Columns
door Frans Dijkstra

Hieronder staan de van augustus 2001 tot nu toe verschenen columns.
Als u wilt tegenspreken wat hier wordt beweerd, zend dan een e-mail naar de schrijver.
Klik hier om naar Frans Dijkstra's homepage te gaan.

20-07-2010 De gouden tip voor de kabinetsformatie

09-04-2010 Op naar Gibraltar

25-10-2009 Zomertijd

23-08-2009 Jan Peter, de aarde wordt steeds heter!

23-06-2009 De stoker op de elektrische trein

17-04-2009 Hoge omes vangen veel wind

09-04-2009 Open brief aan minister Cramer

20-02-2009 De schijnwetenschap van het CPB (2)

06-02-2009 Politieke uitruil
13-12-2008 Klimaatbeleid

10-12-2008 De schijnwetenschap van het CPB (1)

22-11-2008 Sprookje

15-11-2008 Moord met voorbedachten rade

04-10-2008 Chapeau voor Wouter!

01-10-2008 Het geheugen van Rita

23-09-2008 Een rots in de branding

19-08-2008 Men verkoopt de huid niet
22-07-2008 Dubbele belasting

17-05-2008 De onderhandelbare waarheid
03-04-2008 Lucia de B.

02-04-2008 Voedselbanken
05-03-2008 Boekhoudkundige trucs
16-01-2008 De OV-chipkaart
13-01-2008 De student als melkkoe
24-12-2007 Leven in een rechtstaat
03-11-2007 Week van de gerechtelijke dwalingen
20-10-2007 Perverse solidariteit
16-09-2007 Belastinggeld
21-07-2007 Een koolstofvrfije soeverijne staat
27-06-2007 Alle Menschen werden Brüder
17-06-2007 Briefjes van tien uit de geldauotomaat
30-04-2007 Klaar voor het koningschap
08-04-2007 Prietpraat
11-02-2007 Geen profiteur meer
31-12-2006 Het beste boek van 2006
26-11-2006 Net als in 1972
10-11-2006 De uitzondering bevestigt de regel
15-10-2006 Een heel goede minister van financiën
05-09-2006 Een schoorsteen minder
20-08-2006 De beuk er in!
16-07-2006 Weer die Volkert!
01-07-2006 Het parlementaire erepodium
08-06-2006 Het geheugen van Medy van der Laan
17-04-2006 DNA-bewijs: ja! Tunnelvisie: nee!
09-02-2006 Uitgeregeerd
02-01-2006 Schaf de tarieven in de gezondheidszorg af!
13-11-2005 Spelling
18-09-2005 Adders onder het gras
21-08-2005 Koninklijke geschiedschrijving
17-07-2005 Naar een Europees parkeerbeleid
18-06-2005 De psychologie van het wachten
29-05-2005 Schimmig conflict
23-05-2005 Wie voor is moet niet gaan stemmen
14-05-2005 Groene energie (2)
05-05-2005 Een innoverende CAO
30-04-2005 Entertainment
10-04-2005 En nu een Zuid-Amerikaanse paus!
25-03-2005 Het meesterplan van Wouter Bos
20-03-2005 Stuivers, dubbeltjes en kwartjes
20-02-2005 Identificatieplicht
05-02-2005 Terug op het niveau van september 2002
20-01-2005 Draaideurcrimineel
19-12-2004 Ministeriële verantwoordelijkheid
05-12-2004 Democratische klassenjustitie
21-11-2004 Appelen met peren vergeleken
31-10-2004 Marktwerking in de gezondheidszorg
10-10-2004 Jalouzie de métier bij de bijbelvertaling
25-09-2004 Koehandel
05-09-2004 Ophitserij
15-08-2004 Het olympisch vuur
08-08-2004 Neelies finest hour (2)
18-07-2004 Wie kan dat straks nog narekenen?
19-06-2004 Identificatieplicht
13-06-2004 De hypotheekrente
31-05-2004 Vervroegde pensionering in het ziekenfonds?
16-05-2004 Ga gewoon fietsen!
09-05-2004 Negatieven scannen
02-05-2004 Een eeuwenoude breuk geheeld
03-04-2004 De muziek weer op het spoor gezet
21-03-2004 De moeder van het kabinet Den Uyl is overleden
29-02-2004 Documenthouders in het toilet
08-02-2004 Een zwaluw maakt nog geen zomer
01-02-2004 Water op Mars?
23-01-2004 Dat moet toch kunnen?
14-12-2003 Koningskind
23-11-2003 Zalms kruistocht
16-11-2003 Sturen met de hersenen
09-11-2003 Bananenschillenrepubliek
23-10-2003 Geheugenverlies
12-10-2003 Krachtig bestuur
01-10-2003 De NS kan het wel!
21-09-2003 Verwend landje!
07-09-2003 Het CPB wordt bedankt
24-08-2003 Nooit te oud om te leren
08-08-2003 Cijferfetisjisme
24-07-2003 Vrij taxiverkeer alstublieft!
21-06-2003 Een lange en momorabele avond
31-05-2003 Zonsverduistering
25-05-2003 Neelies finest hour
18-05-2003 Laat het Malieveld maar volstromen!
11-05-2003 Deflatiebestrijding
05-05-2003 Het nut van literaire prijzen
27-04-2003 Dertig zilverlingen voor de SGP
21-04-2003 Een schotel linzenmoes voor D66
13-04-2003 De chemie van Balkenende
08-03-2003 Het hoge woord is er uit
02-03-2003 Boeiende tijden voor republikeinen
16-02-2003 Het dilemma van Bagdad
09-02-2003 Ambtenarensalarissen
25-01-2003 En nu nog even een regeerakkoord
05-01-2003 Beleggingsadvies
23-12-2002 Boter, kaas en eieren
15-12-2002 Roken of seks
08-12-2002 Gemeentelijke ideetjes
01-12-2002 Diftar of het debacle van de locale democratie
24-11-2002 Stemmige muziek
17-11-2002 Gaande en komende mensen
10-11-2002 Rechters zijn ook mensen
29-10-2002 De Frauenkirche in Dresden
21-10-2002 Verkwanseld
13-10-2002 Staat van beleg
06-10-2002 Mislukte tegencoup
01-10-2002 Men vangt meer vliegen met stroop dan met azijn
21-09-2002 Een boeiend weekje
14-09-2002 Schoenmaker hou je bij je leest
31-08-2002 De stem van het volk
14-08-2002 Hef het CPB op
29-07-2002 Niet de regels centraal maar de eigen verantwoordelijkheid
22-07-2002 Wij vrouwen eisen
14-07-2002 Na de wet van Moore: de omgekeerde wet van Wirth?
18-05-2002 Pas op voor Nobelprijswinnaars!
12-05-2002 Heilig verklaard
30-04-2002 En dus...
16-04-2002 Groene energie
07-04-2002 Doorgeschoten politieke correctheid
17-03-2002 Politieke zelfmoord?
03-03-2002 Er klopt iets niet
18-02-2002 Fraude met ziekteverzuim
10-02-2002 De koning is onschendbaar
03-02-2002 Meer dan een toefje
20-01-2002 Dus te troon is voor u niet heilig?
13-01-2002 Wie het kleine niet eert
06-01-2002 Een stok om de hond te slaan
30-12-2001 Afscheid van een beursjaar
23-12-2001 Klaar voor de Euro
16-12-2001 Uitvoeringskosten
25-11-2001 Wat bedoelt de schrijver met...
21-11-2001 Weg met het DNA-geheim!
03-11-2001 Een paraplu voor als het niet regent
27-10-2001 Het geheim van Maxima
20-10-2001 Een schot voor open doel
13-10-2001 Teveel beleid
30-09-2001 Over tot de orde van de dag?
22-09-2001 Duurzame gerechtigheid
15-09-2001 Nooit meer zoals vroeger
09-09-2001 Schaf de maxiumumsnelheid af!
02-09-2001 Koop KPN terug!
25-08-2001 Nooit meer recessie
18-08-2001 Terug uit een beschaafd land

 

20 juli 2010 De gouden tip voor de kabinetsformatie

 

De verschillen tussen de paars-groene partijen lijken onoverbrugbaar, zoals in diverse commentaren is benadrukt. De VVD staat in deze combinatie tegenover een linkse meerderheid, die óf teveel van het VVD-programma zal willen afzwakken, of te veel aan de VVD zal moeten toegeven. Beide zijn niet geloofwaardig tegenover hun kiezers. Hetzelfde probleem zal zich voordoen als een middenkabinet geprobeerd wordt. Dan staat de PvdA tegenover een rechtse meerderheid met een overeenkomstige onneembare hobbel.

Het paradoxale is, dat voor de oplossing van alle controversiële onderwerpen wel een kamermeerderheid is te vinden, over rechts, of over links, door het midden of over de flanken. Wie deze situatie goed tot zich laat doordringen ziet onmiddellijk de oplossing: er moet een kabinet komen waarin alle grotere partijen vertegenwoordigd zijn. Het ligt voor de hand de drempel te leggen bij 10 kamerzetels. Elke partij die hier aan voldoet kan per 10 zetels één minister en één staatssecretaris leveren. Deze bewindslieden hebben tot taak om vanuit hun eigen partijstandpunt voorstellen te doen die een meerderheid in de kamer halen.

Dat zou betekenen, dat VVD en PvdA elk 3 ministers en staatssecretarissen leveren, CDA 2 en GL en D66 elk één. De SP en de PVV zouden anderhalve en twee en een halve ministers en staatssecretarissen moeten leveren. Dat kan voor de PVV 3 ministers en 2 staatssecretarissen worden, of omgekeerd, en voor de SP 2 ministers en 1 staatssecretaris, of omgekeerd. De partijen kunnen de ministers- en staatssecretarisposten verdelen door om de beurt één te kiezen in volgorde van partijgrootte. Als iedere partij aan de beurt is geweest komen de partijen opnieuw aan de beurt en de grotere partijen daarna nog enkele malen in een derde tot en met zesde ronde. Hier zijn geen informateurs bij nodig. Dit kan allemaal in een procedureel debat in de tweede kamer worden afgehandeld.

Zo’n kabinet heeft een regeerakkoord nodig dat bestaat uit slechts twee regels: (1) Bij elk voorstel dat door een kamermeerderheid wordt aangenomen dient ook vastgesteld te worden hoe het betaald wordt. Zo niet, dan heeft de minister van financiën een vetorecht. En (2) de minister van justitie mag nooit weigeren een door de kamer aangenomen wet te ondertekenen.

De voordelen van een kabinet op zo’n brede basis zijn groot: (1) hierbij wordt, in tegenstelling tot bij een paars-plus kabinet, werkelijk recht gedaan aan de verkiezingsuitslag en (2) geen enkele partij of minister kan de ministerraad gijzelen door te dreigen met opstappen, omdat geen enkele partij onmisbaar is voor de meerderheid en verder (3) kan zo’n kabinet er binnen een week zijn en tenslotte (4) kunnen we met dit systeem ondanks de politieke versplintering weer vele decennia vooruit zonder dat er iets hoeft te veranderen aan het kiesstelsel.

Lezers van deze column denken misschien dat zo’n kabinet nooit een krachtig en consistent beleid kan voeren, als elke minister voor zich zoekt naar wisselende meerderheden in de tweede kamer. Ik denk, dat dit wel meevalt. De minister van financiën zal wel een VVD’er zijn en hij zal natuurlijk beginnen met een financieel kader voor 2011 aan de kamer voor te leggen met per departement een bezuiniging die oploopt tot het bedrag dat de VVD graag wil. De minister van financiën zal daarover wel overleg voeren met andere ministers, maar hij is niet gebonden aan een  regeerakkoord en is vrij om zijn voorstel bij de kamer in te dienen. De kamer zal daar twee dagen over debatteren, zal een reeks van amendementen formuleren en een deel daarvan aannemen, en uiteindelijk zal er een begroting liggen die door een kamermeerderheid wordt aangenomen. Daarmee heeft elke minister het financiële kader waarbinnen beleid kan worden voorgesteld. Vindt een minister dat er meer geld nodig is, dan moet hij dat maar voorstellen, plus een manier om aan dat geld te komen, als er maar een kamermeerderheid is die dat accepteert.

Ik denk, dat een brede regering zonder regeerakkoord de beste manier is om ons land het parlementaire dualisme terug te geven, en weer regeerbaar te maken.

 

9 april 2010 Op naar Gibraltar!

 

Zaterdag 10 april 2010 stap ik op de fiets met bestemming Gibraltar. Of ik daar zal aankomen weet ik niet. Ik heb een planning die er in voorziet, dat ik op zaterdag 15 mei Gibraltar zal binnenfietsen. Daar wil ik dan het weekend blijven en op maandag 17 mei naar huis terugvliegen.

In dat plan is een driedaagse stop in Vallons Pont d’Arc (Zuid-Frankrijk) begrepen, waar ik met mijn vier broers en mijn echtgenote een familieweekend wil beleven. Op maandag 26 april wil ik vanaf het station dat het dichtst bij Vallons Pont d’Arc ligt de trein nemen naar de Spaanse grens. Maar daarna wil ik weer geheel op eigen kracht over het Catalaanse bergplateau fietsen in de richting van Andalusië en vandaar naar Gibraltar.

Als de hellingen op het Spaanse traject tegenvallen kan plan B in werking treden: van Cuenca tot Granada kan ik misschien de trein nemen. De moeilijkheid daarvan is wel, dat ik dan via Madrid moet reizen, en daar op een ander station een trein naar Granada moet vinden. Bovendien kan men in Spanje een fiets alleen meenemen in de stoptreinen, zo heb ik vernomen uit de routebeschrijvingen. Of deze U-bocht via Madrid haalbaar zal blijken moet worden afgewacht. Vooralsnog hoop ik, dat plan B niet nodig is, en dat de Spaanse hoogvlakte zal meevallen.

Plan C houdt in, dat ik Gibraltar niet haal, en dat ik al eerder besluit om het stuur te wenden naar het dichtstbijzijnde vliegveld. Want – hoe gepensioneerd ik ook ben – ik heb wel een deadline: met Pinksteren moet ik in Ommen terug zijn om het orgel te bespelen in de pinksterviering in de PKN-kerk.

In juni a.s. verschijnt op deze website een zakelijk verslag van de reis.

