaren 1940 en de laatste 10 jaar is te groot om alleen aan het broeikaseffect toe te schrijven. Veranderde stromingspatronen met overheersende westenwinden zijn waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van de mildere winters.

Figuur 15. We zijn het na de koele en natte maanden juli en augustus bijna vergeten, maar de zomer van 2011 heeft in De Bilt toch nog 2 tropische dagen opgeleverd: 27 en 28 juni. Daar is het verder bij gebleven. Wel was er nog een spectaculaire nazomer met op 1 en 2 oktober twee zomerse dagen (maximum temperatuur boven de 25 graden).

Het aantal tropische dagen (dagen met een maximumtemperatuur boven de 30 ºC) vertoont in Nederland geen opgaande trend. In de periode tot 1950 steeg het aantal tropische dagen geleidelijk naar een gemiddelde van ongeveer 5 per jaar. Daarna daalde het naar ongeveer 2 per jaar. In de aanloop naar de nieuwe eeuw steeg het aantal tropische dagen weer naar ongeveer 5 per jaar. De laatste 10 jaar vertonen weer een daling.

Het optreden van tropische dagen of hittegolven heeft weinig te maken met het broeikaseffect. Dat effect treedt namelijk vooral op in de winter en de nacht. Het gaat om verminderde uitstraling, niet om verhoogde instraling. Het feit dat het aantal tropische dagen in de hele afgelopen eeuw niet significant is veranderd klopt dus met de theorie van het broeikaseffect. Dit weerhoudt het KNMI en het Planbureau voor de Leefomgeving er niet van om aan te kondigen, dat we in de toekomst steeds meer te maken zullen krijgen met tropische en extreem hete dagen.