 

25 oktober 2009 Zomertijd

 

Ik was vandaag jarig. Ik heb daar nog nooit een column aan gewijd. Waarom zou ik nu bij de 63e keer een uitzondering maken? Toch was deze dag zeldzamer dan het getal 63 doet vermoeden. Het was namelijk pas de vierde keer dat mijn verjaardag 25 uur telde. En nog sterker: 25 oktober is de enige 25ste dag van een maand die 25 uur kan tellen. Jammer, dat ik deze dag niet 25 ben geworden.

Doordat we in de vroege ochtend om 3 uur de zomertijd terugdraaiden had mijn 63e verjaardag een uur extra. De vorige keren dat het gebeurde was in 1998, 1992 en 1987. Eerder kwam het niet voor, want in 1981 schakelden we de zomertijd nog niet terug op de laatste zondag van oktober, en voor 1977 deden we er helemaal niet aan, althans sinds de oorlog. Gemiddeld gesproken valt eenmaal in de zeven jaar mijn verjaardag op een zondag, maar cijfermatig onderlegde lezers zullen uit bovengenoemde reeks jaren al hebben afgeleid, dat de intervallen 11, 6, 5 en 6 jaar bedroegen. Gemiddeld is dat precies 7 jaar. Deze variatie komt van de schrikkeljaren. In een periode van 7 jaar kunnen maximaal twee schrikkeljaren vallen. Valt er één schrikkeljaar in, dan is de periode tussen twee zondagen 25 oktober niet 7 maar 6 jaar. Vallen er twee schrikkeljaren in, dan wordt het 5 jaar. Maar door de schrikkeljaren kan mijn verjaardag ook af en toe een zondag overslaan. Dan ben ik het ene jaar op zaterdag jarig en het volgende jaar op maandag. Daardoor heb ik deze keer 11 jaar moeten wachten op een verjaardag van 25 uur. In een periode van 28 jaar (4 maal 7) middelt het interval zich uit tot exact 7 jaar. Ik vermoed, dat de reeks altijd bestaat uit de opvolging van de intervallen 11, 6, 5, en 6 jaar, maar op dit zogenaamde Vermoeden van Dijkstra moet maar eens een wiskundige promoveren. Mocht dit Vermoeden juist zijn, dan is te voorspellen, dat mijn volgende verjaardagen op zondag zullen vallen in 2015, 2020, 2026 en 2037, als ik die tijd van leven krijg. Bij het jaar 2100 wordt de reeks natuurlijk verstoord, omdat er dan een schrikkeldag wordt overgeslagen, maar dan wordt mijn verjaardag zeker niet meer gevierd. 

 

Iedereen die geboren is op een van de zeven laatste dagen van oktober krijgt gemiddeld eens in de zeven jaar een extra verjaardagsuur. Een klein troostprijsje voor het levenslange nadeel van ‘een late leerling’ te zijn geweest, dat we helaas niet kunnen delen met onze ongelukkige sterrenbeeldgenoten die op een van de eerste 24 dagen van oktober geboren zijn. Maar zij mogen zich op hun beurt weer gelukkig prijzen ten opzichte van die arme stakkers die in de laatste zeven dagen van maart zijn geboren. Die wrijven zich eens in de zeven jaar de slaap uit de ogen op een verjaardag van 23 uur.

 

De zomertijd werd in 1977 in ons land opnieuw ingevoerd, na eerdere korte perioden tijdens de wereldoorlogen. In het najaar van 1977 werd de klok voor het eerst een uur teruggedraaid. Destijds regeerde het demissionaire kabinet Den Uyl onder wiens vooruitstrevende beleid de zomertijd was ingevoerd als antwoord op de energiecrisis van 1973. Een grapje dat toen de ronde deed was, dat we de zomertijd wel zouden houden zolang Den Uyl er zat, want het was ondenkbaar, dat onder Den Uyl de klok terug zou worden gedraaid. Toch is in die septembermaand van 1977 de klok een uur teruggedraaid. Later is de datum in het kader van de Europese samenwerking verschoven naar de laatste zondag van oktober. Nu gaan er in Duitsland stemmen op, om de zomertijd weer af te schaffen. Het vermeende energievoordeel is marginaal en niet eens waarneembaar in de ruis van de statistiek. En de omschakeling zou een administratieve belasting voor de burger betekenen, die een moderne overheid niet moet willen opleggen. 

 

Daar zit wel iets in. Maar ik wil er op wijzen, dat het afschaffen van de zomertijd ook een administratieve belasting voor de burger betekent. Want dan moet ik namelijk alle apparaten bijstellen die automatisch overschakelen op de zomertijd. Ik tel in mijn huis 20 apparaten waarin een klok zit: 2 mobieltjes, 3 computers, 2 videorecorders, een minidiscrecorder, de verwarmingsthermostaat, de auto, de fietsteller, 2 navigatieapparaten (voor de fiets en voor de auto), 2 fototoestellen, en natuurlijk ook nog 3 klokken en 2 horloges. Even terzijde: is het niet verbijsterend, hoe ons leven in het keurslijf van de tijd is gewrongen? En wat nog erger is: ik vind het helemaal niet erg, want ik geniet van al die apparaten.

Van deze 20 apparaten schakelen er 9 uit zichzelf de zomertijd in en uit. De meeste apparaten doen dat doordat ze zijn geprogrammeerd om op de laatste zondag van maart en oktober over te schakelen. Sommige apparaten zijn nog slimmer, doordat ze de tijd uit de lucht halen, zoals een radiogestuurd horloge, dat elke nacht om 3 uur contact zoekt met de zender van een atoomklok. En ik heb een auto gehad, waarin de klok werd bijgesteld door het RDS-signaal van de radio. Als de klok van de radiozender verkeerd stond, dan stond ook mijn autoklok fout, en in Italië raakte mijn autoklok zelfs helemaal van slag, omdat ze daar RDS-signalen met een andere codering uitzenden. Met mijn hypermoderne huidige auto moet ik de tijd weer met de hand instellen. Computers kunnen natuurlijk heel makkelijk de tijd van internet halen, maar dan moet het besturingssysteem wel up to date zijn. Mobieltjes vallen me in dit opzicht tegen: ondanks al hun draadloze mogelijkheden moet ik hun tijd toch met de hand bijstellen.

 

Maar wat ik wilde zeggen: als de Duitsers er in slagen om de zomertijd af te schaffen, dan moet ik de handleidingen opzoeken van al die apparaten die het vanzelf doen op de laatste zondag van maart en oktober, om de tijd weer terug te schuiven. En omdat dit de helft van de apparaten betreft, is de administratieve belasting gelijk aan de administratieve winst bij de andere apparaten die ik nu zelf moet bijstellen.

De Duitsers zijn tegenwoordig aardige mensen. Ze hebben er in 1940 voor gezorgd, dat we dezelfde tijd kregen als Berlijn (voor die tijd was er 40 minuten verschil), en ze hebben daarna bij ons de zomertijd ingevoerd, die we na de oorlog zelf weer heel vlug hebben afgeschaft. Laten de Duitsers er nu maar van af blijven. Aan deze vorm van Wiedergutmachung hebben we voorlopig geen behoefte.

23 augustus 2009 Jan Peter, de aarde wordt steeds heter!

Geachte heer Balkenende,

Ik vernam in het nieuws, dat Greenpeace in de Hofvijver een metershoge wereldbol heeft laten plaatsen met de tekst ‘Jan Peter, de aarde wordt steeds heter.’ Ik wil u er graag op wijzen, dat dit een leugen is. Iedereen die kennis neemt van de betreffende statistieken weet, dat de aarde sinds februari 1998 niet warmer is geworden. Er zijn verschillende instituten die een langjarige reeks bijhouden van de ‘gemiddelde wereldtemperatuur’. De bekendste daarvan zijn het Amerikaanse Nasa Goddard Institute for Space Science (GISS) en het Britse Hadley Centre for Climate Research (HadCRU). In de reeksen van beide instituten is de trend sinds 1998 niet stijgend. Bij HadCRU was februari 1998 de warmste maand tot dusver, bij GISS was januari 2007 een fractie warmer dan februari 1998 (0,04 graad).

Iedereen kan kennis nemen van deze statistiek, ook Greenpeace, en ik weet wel zeker, dat Greenpeace dit ook regelmatig doet. Hun leuze is dus een opzettelijke leugen. Het is misleiding van de publieke opinie en van de politiek.

Uit het feit, dat de opwarming inmiddels 11 jaar stilstaat kan niet worden afgeleid, dat de aarde in de toekomst niet meer warmer zal worden. Ook kan niet worden gezegd, dat een fase van afkoeling is ingezet – hoewel dit laatste wel het geval kan zijn – maar de relatie tussen co2-uitstoot en temperatuurstijging is door deze feiten voorlopig duidelijk weerlegd.

 

Waarschijnlijk weet de klimaatlobby, dat de wetenschappelijke onderbouwing van de theorie, dat de aarde ‘steeds sneller’ opwarmt als gevolg van uitstoot van co2, sterk aan het verzwakken is. Met een grootschalig offensief in de aanloop naar de klimaatconferentie in Kopenhagen probeert men de aandacht af te leiden van het ontbreken van een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing. Dit kan niet anders worden uitgelegd dan als een vlucht naar voren, in de hoop de sceptici de pas af te snijden. Er wordt nog wel veel geroepen, dat de ‘science is settled’ maar dat is absoluut niet het geval. Er is een belangrijke stroming in wetenschappen die grenzen aan de klimaatwetenschap (geologie, geografie, biologie, natuurkunde, astronomie, scheikunde) die grote vraagtekens plaatst bij de opwarmingstheorie, en wijst op diverse mogelijke andere oorzaken van klimaatfluctuaties. Eminente geleerden maken hier deel van uit, waaronder ook een aantal internationaal bekende politici met wetenschappelijke achtergrond (Vaclav Klaus, Claude Allègre, Helmut Schmidt). De internationale klimaatlobby heeft echter de macht in de VN-organen die gaan over de ‘wetenschappelijke’ evaluatie van de recente literatuur, en deze lobby zorgt er voor, dat elk volgend IPCC-rapport dreigender wordt. Literatuur die andere richtingen op wijst wordt door het IPCC zeer oppervlakkig behandeld, of genegeerd. Weet u trouwens, dat de politieke samenvattingen van de IPCC-rapporten altijd een half jaar eerder worden opgesteld dan de wetenschappelijke onderdelen, en dat IPCC-ambtenaren er op toezien, dat de wetenschappelijke onderdelen in overeenstemming zijn met de politieke samenvatting? Ditzelfde geldt voor de wetenschappelijke conferentie in Kopenhagen in maart van dit jaar. Ook daar stonden de drie hoofdboodschappen al op papier voor de conferentie werd gehouden. Wie in de 500 abstracts van de conferentie zoekt naar een sluitende onderbouwing van die boodschappen komt bedrogen uit.

 

Ik weet, dat het tegenwoordig ‘politiek correct’ is om zorgen uit te spreken over het klimaat, althans voor de vorm, en met woorden. Ik besef ook, dat het voor u moeilijk is, om u in Kopenhagen achter een sceptische lijn te scharen, nadat uw regering al zo vaak het woord ‘klimaatcrisis’ heeft gebruikt, en gedaan heeft alsof de wetenschappelijke conclusies op dit gebied vast staan. Een ommezwaai zal zeker aan de linkerzijde van binnenlandse politiek als zeer ongeloofwaardig worden gezien, en is waarschijnlijk riskant voor het voortbestaan van uw kabinet. Maar het zou niet goed zijn, als de Nederlandse regering de wetenschappelijke feiten zou negeren ter wille van de politieke correctheid of ter wille van de geloofwaardigheid of ter wille van het in stand houden van een coalitie.

 

Het beste dat u mijns inziens in Kopenhagen kunt bereiken is het streven naar oplossingen waarvoor geldt ‘baat het niet, het schaadt ook niet.’ Zuinig zijn met energie is altijd goed, maar het belasten van co2-uitstoot of het wereldwijd verdelen van uitstootrechten schiet zijn doel voorbij. Dat gebeurt namelijk toch al: energiegebruik wordt in Nederland al sterk belast, en de wereldenergiemarkt zorgt er via het prijsmechanisme voor, dat de beschikbare voorraden verdeeld worden. Ondergronds opslaan van co2 is alleen nuttig, als co2 werkelijk de oorzaak is van klimaatverandering, en dat is wetenschappelijk gezien twijfelachtig.  

 

Ik adviseer u, tenminste kennis te nemen van de literatuur die door de IPCC-rapporten geheel of gedeeltelijk wordt genegeerd, of dit door uw ambtenaren te laten doen. Ik adviseer daarbij in ieder geval kennis te nemen van de (conclusies uit de) volgende rapporten en boeken.

 

1.      Craig Idso and S. Fred Singer - Climate Change Reconsidered: Report of the Nongovernmental Panel on Climate Change (NIPCC), Chicago, IL: The Heartland Institute, 2009, 708 pagina’s exclusief bijlagen

2.      Ross Mc.Kittrick (coördinator) – Independent Summary for Policymakers – IPCC Fourth Assessment Report – Fraser Institute, February 2007, 64 pagina’s.
Deze Summary doet wat de Summary van het IPCC had moeten doen: nadat de wetenschap is geëvalueerd worden daaruit de conclusies getrokken (in plaats van andersom)

3.      Ross McKitrick (editor) - Critical Topics in Global Warming - Frazer Institute, March 2009, 124 pagina’s

4.      Ian Plimer - Heaven and Earth – Global warming – the missing science - Taylor Trade Publishing, Lanham, New York, Boulder, Toronto, Plymouth, 2009, 493 pagina’s met 8 hoofdstukken.
In dit magistrale boek doet Plimer wat IPCC en Al Gore hebben nagelaten: hij geeft ook alle informatie die de opwarmingstheorie niet onderbouwt.

 

Indien ik u hierbij op een of andere manier kan helpen, dan doe ik dat uiteraard graag.

Ik zend een afschrift van deze brief aan Greenpeace Nederland, en zet deze brief tevens op mijn persoonlijke website.

 

Ik hoop u hiermee enigszins de weg te hebben gewezen op een terrein waar waarheid, wetenschap en politiek elkaar nauwelijks verdragen.

Met vriendelijke groet,

uw partijgenoot,

Dr. Ir. F.Y. Dijkstra

 

23 juni 2009 De stoker op de elektrische trein

Toen in de eerste helft van de twintigste eeuw de elektrificatie van de spoorwegen begon, eiste de vakbond van stokers, dat er op elke trein een stoker zou meerijden, omdat anders duizenden stokers hun baan zouden verliezen. Of dit een waar gebeurd verhaal is, of een legende weet ik niet, maar de stoker op de elektrische trein is sindsdien spreekwoordelijk gebleven voor het redden van bedrijfstakken  die in problemen zijn gekomen doordat ze in tijden van technische vooruitgang niet tijdig de bakens hebben verzet.

Daar moest ik vandaag aan denken, toen ik Eelco Brinkman het idee hoorde lanceren om bij elke internetaansluiting een heffing te laten betalen, waaruit de gedrukte media ondersteund zouden moeten worden. ‘We moeten ons realiseren, dat nieuws geld kost, ook het nieuws dat je op internet aantreft’ aldus de heer Brinkman, ‘en daarom is het niet onredelijk om daar een klein bedrag voor te vragen. Dan kunnen de journalisten blijven zorgen voor hoogwaardige nieuwsvoorziening.’

Ik begrijp het probleem van de kranten. Ze worden van twee kanten belaagd: de televisie kaapt de advertentie-inkomsten weg en diverse gratis media (websites, en gratis kranten zoals Metro) maken het nemen van een abonnement op een dagblad voor veel mensen minder nodig. Toch zie ik er helemaal niets in om dan maar een paar euro per internetaansluiting te gaan heffen. Niets weerhoudt de kranten er van om hun nieuws duur te verkopen aan al die websites op internet. Kranten hebben doorgaans ook zelf een uitgebreide website; als abonnee van de krant kun je op die website meer dingen bekijken dan als gratis bezoeker. Niets weerhoudt de kranten er van om de grens tussen ‘gratis’ en ‘exclusief voor abonnees’ anders te leggen. Niets weerhoudt de kranten er van om zelf nieuwe digitale initiatieven te nemen die geld in het laadje brengen. Maar een heffing die wordt doorberekend op alle internetgebruik is niet alleen oneerlijk voor degenen die internet alleen maar gebruiken om te chatten, maar stelt ook een van de belangrijkste economische mechanismen buiten werking, de vrije concurrentie op een open markt, waarin de beste en meest innovatieve bedrijven overleven, en de achterblijvers het loodje leggen. De wet van Darwin. Als in het stenen tijdperk de gebruikers van het brons ook een bijdrage aan de steenmakers hadden moeten betalen, zat ik op dit moment waarschijnlijk nog steeds op een boomstronk mijn gedachten in spijkerschrift in een steen te kerven.

En overigens ben ik niet van plan om mijn dagblad op te zeggen. Hoeveel en hoe graag ik ook met internet doe, ik wil mijn dagelijkse kwaliteitskrant bij het ontbijt niet missen. En ik ben best bereid voor dat blad te betalen. Maar niet via mijn internetaansluiting.

 

17 april 2009 Hoge omes vangen veel wind

Hij is diep door het stof gegaan, die burgemeester van Utrecht! Ik vond het buitengewoon sneu voor deze bekwame en integere jurist, die nog nooit is betrapt op enige grondwettelijke misstap. Uitgerekend deze lieve man moest gisteren terecht staan voor de Utrechtse gemeenteraad omdat hij een ongelukkig telefoontje had gepleegd met de uitgever van een gratis huis-aan-huisblad. Wat was er nu eigenlijk aan de hand? Een gepensioneerde jurist, met vakantie in Renesse of daar in de buurt, had aan het Utrechtse blad verteld, dat de declaraties van de burgemeester niet in overeenstemming waren met de wet. Misschien pasten de declaraties wel in de ruime uitleg die minister Ter Horst inmiddels aan die wet geeft, maar voor een volbloed jurist als burgemeester Wolfson had dat geen rol mogen spelen. Wolfson weet als geen ander, dat niet de minister de taak heeft uit te leggen wat wel en niet binnen de wet valt, maar dat we daarvoor onafhankelijke rechters hebben. Wolfson is zelf rechter geweest. Het Utrechtse blad wilde dit verhaal publiceren in een artikel waarin Wolfson netjes in de gelegenheid werd gesteld om een weerwoord te geven. Toch was Wolfson niet blij met de uiteindelijke versie van het artikel, en hij belde de uitgever met het advies: ‘denk er nog even over na, informeer je nog eens goed, en kijk dan of je het volgende week nog steeds wilt publiceren.’

Tot zover is er niets aan de hand. Niemand heeft een wet overtreden, er is geen sprake van smaad, en de burgemeester ging zijn bevoegdheden niet te buiten. Iedereen heeft het recht uitgevers van kranten op te bellen, ook burgemeesters. Maar de uitgever boog voor de wens van de burgemeester, en vernietigde de volledige oplage van de krant. En de uitgever liet ook nog na, om dit eerst even te overleggen met de verantwoordelijke redacteur. Die redacteur nam per ommegaande wraak. Hij zag er een leuke rel in, en liet het verhaal uitlekken, compleet met een internetversie van de tekst die de burgemeester onwelgevallig was geweest. Dat had de burgemeester natuurlijk moeten voorzien. Dé manier om een stuk in heel Nederland bekend te maken, is te proberen de publicatie ervan in een plaatselijke krant tegen te houden.

En toen was de boot aan. De voltallige gemeenteraad schoot in de politiek correcte stress. Ongehoord! Een burgemeester die de vrijheid van meningsuiting dwarsboomt! Pyongyang aan de Vecht! De burgemeester sliep er een nachtje over, en begreep dat hier geen redden meer aan was. Hij deed niet eens een poging om zich te verdedigen of iets goed te praten. Hij ging direct diep door het stof. ‘Het spijt mij zeer!’ verklaarde voor het hele televisie kijkende Nederlandse volk, uitgezonden op alle journaals. En later deed hij het allemaal in Nova nog eens dunnetjes over. Hij had nooit met die uitgever mogen bellen. Deze beginnersfout zou hij nooit meer maken. Hij wist nu voor eens en voor altijd, dat hoge omes nu eenmaal veel wind vangen, en hij beloofde die wind in het vervolg kalm en waardig over zich heen te laten komen.

 

Twee dingen vallen mij op in deze klucht. In de eerste plaats de rol van de uitgever. Wat is dat voor een flapdrol, om zomaar 120.000 kranten te verbranden omdat een burgemeester vraagt ‘kun je er niet nog een weekje over nadenken?’ Hij had gewoon kunnen zeggen ‘het spijt me, u komt royaal aan het woord in het artikel, en trouwens, ik kan niet meer terug, want de krant is al gedrukt.’ Dat zou een normale reactie zijn geweest voor een uitgever. Toch heb ik in alle politieke commotie daarover niets gehoord. Nee, het was allemaal de schuld van de burgemeester, die de grondwet niet goed gelezen had.

Het tweede wat me opvalt is de rol van de plaatselijke politiek. Is er in die gemeenteraad nou niemand geweest, die heeft ingezien dat dit een overreactie is geweest van een uitgever op een overgevoeligheidje van de burgemeester, maar dat dit met de vrijheid van meningsuiting helemaal niets te maken heeft? Nee hoor. Op een overreactie past een overreactie, dus de gemeenteraad ging er voluit tegenaan!

 

Utrecht ging gisteren al over tot de orde van de dag. Op nationaal niveau pruttelde het vandaag nog wat na in de actualiteitenrubrieken, maar dat gaat ook over. Morgen praat niemand er meer over, en volgende week zijn er weer andere hypes. Alleen wel jammer van die 120.000 kranten. Daar is toch maar weer 6 ton papier mee verspild. Dat zijn een paar Scandinavische bomen, die in de rest van hun leven nog wel 20 ton co2 hadden kunnen opnemen. Het IPCC kan vast wel uitrekenen hoeveel miljoenste deel van een graad de aarde daardoor volgens hun modellen zal opwarmen. Maar gelukkig bestaan er geen thermometers waarmee dat te meten is. Over en sluiten dus maar…

 

9 april 2009 Open brief aan minister Cramer

Geachte mevrouw Cramer,

Volgens een bericht in Trouw van 7 april is deze week aan u een rapport aangeboden van de stichting Energie Dialoog Nederland, waarvan de conclusie is, dat opslag van co2 onmisbaar is in het klimaatbeleid. Op grond van wat ik in dat krantenartikel las rees bij mij het vermoeden dat het hier een partijdig en gekleurd rapport betreft. Ik heb het rapport nog niet op internet kunnen vinden. Graag ontvang ik van u een kopie, of een link naar een internetlocatie waar ik het kan vinden.

De redenen dat ik twijfelde aan de merites van dit rapport zijn:

-          Het rapport is opgesteld door groepen die belang hebben bij het zo ongunstig mogelijk voorstellen van klimaatveranderingen: milieuclubs, ministeries en bedrijven.

-          Een van de weinige controleerbare beweringen die ik in het krantenartikel aantrof is ‘De opwarming van de aarde gaat in rap tempo door, sneller nog dan in sommige pessimistische scenario’s wordt verondersteld.’ Dit is volstrekt onwaar. Aangezien de schrijvers van dit rapport beter kunnen weten, meen ik te mogen spreken van opzettelijke misleiding, vermoedelijk met de bedoeling om de CCS-techniek te promoten die de in EDN participerende bedrijven willen ontwikkelen.

Uit wat ik in de krant las heb ik niet kunnen afleiden, dat u deze onwaarheid hebt tegengesproken. Dat doet mij vermoeden, dat u dit ook gelooft. Daarom wil ik proberen u wat dit betreft op het goede spoor te zetten.

 

Bovenstaande grafiek geeft de gemiddelde wereldtemperatuur per maand van januari 1850 tot en met februari 2009. Deze grafiek heb ik gemaakt op basis van de gegevens [i] die ook mede ten grondslag hebben gelegen aan de roemruchte hockeystickgrafiek van het IPCC [ii]. Uit die grafiek kunt u aflezen, dat de gemiddelde wereldtemperatuur het voorlopig hoogste punt heeft bereikt vóór het jaar 2000 (om precies te zijn: +0,73 ºC in februari 1998). Het genoemde getal is de zogenaamde temperatuuranomalie, dat is de afwijking ten opzichte van de gemiddelde temperatuur in de overeenkomstige maand in de klimatologische referentieperiode 1961-1990. Na februari 1998 is de wereldtemperatuur gemiddeld ongeveer 0,2 ºC gedaald, met een dieptepunt in januari 2008, 0,68 ºC koeler dan in februari 1998.

Er is dus geen sprake van versnelling van de opwarming, ‘sneller dan in pessimistische scenario’s wordt verondersteld.’ Als dat beweerd wordt, zijn er slechts enkele mogelijkheden: men is niet op de hoogte van de feiten (en in dat geval hoort men zijn rapport niet aan u aan te bieden) of men liegt (en dat vind ik nog veel erger dan onwetendheid of onbekwaamheid). Of men heeft een heel eigen interpretatie van de feiten, waar ik dan zeer benieuwd naar ben.

De in deze periode van 11 jaar constateerbare afkoeling betekent natuurlijk niet, dat de opwarming na de periode 1965-1998 definitief is gestopt. Bij uitspraken over het klimaat dient met gemiddelden over 30 jaar te worden gewerkt. De rode lijn in de grafiek geeft een voortschrijdend klimatologisch gemiddelde aan. Die lijn gaat nog niet naar beneden, omdat de afkoeling in de laatste 11 jaar daarvoor nog te gering en te kort is. Het is echter zeer goed mogelijk, dat de afkoeling doorzet. Er kan ook een verdere opwarming volgen. Niemand kan dat voorspellen.

 

Het feit, dat de auteurs van het rapport, dat aan u is aangeboden, op dit gemakkelijk te controleren punt misleidende informatie geven ondermijnt het vertrouwen in het rapport, en ook in de door dat rapport aangereikte methode van ondergrondse co2-opslag.

Dat geldt voor veel meer zaken op dit terrein. De controverse[iii] [iv] [v] [vi] [vii] [viii] rond de fameuze ‘hockeystickgrafiek’ laat zien, dat de klimatologen er niet voor terugschrikken om toe te werken naar politiek gewenste resultaten. Ook bij een recent artikel over de opwarming van Antarctica [ix] heeft zich dit waarschijnlijk voorgedaan. De hoofdauteur van de hockeystickartikelen, Michael Mann, heeft zich tot het uiterste verzet tegen het inzage geven in de door hem gebruikte gegevens en de methode van analyse. Er is een interventie van de Amerikaanse Senaat [x] voor nodig geweest om hem opening van zaken te laten geven. Daarna bleek, dat de hockeystickgrafiek niet klopt: het kan niet ontkend worden dat het in de Middeleeuwen misschien wel net zo warm is geweest als in het eind van de twintigste eeuw. De eindeloos in de literatuur herhaalde mantra van ‘unprecedented late twentieth century warmth’ is niet te handhaven. Michael Mann heeft geweigerd het debat aan te gaan met degenen die zijn hockeystick hebben ontzenuwd.

Het IPCC heeft deze kwestie vervolgens in zijn rapport van 2007 down gespeeld. Het icoon van 2001 is in 2007 plotseling onbelangrijk geworden: of het nu wel of niet in de Middeleeuwen warm is geweest, de huidige opwarming is de schuld van door de mens uitgestoten broeikasgassen.

 

De klimaatwetenschap lijkt een gesloten kring, waarin een beperkt aantal grote ego’s de dienst uitmaakt. Artikelen waarin de theorie van de antropogene opwarming (AGW) in twijfel wordt getrokken en waarin op andere oorzaken wordt gewezen, worden zelden geplaatst. De gerenommeerde tijdschriften Science en Nature zijn geheel op de hand van de AGW-theorie. Discussie wordt in die tijdschriften zelden geduld. Op de door hockeystickauteur Mann geredigeerde website [xi] worden sceptici uit het debat geweerd; ook als ze goede argumenten hebben, zoals Steve McIntyre. Ik kan alles wat ik hier beweer – als u daar prijs op stelt – voor u documenteren op grond van een uitvoerige literatuurstudie die ik het afgelopen jaar heb uitgevoerd.

Ernstige argwaan is op zijn plaats ten opzichte van een wetenschap die zich zo opstelt. Ik begrijp wel waarom alles uit de kast wordt getrokken om vol te houden dat de Middeleeuwse warme periode en de kleine IJstijd niet hebben bestaan, of hoogstens tijdelijke, regionale verschijnselen zijn geweest. Elk voorbeeld van grote opwarming in het verleden door natuurlijke oorzaken verzwakt de theorie dat de mens de oorzaak is geweest van de ‘unprecedented anamalous warming’ die in 1998 (voorlopig) tot stilstand is gekomen. In een gezonde wetenschap zouden zulke zaken open besproken en gepubliceerd kunnen worden, waarna zo nodig de theorie herzien wordt. In een gepolitiseerde wetenschap als de klimaatwetenschap gebeurt dat niet. Als relatief eenvoudig controleerbare zaken niet kloppen, zoals de hockeystick en de bewering van de steeds snellere opwarming, welk geloof moeten we dan hechten aan veel complexere zaken, zoals de gekoppelde klimaatmodellen? Waarom moeten we geloven, dat co2 de grote boosdoener is voor het klimaat, als dat uit de fysische eigenschappen van deze stof niet verklaard kan worden? co2 absorbeert namelijk maar een kleine band infrarode straling op de golflengten waar waterdamp geen infrarode straling absorbeert. De klimaatwetenschap heeft modellen met oncontroleerbare terugkoppelingsmechanismen nodig om toch met co2 de opwarming te verklaren. De beperkte afkoeling sinds 1998 is – voor zover ik in de literatuur heb gevonden – door geen enkel klimaatmodel voorspeld, laat staan dat de modellen in staat zijn iets te zeggen over de komende eeuw. Toch is er al een modeluitkomst gepubliceerd, waarin het effect van co2 voor de komende paar duizend jaar onomkeerbaar [xii] wordt genoemd, en in een boek wordt zorg uitgesproken, dat er door menselijke activiteit de komende half miljoen jaar geen ijstijd [xiii] op aarde meer mogelijk zal zijn. Los van de vraag, of we daar rouwig over moeten zijn[xiv], vraag ik me af hoe serieus we zo’n wetenschap moeten nemen. Ik heb de sterke indruk, dat de klimaatwetenschap bezig is met een vlucht naar voren.

 

Het lijkt niet verantwoord om op grond van de hierboven geschetste stand van de klimaatwetenschap grote investeringen te doen in ondergrondse opslag van co2 of zware restricties in te voeren op het gebruik van fossiele brandstof.  Het lijkt veel beter de co2 voorlopig op te slaan in de lucht. Gezien de ontwikkelingen in de twintigste eeuw zijn er dan de komende eeuw nog geen rampen te verwachten. Bovendien heeft dit het voordeel, dat de co2 beschikbaar is voor opname door planten en bomen, geen overbodige luxe in een ontbossende wereld. Bijna 50% van de co2 die jaarlijks wordt uitgestoten, wordt opgenomen door oceanen en biosfeer. [xv] Indien in de komende vijftig jaar mocht blijken, dat co2 toch schadelijk is, dan kunnen komende generaties wel processen ontwikkelen om de co2 alsnog uit te lucht te halen. Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen, dat met behulp van veilige kernenergie, die in uw visie over 30 jaar beschikbaar is, op een aantal punten op aarde grote co2-fixatiefabrieken worden gebouwd, die co2 uit de lucht halen en vastleggen in onschadelijke moeilijk afbreekbare vaste stoffen, waarmee heuvels worden opgeworpen in onbewoonde woestijngebieden. Misschien is tegen die tijd voor dit doel ook energie uit kernfusie beschikbaar. Als zulke fabrieken met voldoende capaciteit 50 jaar achter elkaar draaien, is het mogelijk het co2-gehalte van de atmosfeer terug te brengen tot pre-industriële niveaus.  Het lijkt me voor de chemische technologen van de toekomst een schitterende uitdaging om die fabrieken te ontwerpen.

Als u vindt, dat ik nu vloek in de kerk, omdat de oorzaken van de oorzaken van klimaatverandering en de gewenste oplossingsrichtingen al lang een politiek feit zijn, dan doe ik er verder het zwijgen toe. Tegen die opvatting is geen argumentatie opgewassen. Maar als u open staat voor een niet-dogmatische analyse van de situatie in de klimaatwetenschap, dan ben ik gaarne bereid het bovenstaande voor u of uw ambtenaren toe te lichten.

En overigens ben ik het geheel met u eens, dat we zo snel mogelijk onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen moeten verminderen en waar dat mogelijk is moeten overgaan op duurzame energie, zodat fossiele brandstoffen zo lang mogelijk gespaard kunnen worden voor die doeleinden waarvoor ze moeilijk vervangbaar zijn. Dat zijn no-regret opties, waar geen klimaatwetenschap voor nodig is.

 

Met vriendelijke groet,

Dr. Ir. Frans Y. Dijkstra

Ommen

 

Curriculum vitae:

1964-1970 studie scheikundige technologie aan de TUD

1970-1979 onderzoeker aan de TUD, promotie in 1976

1979-2007 beleidsambtenaar ministerie van OCW, het laatst als hoofd analyse hoger onderwijs

Sinds 2008 gepensioneerd, o.a. bezig met literatuuronderzoek over klimaatverandering, op zoek naar een objectief oordeel over de deugdelijkheid van de onderbouwing van de opwarmingstheorie.

 

Noten

Climate Research Unit, University of East Anglia, http://www.cru.uea.ac.uk/cru/data/temperature/hadcrut3vgl.txt

[1] IPCC Third Assessment Report  (2001). De hockeystick is in dit rapport te vinden in diverse gedaanten. De meest extreme variant staat in de ‘Summary for Policy Makers,’ pagina 34, figuur SPM-10b

[1] Een handzame beschrijving van de controverse: http://en.wikipedia.org/wiki/Hockey_stick_controversy. 

 

[1] Michael E. Mann, Raymond S. Bradley, Malcolm K. Hughes – Global-scale temperature patterns and climate forcing over the past six centuries - Nature 392(1998), 779-787

 

[1] Willie Soon, Sallie Baliunas – Proxy climatic and environmental changes of the past 1000 years - Climate Research 23(2003), 89-110

 

[1] Stephen McIntyre, Ross McKitrick – Corrections to the Mann et al (1998) proxy data base and northern hemispheric average temperature series – Energy & Environment, 14(2003), 751-771

 

[1] Stephen McIntyre, Ross McKitrick – Hockey sticks, principal components, and spurious significance –

Geophysical Research Letters 32(2005), L03710

 

[1] Anders Moberg, Dmitry M. Sonechkin, Karin Holmgren, Nina M. Datsenko, Wibjörn Karlén - Highly variable Northern Hemisphere temperatures reconstructed from low- and high-resolution proxy data – 

Nature, 433(2005), 613– 617

 

[1] Steig et al –  Warming of the Antarctic ice-sheet since the 1957 International Geophysical Year –

Nature 457, 459-462 (22 January 2009)

 

[1] Edward J. Wegman, David W. Scott, Yasmin H. Said – Ad hoc committee report on the ‘Hockey Stick Global Climate Reconstruction’ – http://www.uoguelph.ca/~rmckitri/research/WegmanReport.pdf

 

[1] http://www.realclimate.org

 

[1] Susan Solomon, Gian-Kasper Plattner, Reto Knutti, Pierre Friedlingstein – Irreversible climate change due to carbon dioxide emissions – Proceedings NAS 106(2009), 1704-1709

 

[1] Archer, D. The Long Thaw: How Humans Are Changing the Next 100,000 Years of Earth's Climate (Princeton Univ. Press, 2008)

 

[1] Een nieuwe ijstijd zou vele malen erger zijn dan een zeespiegelstijging van een of twee meter.

 

[1] Dit blijkt uit de verhouding tussen de totale hoeveelheid co2 die in een jaar wordt uitgestoten en de daaruit resulterende toename in de atmosfeer.

 

 

20 februari 2009 De schijnwetenschap van het CPB (2)

Op 10 december schreef ik op deze website, dat de prognoses van het Centraal Planbureau onverantwoorde schijnwetenschap zijn. Het CPB voorspelde toen een economische krimp van 0,75% in 2009, gevolgd door een lichte groei in 2010. Ik vond dat het CPB zulke voorspellingen beter voor zich kan houden, vanwege de zeer beperkte houdbaarheid, die ze ongeschikt maakt om iets te zeggen op een termijn van een half jaar of langer. De CPB-voorspellingen zijn niet veel langer bruikbaar dan de weersvoorspellingen, en we weten allemaal, dat niemand het weer van de komende zomer kan voorspellen. Dagblad Trouw, waaraan ik deze column ook had toegestuurd zette er daarom als kop boven ‘CPB voorspelt het weer van de komende zomer.’

Deze week kwam het CPB met nieuwe prognoses. Directeur Teulings had er zijn somberste gezicht voor opgezet, en de verwachtingen logen er niet om: in 2009 wordt nu een krimp van 3,5% verwacht, vijf keer zo hoog als in december. En het CPB weet helemaal niet of het hier bij blijft en hoe lang de krimp na 2009 nog zal doorgaan. Ik kan nu triomfantelijk roepen: ‘heb ik in december te veel gezegd?’ maar dat is te gemakkelijk, want het antwoord is ‘nee, ik heb in december niet te veel gezegd, ik heb veel te weinig gezegd!’ Want ook ik heb in december niet gedacht, dat een krimp van 3,5% voor 2009 het meest waarschijnlijke scenario zou zijn. En dat brengt me direct tot de vraag, of we dit nieuwe scenario van het CPB dan wel moeten geloven. Ik denk van niet.

Teulings en zijn metgezellen hebben blijkbaar ingezien, dat ze in december veel te voorzichtig waren. Berichten over snel slinkende orderportefeuilles bij het Nederlandse bedrijfsleven waren er toen ook al. Het CPB had dat veel beter kunnen zien dan eenvoudige burgers zoals ik. Maar dat zag het blijkbaar niet. Nu heeft men daar kennelijk gedacht: ‘Laten we nu niet meer te voorzichtig zijn. Het weer van de komende zomer kunnen we niet voorspellen. We moeten maar op het klimatologische extreem gaan zitten.’ De analogie bij de weersvoorspelling zou zijn, dat we proberen de minimumtemperatuur op 1 april a.s. te voorspellen, dat is over een week of 6. De computermodellen helpen daarbij niet, want die kunnen maar 14 dagen vooruit rekenen. Dus zijn we aangewezen op klimatologische gegevens. De gemiddelde minimumtemperatuur in De Bilt op 1 april was in de periode van 1901 tot en met 2008 3,1 graad Celsius. Dat is de meest waarschijnlijke prognose. Maar als we zeker willen zijn, dat we niet te laag ramen, dan kunnen we ook -5,8 graden zeggen. Dat is de laagste minimumtemperatuur die op 1 april is waargenomen sinds 1 april 1901 oftewel het klimatologische extreem. Dat doet het CPB nu met de raming van de economische groei: men kiest de laagste groei die zich sinds 1901 ooit heeft voorgedaan, een krimp van 3,5% in één jaar in de grote economische depressie van de jaren dertig.

Met intelligent ramen heeft dit alles natuurlijk helemaal niets meer te maken. Ik kan niet veel meer doen dan dicht bij mijn advies van december blijven. ‘Niet in paniek raken en geen nieuwe dingen doen’ schreef ik toen. Ik zou het nu willen amenderen tot ‘niet in paniek raken en geen gekke dingen doen.’ Want dat de regering nu wel iets moet doen lijkt me onontkoombaar: de belastinginkomsten hollen achteruit. Maar daar is het kabinet nu dan ook voortvarend mee bezig. Het lijkt me wel een leuke weddenschap om te gokken op wat het kabinet gaat doen om meer belasting binnen te krijgen. Ik voorspel, dat de bestaande taboes wel in stand zullen blijven. De hypotheekrenteaftrek zal wel in tact blijven, en de aanrechtsubsidie ook. Wat is dat laatste overigens een vreselijk denigrerend woord voor het bescheiden belastingvoordeel dat twee volwassenen krijgen als ze vinden dat ze samen wel van één inkomen kunnen leven!

Het zou me niet verbazen als er nu wel een voorstel komt om de AOW-leeftijd vanaf 2011 met één maand per jaar op te rekken. Van mij zouden ze daar ook in 2010 al mee mogen beginnen, dan kan ik voor mijn 65ste nog één keer één maand AOW uit eigen zak betalen. Het lijkt me prima als dit nu, zogenaamd onder druk van de huidige economische crisis, eindelijk eens besloten wordt. Dan hoeft het in de volgende verkiezingen geen rol meer te spelen. Maar voor het dreigende enorme begrotingstekort in 2009 lost deze maatregel natuurlijk niets op.

Ik voorspel, dat twee maatregelen in ieder geval genomen worden,

  • Een verhoging van de benzineaccijns met 15 cent per liter. Niemand zal dit aan de pomp leuk vinden, maar de maatregel werkt redelijk gelijk uit voor alle enigszins welvarende bevolkingsgroepen. De echte armen hebben er geen last van, want die hebben geen auto, en de veelrijders worden het meest getroffen. Het lijkt me allemaal niet onredelijk. Natuurlijk moet het wel de vorm krijgen van een tijdelijke verhoging, die wordt teruggedraaid als de olieprijs boven de 100 dollar per vat komt, maar dat zijn ze in Den Haag dan al lang vergeten.
  • Een verhoging van het huurwaardeforfait, gepaard gaande aan een kleine huurverhoging voor gesubsidieerde woningen. Dit verstoort de huizenmarkt niet, behandelt huiseigenaren en huurders gelijkelijk en levert voor de schatkist een leuke compensatie voor het in stand houden van de hypotheekrenteaftrek. 

Voor 1 april zullen we het weten. De kans dat ik gelijk heb lijkt me aanzienlijk groter, dan de kans dat het op 1 april 5,8 graden vriest. Men zal nog van mij horen.

 

6 februari 2009 Politieke uitruil

We konden er op wachten. De PvdA heeft met succes een CDA-punt uit het regeerakkoord afgeschoten. Er komt een onderzoek naar de besluitvorming over de zogenaamde ‘politieke steun’ aan de inval in Irak. Zo’n nederlaag van een coalitiepartij kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven. En jawel, gisteren kwam minister Camiel Eurlings met een voorstel om de vliegtaks af te schaffen, een PvdA-punt in het regeerakkoord. De eerste reactie uit PvdA-kringen is natuurlijk afwijzend: vliegpassagiers moeten betalen voor de belasting van het klimaat en het milieu. Maar bij de PvdA zijn ze natuurlijk niet dom. Ze hebben voorzien, dat het CDA compensatie zal willen voor het Irak-onderzoek, en ze hebben meteen een volgend punt op tafel laten leggen: Guusje Terhorst stelde deze week voor, om een bindend correctief referendum in te voeren, hoewel in het regeerakkoord is afgesproken, dat geen wezenlijke veranderingen zullen worden aangebracht in de representatieve democratie. Uit CDA-kringen kwam natuurlijk meteen een afwijzende reactie. Hiermee staat de teller voorlopig op 2-1 voor de PvdA, geteld in aantal voorstellen en 1-0 in aantal gerealiseerde voorstellen. We mogen dus de komende weken nog minstens één CDA-voorstel verwachten. Na het volgende CDA-bewindsliedenoverleg horen we waarschijnlijk meer.

 

Ik stel me voor, dat het in dat bewindsliedenoverleg anderhalve week geleden ongeveer het volgende gezegd is.

 

Jan Peter: ‘Ik hou dat Irak-onderzoek niet meer tegen, nu die idioot van een Armitage uit de school heeft geklapt.’

Maxim: ‘Ik kan er waarschijnlijk langs diplomatieke weg wel voor zorgen dat Armitage zijn woorden inslikt.’

Jan Peter: ‘Dat is niet genoeg. De geest is uit de fles. Straks wil de Kamer Armitage zelf horen, en wat hij dan weer gaat zeggen is onvoorspelbaar. Ik denk nu aan een vlucht naar voren. Ik kondig maandag gewoon een onderzoek aan, maar door een paar goede vrienden, en achter gesloten deuren. Dan zijn we in ieder geval weer een jaar verder.’

Maxim: ‘Maar wat doe je dan als Mariëtte Hamer na dat jaar alsnog een enquête wil? Dan bungelt de CDA-leider straks als getuige in een openbaar verhoor.’

Jan Peter: ‘Ach, voor die tijd heb ik die baan in Brussel wel. En dan kan Camiel zich alvast warm lopen als lijsttrekker bij de volgende verkiezingen.’

Maria: ‘Maar wat krijgen wij dan terug, als we dit Irak-onderzoek aan de PvdA geven?’

Camiel: ‘Ik weet wel wat. Het gaat niet goed met Schiphol. Wij staan in de hele wereld voor gek met die vliegtaks. Zaventem en Düsseldorf lachen in hun vuistje, en als we niet oppassen, gaan straks de Schiphol-passagiers met de TGV naar Parijs of Londen om van daar belastingvrij naar de rest van de wereld te vliegen. Ik wil wel voorstellen de vliegtaks af te schaffen, als het mag van Jan Cees.’

Jan Cees: ‘Daar moet ik eigenlijk tegen zijn, want het betekent minder belastinginkomsten. Maar als we nu eens door het CPB de inverdieneffecten laten berekenen, zoals hogere BTW-inkomsten op vliegtickets en verkopen op Schiphol, dan kan het misschien wel budgettair neutraal.’

Maria: ‘Ik kan er wel voor zorgen, dat het CPB daar op uitkomt.’

Jan Peter: ‘Mooi, dan mikken we daar als eerste op. Maar het zijn toch wat ongelijksoortige dingen. Dat Irak-onderzoek is alleen maar praten over politieke steun aan mijn goede vriend George Bush. Maar bij de vliegtaks gaat het over geld en milieu. We moeten ook nog wat onderwerpen hebben waar geen geld bij betrokken is.’

Maria: ‘Ik wil wel weer openlijk gaan praten over kernenergie. We ontwerpen nog geen enkele centrale, er gaat geen spade de grond in, maar we komen wel in 2010 keihard tot de conclusie, dat de enige manier om de CO2-uitstoot te verminderen is om binnen 10 jaar vier nieuwe kerncentrales te bouwen.’

Jan Peter: ‘Daarmee zit je wel op een ramkoers met Jacqueline Cramer, net nu we hebben in Brussel hebben geregeld, dat zij een miljard ton CO2 onder de grond gaat opslaan. Dan zijn meteen alle lege gasvelden en zoutkoepels vol. Waar wil jij dan naartoe met al dat nucleaire afval?’

Maria: ‘Jan Peter, weet je wel hoe lang die CO2 van Jacqueline daar moet blijven zitten? Tot in de eeuwigheid! Nucleair afval is na een paar eeuwen uitgewerkt.’

Jan Peter: ‘OK, laten we nu niet op de inhoud ingaan. Dit lijkt me een goed punt. Is er nog meer te verwachten van de PvdA?’

Ernst: ‘Ik heb gehoord van mijn ambtenaren die Femke Halsema helpen bij haar voorstel voor een referendum, dat Guusje Terhorst het misschien wil overnemen.’

Piet Hein: ‘Maar dat kan helemaal niet! We hebben afgesproken, dat we dat niet zouden doen in deze kabinetsperiode.’

Jan Peter: ‘En daarom zeggen we natuurlijk meteen nee. Maar als het op tafel ligt, wat hebben wij dan nog om ter discussie te stellen? De hypotheekrenteaftrek?’

Maxim: ‘Nee, die willen wij toch houden? De PvdA wil hem afschaffen.’

Jan Peter: ‘Jawel, maar wij kunnen toch voorstellen om hem uit te breiden? Dat zou nog eens een stimulans zijn voor de woningmarkt. Daar is in deze crisistijd best behoefte aan. Jan Cees, kun je dat ook budgettair neutraal invullen?’

Jan Cees: ‘O best. Als we voor iedereen de aftrek berekenen voor het hoogste belastingtarief, dan kan de PvdA niet meer zeggen, dat alleen veelverdieners er van profiteren. En de kosten daarvan verdienen we terug met de overdrachtsbelasting op bestaande huizen, en BTW op nieuwe huizen. Zolang een huis niet verkocht is, vangen we daarvan niets. Dat kan het CPB best voor ons uitrekenen.’

 

Ben ik te cynisch met dit verhaal? Best mogelijk. We mogen niet uitsluiten, dat in de politiek integere afwegingen plaatsvinden, en dat de voorstellen van Camiel Eurlings en Guusje Terhorst geheel toevallig in dezelfde week vielen als waarin Balkenende door de bocht ging met het Irak-onderzoek. Laat de geschiedenis hier maar over oordelen. Vooralsnog lijkt me de in dit gesprek geschetste gang van zaken helemaal niet uitgesloten. Ik kan me zelfs wel voorstellen, dat er nog een hoger masterplan achter zat. Wie weet heeft zich twee weken geleden tussen Wouter Bos en premier Balkenende het volgende gesprekje afgespeeld.

 

Jan Peter: ‘Dat was niet zo slim van jou, Wouter, om te laten lekken, dat ik zo graag naar Brussel wil. Halverwege de kabinetsperiode kan dat natuurlijk niet. Nu moet ik het gaan ontkennen, en dat verlaagt mijn kansen als het zover is.’

Wouter: ‘Ach Jan Peter, die baan krijg je toch wel. Als Merkel en Sarkozy begrijpen, dat die politieke Irak-steun aan Bush en Blair eigenlijk nergens op gebaseerd was, dan zit je weer in hun kamp, en dan steunen ze je. Dus ga nu eerst maar akkoord met een onderzoek over Irak, dan komt de rest ook wel.’

Jan Peter: ‘Dus het regeerakkoord open breken? Je begrijpt natuurlijk wel, dat daar iets tegenover moet staan.’

Wouter: ‘Natuurlijk, als jij met een Irak-onderzoek komt, wil ik best op een van onze punten toegeven. Laat een van jouw mensen maar een proefballon oplaten. Ik zal hem niet bij voorbaat doorprikken.’

Jan Peter: ‘Nou goed, maar we laten het bij één punt van beide kanten. Als jullie nog iets anders bedenken, is het eind zoek. En dan moet Rouvoet ook nog ergens scoren. Voor je het weet zitten we weer in Beetsterzwaag met Herman Wijffels de brokken te lijmen.’

Wouter: ‘Ach Jan Peter, daar komen we ook wel weer uit. En het was toch best gezellig daar?’

 

Zo is het misschien gegaan. Dat openingsbod van Eurlings om de vliegtaks af te schaffen haalt het natuurlijk niet. Daar gaat de minister van milieu dwars voor liggen, en voor de tweede keer in een paar maanden een PvdA-vrouw naar huis sturen, dat kan natuurlijk niet. Ik vind het trouwens onzin, dat Schiphol verliesgevend zou worden als er 20% minder passagiers komen. Er zijn genoeg luchthavens die nog niet een kwart van dat aantal passagiers hebben. Een kwestie van tijdig afslanken van je organisatie, dat kunnen economen prima uitleggen. Dus dit voorstel van Eurlings haalt het niet. Op zijn beurt gaat dan het CDA en bloc voor het voorstel voor een referendum liggen – je moet de parlementaire democratie serieus nemen, niet waar? En ik voorspel, dat dan Maria van der Hoeven met een proefballon komt over praten over kernenergie. Praten geeft geen radioactieve straling, dus daar kan de PvdA wel mee instemmen. 

 

13 december 2008 Klimaatbeleid

De Europese regeringsleiders hebben onder de voortvarende leiding van de Franse president Sarkozy een akkoord bereikt over het klimaatbeleid. Milieugroepen hebben het akkoord meteen afgekeurd, maar politici zijn tevreden en spreken van een historisch akkoord. Er zijn drie duidelijk meetbare doelstellingen geformuleerd, waarin het getal 20 een mooie rol speelt.

  • De CO2-uitstoot moet in 2020 20% lager zijn dan nu.
  • 20% van de energie moet in 2020 duurzaam zijn.
  • Het stroomverbruik moet in 2020 met 20% zijn gedaald.

In de kranten die ik lees en de televisieprogramma’s die ik zie, is nergens opgemerkt, dat deze drie doelstellingen niet onderling onafhankelijk zijn. Als het stroomgebruik met 20% wordt verlaagd, terwijl de omvang van duurzame energiebronnen op het huidige niveau blijft van ongeveer 7%, dan hebben we bij de stroom al een vermindering van de CO2-uitstoot van meer dan 20% bereikt, om precies te zijn 20/93 = 21,5%. Als daarnaast het aandeel van duurzame energie in de stroom verhoogd wordt naar 20%, dan daalt de CO2-uitstoot met 20/80 = 25%. Daarmee wordt de totale CO2-uitstoot nog niet met 25% terug gebracht, omdat er ook nog CO2-uitstoot is van het wegverkeer en van de huishoudens (voornamelijk gasverbruik voor verwarming). Dat kunnen we verminderen door woningen nog beter te isoleren, auto’s nog zuiniger te maken, minder kilometers te rijden, of auto’s en huisverwarming op elektriciteit te laten draaien. Maar dat laatste verstoort de doelstelling van 20% minder stroomgebruik. Het is niet zo simpel om de onderlinge afhankelijkheid van deze drie Europese klimaatdoelstellingen te overzien, maar het zijn stuk voor stuk opties waar niemand ooit spijt van hoeft te krijgen. Elke besparing op de niet-duurzame energiebronnen is goed, voor de huidige generaties, en vooral voor latere generaties.

 

Wat ik niet zo’n goed idee vind is de opslag van CO2, om de uitstoot te verminderen. Vooral Nederland heeft daar in het Europese overleg op aangedrongen, en heeft ook zijn zin gekregen. Ik vind het een dwaas plan. Ik heb daar drie redenen voor:

·         Door opslag van CO2 brengen we het gebruik van fossiele brandstoffen niet terug. De olie, gas en kolen worden wel verbrand, alleen de daaruit resulterende CO2 wordt opgeslagen. De daarvoor noodzakelijke technologie is nog niet klaar. De CO2 moet uit de verbrandingsgassen worden gehaald. Iedere scheikunde student weet hoe dat kan, bij voorbeeld door de verbrandingsgassen door natronloog te leiden, waarin de CO2 als natriumcarbonaat (soda) gebonden wordt. Dit proces kost veel natronloog en we krijgen een enorm soda-overschot, maar dat kan in afgedankte zoutmijnen worden opgeslagen. We kunnen de CO2 ook in gasvormige vorm terugwinnen uit de soda, waarbij we ook de natronloog terugwinnen, en dan kunnen we de CO2 in gasvorm opslaan in oude aardgasvelden. Er zijn ook modernere methoden, maar ze hebben allemaal één ding gemeen: ze kosten extra energie, 10 tot 40%. CO2-neutrale verbranding van fossiele brandstof kan dus wel 40% duurder zijn.

·         CO2 is in zuivere vorm een gevaarlijk gas. In een concentratie van 0,03% in de lucht is het onschadelijk, en zelfs absoluut noodzakelijk voor de plantengroei. Maar in hoge concentraties verdringt CO2 de zuurstof, en werkt het verstikkend. CO2 is bovendien zwaarder dan lucht, zodat een ontsnappende CO2-wolk eerst aan de grond blijft hangen voor hij zich mengt met de atmosfeer. In een horrorscenario kan de bevolking van een hele stad stikken omdat een ondergrondse CO2-bel gaat spuiten. Dat risico moeten we niet overdrijven, maar omwonenden van een CO2-opslagplaats kunnen hier wel eindeloos over procederen.

·         CO2-opslag kan alleen de opwarming van de aarde tegengegaan, als er werkelijk een relatie is tussen de CO2-concentratie in de lucht en het broeikaseffect. Er zijn veel mensen die dit geloven, maar er zijn weinig mensen die de feiten kunnen controleren en beoordelen. Er zijn ook mensen die de feiten wel kunnen controleren en beoordelen, maar die niet geloven dat er een relatie is tussen CO2 en opwarming van de aarde. Er is natuurlijk ook nog een categorie mensen die de feiten niet kunnen controleren, maar die niet geloven dat de relatie tussen CO2 en opwarming bestaat. Voorlopig reken ik mezelf tot deze laatste categorie. Pim Fortuyn hoorde daar ook bij. Zolang deze relatie niet vaststaat vind ik het onverantwoord om grote bedragen te besteden aan onderzoek naar CO2-opslag.

Kortom, ik zeg over de ondergrondse CO2-opslag: begin er niet aan. Laat de koolstof zo lang mogelijk zitten waar het zit, door de fossiele brandstoffen langzamer op te gebruiken. Maar als ze toch verbrand worden, laat dan de CO2 maar mooi mengen met de atmosfeer. CO2 hoort in de lucht, niet in de grond.

 

10 december 2008 De schijnwetenschap van het CPB

In 1964 ging ik met 6 klasgenoten van de HBS in Delft studeren. Voor 4 van hen bleek de technische studie te moeilijk. Zij zwaaiden na een half jaar om naar economie in Rotterdam. Deze ervaring, gevoegd bij de simplistische economielessen die ik op de HBS heb genoten, heeft voor mijn verdere leven het beeld van de economische wetenschap bepaald. Nu we in de huidige crisis dagelijks economen op de televisie hun visie zien geven, wordt dit beeld alleen maar bevestigd. Economen komen niet verder dan het geven van verklaringen achteraf. Geen enkele bankdirecteur heeft de gevolgen van de Amerikaanse hypotheekcrisis zien aankomen. Ze handelden in producten die ze zelf niet begrepen. Ook de toezichthouders, allemaal gestudeerde economen, deden niets, omdat over deze ingewikkelde producten niets in hun voorschriften stond. Maar ze kunnen wel achteraf verklaren hoe het kon gebeuren, en waarom zij er niets aan konden doen.

Deze alom gebleken onbekwaamheid belet economen niet om met grote stelligheid beweringen te blijven doen. Weliswaar zegt elke econoom iets anders, en zegt eenzelfde econoom vandaag iets anders dan een maand geleden, maar de stelligheid waarmee de beweringen gedaan worden is er niet minder om.

Het Centraal Planbureau voorspelt voor 2009 economische krimp, een oplopende werkloosheid en een oplopend financieringstekort. Maar gelukkig daalt de inflatie volgens het CPB in 2009 tot 1,5% en in 2010 tot 1%, mede dankzij de dalende olieprijs. Het CPB meent blijkbaar dat er gefundeerde uitspraken mogelijk zijn over de olieprijs in 2010. Een half jaar geleden kostte de olie $150 per vat. De regering heeft – in een begroting die is door gerekend door het CPB – de aardgasopbrengsten in de begroting voor 2009 gebaseerd op een olieprijs van $120. Thans staat die op $40, en het CPB denkt, dat dit wel ongeveer zo blijft tot 2010.

Ik voorspel niets, maar het zou mij zeer verbazen als deze voorspellingen uitkomen. De voorspellingen van het CPB hebben een zeer beperkte houdbaarheid, niet veel meer dan één maand. Dat is iets beter dan de weersverwachting, maar ongeschikt om iets te zeggen over 2009 en 2010. Toch doen deze economen dit! Het komt op hetzelfde neer als wanneer het KNMI aan boeren adviezen zou geven op grond van een voorspelling van het weer in de komende zomer. Het KNMI weet dat het dat niet kan, en doet zoiets dan ook niet. Het CPB weet ook wel, dat ze niets kunnen voorspellen, maar ze doen het toch, want ze zijn er voor in het leven geroepen en ze worden er voor betaald. Ik noem dit onverantwoorde schijnwetenschap, waar helaas een groot deel van de politiek en journalistiek gevoelig voor is.

Het is overigens niet hun schuld, dat economen niets kunnen voorspellen. De wereldwijde economische ontwikkeling is de optelsom van de individuele beslissingen van miljarden burgers en miljoenen bedrijven en overheden. Al die beslissingen zijn in meerdere of mindere mate psychologisch beïnvloed en extreem gevoelig voor de waan van de dag. Dat is een veel te ingewikkeld systeem om prognoses voor te maken: de daarvoor noodzakelijke gegevens en theorieën zijn niet beschikbaar. Om precies dezelfde reden zijn weersverwachtingen op een termijn langer dan ongeveer een week niet mogelijk. De economie zou een echte wetenschap worden, als men een deugdelijke berekening van de onzekerheden zou uitvoeren en zijn voorspellingen daar door zou laten leiden. In de natuurkunde kent men het onzekerheidsprincipe van Heisenberg. Zoiets heeft de economie ook nodig.

Gelukkig trekt het CPB wel de enig juiste conclusie voor de regering: niet in paniek raken en geen nieuwe dingen doen, de verdere ontwikkelingen afwachten. Bondskanselier Merkel komt in Duitsland tot precies dezelfde conclusie. Zij weet dat je niets moet doen als je niet weet wat dat voor gevolgen heeft. Een wetenschappelijk juiste houding. Maar Merkel is dan ook geen econoom, maar natuurkundige.

 Deze column is – enigszins bekort – gepubliceerd in Trouw van 11 december 2008, en heeft geleid tot een interview op BNR Nieuwsradio op 12 december.

 

22 november 2008 Sprookje

Ik heb me afgevraagd of ik als goed republikein iets moet vinden van het boek ‘Juliana en Bernard’ van Cees Fasseur. Eerder heb ik mij op deze columnpagina al eens uitgelaten over deze oncontroleerbare geschiedschrijving met autorisatie van hare majesteit de koningin. Ik vond het niet aanvaardbaar dat één historicus het exclusieve inzagerecht krijgt in de koninklijke archieven om een kwestie te onderzoeken die van groot belang kan zijn voor het begrip van de nationale geschiedenis.

Na verschijning van het boek kunnen we echter concluderen dat het hier niet gaat om onderwerp dat beslist voor andere historici controleerbaar moet zijn.

 

Er is een archief van het koninklijk huis. In dat archief bevinden zich volgens mededelingen van de premier geen stukken die van zodanig nationaal belang zijn, dat ze in het Nationaal Archief thuishoren. Het zijn stukken die familieaangelegenheden betreffen, waar buitenstaanders niet in hoeven te neuzen. Ik weet niet of ik de premier wat dit betreft op zijn woord kan geloven, maar hij geniet de steun van de Tweede Kamer.

Er zijn veel meer particuliere archieven die voor buitenstaanders gesloten blijven zolang de rechthebbenden dat willen, hoe graag journalisten en historici ook anders zouden willen. Zo had bijvoorbeeld Barbera Smit, de schrijfster van de ongeautoriseerde biografe van Freddy Heineken, in 1996 graag het familiearchief en het bedrijfsarchief van de bierbrouwer willen raadplegen, maar dat is haar niet toegestaan. Een latere poging door Anne-Mieke Schutten leidde vijf jaar na zijn dood wel tot de onthulling van enkele bedrijfsgeheimen (o.a. dat Freddy Heineken niet van bier hield), maar ook voor haar bleef het Heineken-familiearchief gesloten.

 

Het archief van het koninklijk huis wordt beheerd door het hoofd van de koninklijke familie. Ik ken het huishoudelijk reglement van die familie niet, maar het lijkt me niet onlogisch dat het oudste of het meest competente lid van de familie die functie bekleedt. Misschien houden ze ook wel eens in de zoveel jaar een interne verkiezing voor een familiehoofd. Dat hoef ik niet precies te weten; algemeen bekend is, dat het huidige familiehoofd mevrouw Beatrix Von Amsberg-Von Lippe-Biesterveld is. Ik noem haar zo, en niet ‘de koningin’, omdat zij de functie van familiehoofd uitoefent uit hoofde van haar lidmaatschap van deze familie, niet als grondwettelijk staatshoofd. Het is een onbezoldigd bijbaantje met instemming van haar werkgever, de premier, die vindt dat dit niet onverenigbaar is met de baan waar ze voor wordt betaald. Ook op dit punt weet ik niet of ik de premier kan geloven, maar hij geniet de steun van de Tweede Kamer.

Welnu, het staat dit familiehoofd natuurlijk vrij om journalisten en historici of andere personen inzage te geven in alle of een deel van de stukken in het familiearchief. Het gebeurt wel vaker, dat bekende personen hun archief openstellen. Oud-politici dragen vaak hun archief bij testament over aan het Nationaal Archief. Dan kan er 4 jaar later weer een historicus of een politicoloog promoveren. De politicus is dan al een aantal jaren dood, maar even schittert hij dan weer in nationale aandacht, waarbij meestal blijkt, dat de geschiedenis milder oordeelt over de arme man dan het journaille tijdens zijn politieke leven. Dat moet postuum een heerlijk gevoel zijn, zo heerlijk zelfs, dat sommige oud-politici dat al tijdens hun leven proberen te krijgen door hun archief open te stellen voor journalisten. De vorige week overleden Norbert Schmelzer en zijn politieke kleinkind Dries van Agt zijn daar interessante voorbeelden van.

Het vrijgeven van delen van privé-archieven is een strategische beslissing, waar de rechthebbenden voordeel mee hopen te halen: een beter beeld in de geschiedschrijving, de ultieme tegenzet tegen de roddel en achterklap waaraan ze zich al jaren  ergeren, of gewoon omdat ze vinden dat mensen er van kunnen leren. Dit zijn geen objectieve motieven; het is dan ook niet nodig, dat het boek dat vervolgens geschreven wordt, objectief en controleerbaar is. Het is ook heel goed denkbaar, dat de opening van het privé-archief een eenmalig en exclusief karakter heeft. Eén boek met tegenpropaganda kan genoeg zijn.

 

Zo heeft ook mevrouw Beatrix het nuttig gevonden om het archief van het koninklijk huis open te stellen voor haar ‘vrind’ Cees Fasseur en voor niemand anders. Een privé-beslissing waar staatsrechtelijk niets mis mee is. In mijn vorige column over dit onderwerp sprak ik van ‘koninklijke geschiedschrijving’ maar dat blijkt het resultaat dus niet te zijn. Een onderhoudend weerwoord op de romans van Tomas Ross, dat is het. Niet meer en niet minder. En o ja, het is ook nog een dure verpakking voor het rapport van de commissie-Beel, dat nu eindelijk openbaar is gemaakt. Wie het boek alleen vanwege dit rapport koopt betaalt voor 17 pagina’s met verjaarde staatsgeheimen bijna 2 euro per pagina. Gelukkig hoeft dat niet meer: de tekst is inmiddels op het internet te vinden (http://www.nrc.nl/redactie/binnenland/beel.pdf).

 

Maar wat vind ik er nu als republikein van?

In de eerste plaats vind ik natuurlijk dat het boek van Fasseur opnieuw aantoont, dat het niet past bij een moderne democratische samenleving om eeuw in eeuw uit dezelfde familie in een glazen kooi te laten zitten, om een van hen een hoogbetaald symbolisch ambt te laten vervullen zonder verantwoordelijkheden, want de ministers zijn verantwoordelijk. Maar dat is geen nieuws, dat wisten we al sinds Johan de Witt.

In de tweede plaats heeft het boek een sprookje uit de wereld geholpen, namelijk dat door de affaire met Greet Hofmans de monarchie op de rand van de afgrond zou hebben gestaan. Juliana zou van Bernard hebben willen scheiden. Dat zou jammer geweest zijn voor Bernard: het zou hem o.a. zijn glansrol in de Lockeedaffaire hebben gekost, maar scheiden mag van de grondwet, daar gaat een monarchie niet aan stuk. Juliana zou vanwege de voorgenomen scheiding hebben willen aftreden, en er zou dan geen directe opvolger klaar hebben gestaan. Ook dat kan volgens de grondwet; de monarchie loopt daar geen enkel gevaar door. De vice-voorzitter van de Raad van State kan optreden als waarnemend staatshoofd, en het parlement kan een tijdelijke regent benoemen. Beide gevallen hebben zich al wel eens voorgedaan. Misschien had Bernard wel regent willen worden tot Beatrix meerderjarig was. En als er helemaal geen opvolger uit de koninklijke familie voortkomt kan het parlement een koning uit een andere familie benoemen. Ook dat is netjes geregeld in de grondwet. Dat lijkt me trouwens best leuk om eens mee te maken: het parlementaire spel dat aan de benoeming van een koning vooraf zou gaan. Dat lijkt wel wat op een presidentsverkiezing. 

De monarchie komt alleen in gevaar als tweederde van het parlement er van af wil, en daar leek het in de verste verte niet op. Zelfs als het staatsgeheime rapport van de commissie-Beel in 1956 naar het parlement was gestuurd zou die meerderheid er niet zijn geweest. Greet Hofmans kon de monarchie echt niet bedreigen. Het boek van Cees Fasseur ook niet.

 

15 november 2008 Moord met voorbedachten rade

De voorpagina van Trouw was vandaag gevuld met twee onderwerpen: de dood van Norbert Schmelzer en de opvolging van de minister van Wonen, Wijken en Integratie, Ella Vogelaar door Eberhard van der Laan. Bij beide gebeurtenissen moest ik denken aan moord met voorbedachten rade. In de nabeschouwingen van de politieke carrière van Schmelzer staat deze term letterlijk. Zo heeft de geschiedenis geoordeeld over de manier waarop Schmelzer in 1966 het kabinet-Cals naar huis stuurde. Dat het kabinet weg moest, stond bij de toenmalige KVP al maanden vast, en Schmelzer pakte in de naar hem genoemde nacht alleen maar een stok om de hond te slaan.

De tijd zal het leren, of de geschiedenis ook zo zal oordelen over het afserveren van Ella Vogelaar door de top van de PvdA. Reeds lang was daar besloten dat ze vervangen moest worden, maar men heeft gewacht tot een opvolger was gevonden aan wie de partij zich niet opnieuw een buil zou vallen in het integratiedebat. En zo zagen we dus gebeuren, dat een ministerspost slechts 12 uur vacant is geweest. Nadat Ella Vogelaar donderdagavond had gezegd ‘De PvdA-top heeft mij vanavond meegedeeld dat er geen vertrouwen meer is in mij als minister en daarom treed ik dus af’, verscheen haar opvolger vrijdagochtend al bij de koningin om beëdigd te worden. Volgens Wouter Bos moeten we daar niets achter zoeken, maar zijn het aftreden van Ella Vogelaar en het aantreden van haar opvolger gewoon los van elkaar ‘zorgvuldig’ behandeld. Ik vind ‘moord met voorbedachten rade’ (figuurlijk bedoeld) toch een betere omschrijving.

Nu ben ik nooit zo’n fan van Ella Vogelaar geweest. Ik vond haar benadering van het integratievraagstuk altijd wat zweverig. Ik weet niet of de Nederlandse identiteit bij haar wel in goede handen was en of alle bevolkingsgroepen zich thuis zouden voelen in de culturele smeltkroes die zij van onze samenleving wilde maken. De manier waarop zij bepaalde wijken aanwees om met belastinggeld te worden omgetoverd tot prachtwijken, en andere wijken niet, vond ik vrij willekeurig en ik kon me het ongenoegen voorstellen van sommige woningbouwverenigingen die er wel aan moesten meebetalen, maar er niet van mochten profiteren.

Maar de manier waarop haar partij haar heeft geloosd is natuurlijk zeer ongepast. Terwijl het politieke lijk nog boven de grond staat is de opvolger al aan de slag gegaan. De Tweede Kamer heeft nog niet eens de kans gehad om te debatteren over wat er fout ging bij Ella en hoe dat beter moet, en de PvdA en het kabinet gaan al weer over tot de orde van de dag.

Politiek is een hard bedrijf; men gaat over lijken. Wie een zwakke partij niet direct afschiet loopt kans bij een volgende gelegenheid zelf te worden afgeschoten. Wouter Bos, die in de kredietcrisis de regie al heel duidelijk naar zich had toe getrokken, tot ongenoegen van premier Balkenende, had er blijkbaar behoefte aan om te laten zien dat hij ook binnen zijn partij en in het PvdA-smaldeel van het kabinet de baas is. Ook voor Mariëtte Hamer was het een welkome kans om haar strengste gezicht te laten zien. Misschien heeft Wouter Bos hiermee wel de ideale uitgangspositie verworven om in een volgend kabinet premier te worden, met Mariëtte Hamer als minister van binnenlandse zaken. Een staaltje van openbare partijpolitieke machtstrijd. Boeiend, maar zeer onsmakelijk!

 

4 oktober 2008 Chapeau voor Wouter!

Ik wil er niet voor weglopen. Ik heb een paar weken geleden onaardige dingen gezegd over het economisch beleid van het kabinet. Mijn laatste oprisping sloot ik af met de opwekking aan Wouter Bos om er voor te zorgen dat mijn levensverzekeraars Fortis en Aegon niet failliet gaan, dan hoefde hij zich over mijn gepensioneerde koopkracht geen zorgen te maken.

Welnu, ik ben blij, dat de minister van financiën mijn columns leest. Ik had niet gedacht dat hij er binnen een week zoveel werk van zou maken, maar voor mij kan deze minister niet meer stuk. Voor zijn maatregelen voor de redding van Fortis zal ik hem altijd dankbaar blijven. 

Nu heb ik nooit gedacht dat Fortis er zo slecht voor stond, dat een faillissement dreigde. Alle verplichtingen van Fortis waren wel gedekt door bezittingen, en daar waren niet zo heel veel dubieuze Amerikaanse hypotheek- en creditkaartleningen bij. Ook mijn levensverzekering bij Fortis is volledig afgedekt met staatsleningen, zodat ik mij niet echt zorgen maakte over de uitkering die ik 2011 verwacht.

Maar een bank heeft een achilleshiel, zoals ik deze week las. Ik had me dat nooit gerealiseerd, maar het is zo: als alle klanten tegelijk hun geld van de bank willen halen, dan gaat het mis. Want de spaarsaldi zijn wel gedekt door vorderingen, maar dat geld is niet direct opvraagbaar. Zo kan een bank, die alleen gezonde hypotheken heeft uitstaan, in grote moeilijkheden komen als te veel klanten hun geld willen opnemen. En dat schijnt de afgelopen week bij Fortis gebeurd te zijn.

Daarin heeft de regering krachtig ingegrepen door het Nederlandse deel van Fortis in zijn geheel op te kopen, waarmee alle financiële zorgen van Fortis in één klap worden omgezet in staatsleningen. Niet alleen is mijn levensverzekering hiermee nu dubbel en dwars gedekt, maar ook zou het mij niet verbazen als die meer gaat opbrengen, omdat de rente op staatsleningen wel zal gaan stijgen. Een dubbel chapeau voor Wouter Bos!

1 oktober 2008 Het geheugen van Rita

Rita Verdonk heeft tenslotte toegegeven, dat ze in de jaren ‘70 lid is geweest van de PSP. Geconfronteerd met een aanmeldingsformulier waarop haar echte handtekening stond kon ze er niet meer omheen. Haar eerdere ontkenningen deed ze af met ‘ik heb me vergist’. Zoals een columnist in Trouw treffend opmerkte: ze mompelde één minuut iets in de staart van Nova op een avond, dat alle aandacht ging naar de ingestorte beurzen van Zwarte Maandag.

Zo’n partijlidmaatschap lijkt mij een zaak waarin men zich niet kan vergissen. Ik heb de jaren ’70 ook heel bewust meegemaakt, en ik weet nog precies van welke linkse clubs ik toen lid was, en welke boze brieven ik aan allerlei instanties heb gestuurd. Ik doe dat hier niet precies uit de doeken, want als ik nog eens kandidaat sta voor een gewichtige functie wil ik natuurlijk niet dat het tegen me gebruikt wordt.

Natuurlijk wist ook Rita dat ze lid is geweest van de PPR en de PSP, net zo goed als dat ze precies weet hoe actief ze is geweest in de kraakbeweging. De enige grond voor haar ontkenningen was natuurlijk, dat ze aannam, dat het tegendeel niet te bewijzen zou zijn. Dat was dus een misrekening. Ledenlijsten van partijen die al lang zijn opgeheven blijken nog steeds vindbaar, en zelfs de aanmeldingsformulieren bestaan nog.

Nu begrijp ik niet zo goed waarom Rita haar linkse verleden wilde ontkennen. Dat is toch ook best iets om trots op te zijn? Menige trotse Nederlander van nu was in zijn jonge jaren links. Als je jong bent geloof je nog helemaal in het goede in de mens. Dan wil je een open, gastvrije en geweldloze samenleving bouwen voor alle zwakken en verdrukten in de wereld, en dan denk je, dat mensen die niet zwak en verdrukt zijn daar geen misbruik van maken. Als je ouder wordt ontdek je dat het zo niet werkt: iedereen wil altijd maximaal gebruik te maken van leuke collectieve regelingen. Helaas is Nederland te klein om alle verdrukten van de wereld op te vangen, en het meeste kwaad in de wereld kan helaas niet zonder geweld bestreden worden. En dan kun je dus opvattingen ontwikkelen zoals Rita Verdonk die in haar politieke loopbaan heeft laten zien. Daar is niets op tegen: een links actieverleden, gelouterd door de harde lessen van het leven. Ik durf zelfs te beweren, dat het aan Rita een meerwaarde geeft in haar debatten met Groenlinks en de SP. Bij alles wat die naar voren brengen kan zij zeggen: ‘ja, dat heb ik vroeger ook gedacht, maar ik heb ontdekt dat het zo niet werkt, om de volgende reden’. En dan kan Rita putten uit de rijke levenservaring die haar van een linkse actievoerder heeft veranderd in een trotse diehard.
Alleen vrees ik, dat het geheugen van Rita en haar debattechniek niet sterk genoeg zijn om in hedendaags Nederlands uit te leggen waarom haar vroegere linkse ideeën de plank missloegen. Zeggen, dat je daadkracht hebt is een ding, maar overtuigend uitleggen wat je wilt bereiken en waarom, dat is heel iets anders. Daar kan Rita nog wel wat cursussen voor gebruiken.

23 september 2008 Een rots in de branding

In mijn vorige column gaf ik voor het economisch beleid van het kabinet van Balkenende en Bos een onvoldoende. Het kabinet is in 2007 begonnen met lastenverhogingen om een aantal leuke dingen te betalen, en het had beloofd, dat van 2009 tot 2011 door de verwachte economische groei de koopkracht voor alle groepen in de samenleving toch nog fors zou stijgen. Het kabinet nam eerst zijn eigen deel, en beloofde de burger de huid van een beer die nog geschoten moest worden. Inmiddels hebben we de miljoenennota gezien en ons kunnen vermaken met de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer. Eerlijk is eerlijk: het kabinet maakt voor 2009 zijn beloften grotendeels waar. De lastenverlagingen bestaan weliswaar voor een deel uit het niet doorgaan van geplande verhogingen (de btw), en sommige maatregelen zijn een regelrechte sigaar uit eigen doos, zoals de verlaging van de ww-premie. Maar toch, het kabinet maakt waar, dat een groot deel van de werkende bevolking er in 2009 op vooruit gaat. Of ze de beer werkelijk hebben geschoten is de vraag, maar de huid wordt wel weggegeven. Te midden van het internationale tumult op de aandelen- en kredietmarkt staat ons kabinet als een rots in de branding.

Er zitten wel een paar adders onder het gras. De miljoenennota is gebaseerd op een gemiddelde olieprijs van $125 per vat. Op het moment dat minister Bos dat zei was de olieprijs gezakt naar $95. Hij noemde dat een meevaller voor de burger, wiens koopkracht met een lagere energieprijs altijd gediend is. Hij zei er niet bij, dat het kabinet voor de dekking van alle koopkracht bevorderende maatregelen ook uitgaat van een olieprijs van $125. Een lagere olieprijs betekent minder aardgasinkomsten, en een flink gat in de begroting. Dat zal de burger op een of andere manier weer moeten betalen. Ik herinner me nog levendig, dat toen in 1990 de olieprijs tot $10 was gezakt, het kabinet de automobilist het tekort op de aardgasbaten liet aanzuiveren door een tijdelijke verhoging van de benzine-accijns, het zogenaamde kwartje van Kok, dat nooit weer is teruggedraaid.
Een ander addertje onder het gras is, dat de meeste douceurtjes van minister Bos vooral de werkenden bevoordelen. Gepensioneerden betaalden toch al geen ww-premie, en die hebben ook geen voordeel van het verlagen daarvan. Hun koopkracht is er vooral van afhankelijk of hun pensioenfonds de pensioenen kan aanpassen aan de inflatie. Dat zullen de meeste pensioenfondsen in 2009 niet kunnen doen. Niet omdat ze daarvoor het geld niet hebben, maar omdat de regering van de pensioenfondsen eist, dat ze op papier genoeg vermogen hebben om 130% van alle toekomstige uitkeringen te betalen. En met dat papieren vermogen van de pensioenfondsen gaat het met de instortende beurskoersen van de laatste maanden natuurlijk niet zo goed. Het zou goed zijn, als minister Bos nu eens bedacht, dat voor de toekomstige pensioenuitkeringen het huidige fictieve vermogen niet relevant is. Voor de pensioenuitkeringen in 2020 is niet de beurskoers van zomer 2008 van belang, maar die van zomer 2020. Met een realistischer toepassing van de eisen over de dekkingsgraad zou minister Bos ook de koopkracht van gepensioneerden kunnen repareren.

Over mijn gepensioneerde koopkracht in 2009 hoeft minister Bos zich overigens geen zorgen te maken. Daar heb ik zelf al in voorzien. Laat Bos er maar voor zorgen dat mijn twee kapitaalverzekeraars Fortis en Aegon niet failliet gaan, omdat hedgefondsen hun koers omlaag proberen te praten. Met zijn recente maatregel tegen het ‘nude short selling‘ heeft Bos een verdienstelijke stap in die richting gedaan. Een rots in de branding!

19 augustus 2008 Men verkoopt de huid niet, voor de beer geschoten is

Ik heb al eens vaker geciteerrd uit die aardige enquêtes die de Postbank dagelijks doet, nadat je hebt geïnternetbankierd. Vorige week stelden ze de vraag wat voor cijfer we het voor economisch beleid van het vierde kabinet Balkenende zouden willen geven. Nou ben ik over het algemeen niet zo’n klager over de economie. Mijn grootmoeder heeft me geleerd altijd te kijken naar de mensen die het minder hebben, en als je dat vanuit mondiaal perspectief doet, dan is het even pauzeren van de economische groei in een rijk land als het onze niet iets waarvoor ik meteen de stormbal zou willen hijsen. Maar in dit geval vulde ik toch spontaan het antwoord ‘onvoldoende’ in. Ik bleek in het gezelschap te verkeren van 76% van de Postbank-respondenten, wat me niet verbaasde.
Dit kabinet heeft overduidelijk gezondigd tegen het gezonde principe dat men de huid niet moet verkopen voor de beer geschoten is. Het kabinet begon in 2007 met een aantal leuke linkse plannen die geld kosten. Om dat te financieren werden in 2007 en 2008 wat belastingen verhoogd of nieuwe belastingen ingevoerd. Als gevolg daarvan daalde in 2008 de koopkracht van de bevolking. De oppositie blies natuurlijk meteen hoog van de daken: dit kabinet presteert het om in een jaar waarin het economisch goed gaat de burgers toch in koopkracht te laten achteruitgaan!
Ja, dat was wel zo, zei het kabinet, maar dat was slechts tijdelijk. In 2009 en 2010 zou het economisch nog beter gaan, en dan zou de burger die verloren koopkracht dubbel en dwars terugkrijgen! Eerst het zuur, en dan het zoet. Het recept van Balkenende-2 werd ons opnieuw voorgehouden.
Maar nu is het lastig voor het kabinet, dat die economische vooruitgang, die het CPB in 2007 nog voorzag voor 2009 en 2010, helemaal is weggesmolten. Volgens de economen gaat het de komende jaren helemaal niet beter, maar zitten we tegen een recessie aan. Zoals ik in de eerste alinea al liet merken neem ik die recessiegeluiden niet al te serieus, want wat is nou een plus of een min van 2% bij het welvaartsniveau dat we in Nederland kennen? Maar feit is wel, dat de economische groei, waarmee het kabinet de burger wilde compenseren voor de offers bij de start van het kabinet, er niet lijkt te komen. De huid is aan de burger beloofd, maar de beer is niet geschoten!
Wat nu? Het kabinet zal de komende paar weken wel met een paar schijnbare oplossingen komen, stevig toegelicht vanuit het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Maar de oplossing die echt werkt verwacht ik niet van het kabinet. Verlaag nou eens de energiebelasting, verlaag de benzineaccijns en slik niet alleen de geplande verhoging van de BTW in, maar verlaag de BTW nou eens! We zullen zien, dat dit echt de inflatie vermindert. Maar dit alles levert natuurlijk minder overheidsinkomsten op, dat snap ik ook wel. Het kabinet zal dus de tering naar de nering moeten zetten. Ik begrijp dat dit moeilijk is voor een kabinet met de PvdA en de ChristenUnie, maar als deze partijen alleen maar meer kunnen uitgeven, en niet minder als de omstandigheden dat nodig maken, dan moeten ze zo snel mogelijk vervangen worden door partijen die dat wel kunnen.

Deze gang van zaken laat wel zien, dat CPB-prognoses niet geschikt zijn om voor een periode van 4 jaar een kabinetsbeleid op te baseren. ‘Eerst het zuur, dan het zoet’ werkt niet, omdat de belofte van het zoet nooit waargemaakt kan worden op basis van CPB-cijfers. Ik taxeer de betrouwbaarheidstermijn van CPB-prognoses op niet veel meer dan een maand. Ongeveer elke maand beweert het CPB weer iets anders. Dat is vier keer zo stabiel als de weersverwachting, dat wel, maar ongeschikt om een economisch beleid voor 48 maanden op te baseren. Stuurlui die zo'n kompas gebruiken zijn volstrekt onbekwaam en verdienen onmiddellijk ontslag. Die onvoldoende voor het economische beleid van de Postbankrespondenten was zeer terecht!

22 juli 2008 Dubbele belasting

Politici houden van het heffen van belastingen. Dit geldt zeker voor de leden van de huidige coalitie, maar de oppositieclubs VVD, PVV en TON hebben wat dit betreft veel boter op hun hoofd: toen zij (of de club waarvan ze afgesplitst zijn) mee regeerden werd er ook vrolijk belasting geheven. De linkse oppositieclubs (SP en Groen Links) hebben nog nooit geregeerd, maar over hun eventuele belastingverslaving heb ik geen enkele illusie.
De meest potsierlijke belastingvertoning van de laatste maand voor het kamerreces vond ik het gedoe rond de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting. Dat is een van de weinige belastingen van de provincies. Toen dat ooit werd ingevoerd had men blijkbaar geen zin in het invoeren van een nieuw heffingskanaal, zodat besloten werd, dat de provincies meeliften op de motorrijtuigenbelasting. Ik weet niet of er toen een discussie is geweest over de vraag of het redelijk is, dat alleen autobezitters aan de provincie betalen, terwijl mensen zonder auto gratis in een provincie mogen wonen. Dat is geen irrelevante vraag, want de provincies zijn helemaal niet verplicht om dat geld aan autowegen uit te geven. Niet-autobezitters profiteren trouwens ook wel van de autowegen.
Maar goed, de motorrijtuigenbelasting wordt in 2011 afgeschaft omdat de kilometerheffing er voor in de plaats komt. Het opvoedkundige element van deze maatregel is inmiddels breed uitgemeten: de automobilist moet rechtstreeks in zijn portemonnee voelen, dat hij kilometers maakt. Verwacht wordt, dat alleen al door deze prikkel er 10% minder gereden zal worden. Het is de bedoeling dat het kilometertarief zodanig wordt vastgesteld, dat de gemiddelde automobilist bij gelijkblijvend rijgedrag even veel betaalt. Maar als we allemaal 10% minder gaan rijden, dan zijn we gemiddeld 10% goedkoper uit. Ik denk dat buiten het politieke kringetje niemand dat gelooft, maar dat weerhoudt de politici er niet van om deze 10% bij voorbaat al weer uit te geven. Want er komen twee nieuwe belastingen bij: een CO2-heffing voor onzuinige auto’s (waar ik het nu maar niet verder over heb) en een ingezetenenbelasting voor de provincies. Minister Eurlings heeft uitgelegd, dat - zelfs als die ingezetenenbelasting wordt meegeteld - de gemiddelde automobilist die 10% minder gaat rijden toch goedkoper uit is dan nu. Commotie alom, aanvankelijk ook bij de regeringspartijen in de Tweede Kamer, maar die zijn teruggefloten. De fractiespecialist van het CDA in de Tweede Kamer verklaarde een dag later, dat zij het ingewikkelde dossier inmiddels begreep en dat haar bezwaren waren vervallen. Een duidelijker aanwijzing, dat ze van hogerhand orders heeft gekregen, kan ik me niet voorstellen.
Commotie ook bij de niet-autobezitters: waarom moeten zij nu een extra belasting gaan betalen omdat de motorrijtuigenbelasting vervalt? Daar zit op het eerste gezicht iets in, maar zoals ik boven al stelde, weet ik niet hoe bewust indertijd is gekozen voor een provinciale belasting alleen voor autobezitters. Het is alleen maar het inningsgemak geweest, vermoed ik. Maar dat roept meteen de vraag op, waarom de provincies niet eenvoudig kunnen meeliften op de kilometerheffing. Waarom komen er geen provinciale opcenten op de kilometerheffing? Als dat per provincie gedifferentieerd moet worden wordt het misschien te moeilijk, hoewel in de huidige plannen toch al een differentiatie zit naar drukke en minder drukke regio’s en naar wel of niet rijden tijdens de spitsuren. Maar wat is er tegen om een algemene opslag voor de provincies te heffen op de kilometerheffing, en die aan de provincies uit te keren naar rato van de aantallen inwoners? Het enige bezwaar is dan misschien, dat de provincies de tarieven niet zelf kunnen vaststellen. Daar moeten ze dan maar over heen stappen: ik denk dat weinig provinciale belastingbetalers zitten te wachten op besluiten vanuit de luwte van de provinciale staten om de provinciale opcenten te verhogen. Laat dat maar lekker centraal vaststellen door de regering die ook geconfronteerd wordt met volksoproeren over de koopkracht.

De moraal van deze geschiedenis is voor mij, dat politici kennelijk niet goed in staat zijn om belastingen af te schaffen. Voor elke belasting die wordt afgeschaft komen er twee nieuwe in de plaats, zo lijkt het wel. Daarom zou in de grondwet moeten worden opgenomen, dat altijd voor elke nieuwe belasting twee oude belastingen moeten worden afgeschaft. In hetzelfde grondwetsartikel zou ook een verbod op dubbele belasting kunnen komen: het moet verboden worden, dat belasting over belasting geheven wordt. Voorbeelden daarvan in de huidige praktijd zijn er te over: BTW over accijns, successierecht of vermogensheffing over kapitaal waar al lang inkomsten belasting over is betaald.
Een verbod op dubbele belasting. Ik zou er trots op zijn om in een land te mogen leven waar dat geldt. Een idee het interactieve partijprogramma van Trots op Nederland?

17 mei 2008 De onderhandelbare waarheid

Ik ben de afgelopen weken verhuisd van Zoetermeer naar Ommen. Dat betekende dat ik een paar weken tien uur per dag bezig was 200 dozen in te pakken en alle apparaten te demonteren. Op 13 mei verschenen de verhuizers in Zoetermeer, die 50 m3 inboedel inlaadden, die ze de volgende dag in Ommen keurig afleverden. Op 15 mei verscheen in Ommen een monteur van KPN, die in 10 minuten de telefoon en internetverbinding instelde. De televisie deed het ook al, dat had ik zelf voor elkaar gekregen, en toen ik ook nog de wasmachine aansloot en het ding het nog bleek te doen ook, konden wij ons nieuwe adres bewoonbaar verklaren.
Veel tijd om te lezen bleef er niet over deze weken, en bij al die verhuisperikelen moet je ook niet te veel van het leed van de wereld op je nemen. Dat komt later immers wel weer. Toch heb ik tussen de bedrijven door twee boeken gelezen die je beslist niet niet gelezen mag hebben, als de toekomst van de Nederlandse rechtstaat je aan het hart gaat.

In de eerste plaats las ik ‘De maakbare verdachte’ van Ilse Jansen. Het bevat het waar gebeurde verhaal van een man in Brabant, die in 2004 ’s ochtends om 7 uur zijn vrouw bewusteloos in de keuken aantreft. Ze is kennelijk gevallen en heeft hoofdletsel, dat zo ernstig is, dat ze in coma raakt, en na een paar dagen overlijdt. Tijd voor rouwverwerking wordt hem niet gegund, want de politie begint nog vóór de begrafenis met de ondervragingen. Hij wordt er van verdacht dat hij zijn vrouw met een hamer heeft doodgeslagen. Daarbij moet veel bloed gevloeid zijn, en dat heeft de politie niet gevonden. Dat bloed moet hij dus met handdoeken hebben weggeveegd, maar met bloed bevlekte handdoeken zijn niet gevonden. Wel een openstaande wasmachine. De theorie van de politie is, dat hij op geraffineerde wijze zijn daad heeft willen maskeren door het bloed weg te vegen en de handdoeken schoon te wassen. Bij de daarop volgende rechtzaak presenteert de officier van justitie deze theorie als waarheid. Alle kleine sporen en aanwijzingen die zijn gevonden worden in die theorie gepast. De theorie is verre van sluitend. Voor geen enkele handeling die de verdachte wordt verweten is direct bewijs aanwezig, maar de officier praat over alle onzekerheden heen, en probeert de rechter het verhaal te laten geloven. Gelukkig trapt de rechter er niet in en spreekt de verdachte vrij. De officier stelt nog wel hoger beroep in, maar 8 maanden later trekt hij dat zonder enige toelichting in.

Daarna las ik ‘Het O.M. in de fout’ van Ton Derksen. Deze wetenschapsfilosoof die met ‘Lucia de B. – reconstructie van een gerechtelijke dwaling’ de stoot heeft gegeven tot haar (voorlopige) vrijlating uit levenslange gevangenisstraf, heeft nog 4 andere zaken geanalyseerd, waarin verdachten zijn veroordeeld tot lange gevangenisstraffen, terwijl ieder logisch denkend persoon die serieus kennis neemt van de argumentatie onmiddellijk concludeert dat er geen sluitend bewijs is geleverd van de hun schuld. Het gaat – naast Lucia de B. – om:
- Kees B., beschuldigd van de Schiedammer parkmoord, terwijl zijn DNA niet overeenstemde met op de plaats van de moord gevonden sporen. Hij kwam alleen vrij omdat de werkelijke dader bekende, wiens DNA wel bleek overeen te stemmen met de sporen.
- Ernest Louwes, veroordeeld in de Deventer moordzaak, hoewel hij een zeer sterk alibi had: hij stond in een file op de A28 op het moment dat hij volgens justitie de moord pleegde. Het was een file, die niet op de radio is omgeroepen, maar waarvan de politie wél heeft kunnen vaststellen dat hij er was. Louwes kende details van de file, die hij alleen kon kennen als hij de file had meegemaakt. Volgens de politie moet hij die details gehoord hebben van een collega, maar die collega is nooit opgespoord.
- Kevin Sweeney, veroordeeld voor brandstichting waardoor zijn vrouw is omgekomen. Bewijs voor brandstichting is er niet, en evenmin voor enige betrokkenheid van Sweeney bij de brand.
- Henk H. veroordeeld voor het wurgen van een grote en sterke man en in de Flevopolder begraven van het lijk van 90 kilo, hoewel hij dat met zijn tengere postuur onmogelijk kan hebben gedaan.
In alle gevallen heeft de officier van justitie een theorie gehad, waarin alle feiten zijn ingepast, voor zover dat kon. Feiten die de theorie weerspreken zijn vaak genegeerd of weggeredeneerd. Het is duidelijk, dat het doel van Openbaar Ministerie in al deze gevallen is geweest om de verdachte veroordeeld te krijgen. Daartoe moest de officier een verhaal vertellen waarmee hij de rechters overtuigde. Meer is niet nodig: het verhaal hoeft niet te kloppen en niet alle feiten hoeven verklaard te worden. Als de officier maar een verhaal weet te vertellen, waar de rechters meer geloof aan hechten dan aan het verhaal van de advocaat. De officier kan ontlastende stukken weglaten uit het dossier dat de rechter ter beoordeling krijgt, zelfs stukken die de verdediging helemaal niet kent. De officier kan onderzoek dat zijn theorie in gevaar brengt achterwege laten, ook als de verdediging daar om vraagt. In het geval van Henk H. had een reconstructie van de moord en van het wegwerken van het lijk bijvoorbeeld aan het licht kunnen brengen, dat door de officier voorgestelde gang van zaken onmogelijk was. In de Deventer moordzaak zou een contra-expertise van de DNA-sporen en van de interpretatie die het NFI daar aan gaf de rechter tot een andere uitspraak hebben kunnen brengen. Maar de rechter heeft zich door het O.M. laten overtuigen dat zo’n contra-expertise niet nodig was, en de Hoge Raad heeft in dit besluit geen juridische fout kunnen vinden. Iets anders dan juridische fouten aanwijzen kan de Hoge Raad niet. Nadenken over de inhoud en de kwaliteit van de bewijsvoering hoort niet tot zijn deskundigheid.

Het Openbaar Ministerie heeft tot taak de waarheid over misdrijven aan het licht te brengen en verdachten voor de rechter te brengen. Alles wijst er op, dat het O.M. zich voornamelijk concentreert op het veroordeeld krijgen van verdachten. Daarmee scoort men, in de publiciteit, en in de hiërarchie van het justitiële apparaat. Daarvoor is het wenselijk, om voor de rechter te overdrijven. De officier houdt er namelijk rekening mee, dat de rechter niet alles gelooft. Als 100% van de feiten voldoende zijn, dan moet de officier 200% feiten aan de rechter presenteren. Als de rechter de helft afwijst, dan blijft er genoeg over om de verdachte te veroordelen.
De waarheid als onderhandelbaar object! Het lijkt de aankoop van een huis wel. Zo werkt de Nederlandse rechtstaat. Daar is dus heel veel mis mee.
Ton Derksen beveelt in zijn boek de instelling van een onafhankelijke commissie aan, die afgesloten strafzaken aan een wetenschappelijk onderzoek onderwerpt. Deze commissie moet niet in meerderheid uit juristen bestaan, maar uit wetenschappers, die de bewijsvoering toetsen, en zich uitpreken over de vraag of de misdaad echt bewezen is. Ik ben het daar zeer mee eens. Alleen zo is het mogelijk om de tunnelvisie te doorbreken, waar het openbaar ministerie aan lijdt, en waar rechters nog te vaak in trappen. Het is nog lang niet zeker dat zo’n commissie er komt. De gevestigde politieke machten zullen nog wel enige keren moeten slikken, voor ze toegeven, dat het rechtsysteem onder hun parlementaire controle zo kon ontsporen.
Gelukkig zien we de laatste tijd steeds vaker, dat rechters er niet meer intrappen. Menigmaal is de laatste jaren het O.M. niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij gaan soms verdachten vrijuit, waarvan men intuïtief geneigd is om te geloven in hun schuld. Ik weet niet wat erger is, een schuldige die vrijuit gaat, of een onschuldige die wordt veroordeeld. Ik neig naar het laatste. Het zou regel moeten worden, dat de rechter het O.M. ogenblikkelijk niet-ontvankelijk verklaart zodra de officier van justitie betrapt wordt op onwaarheid spreken, verdraaiing van feiten, of achter houden van feiten. Als dat er soms toe leidt, dat schuldigen vrijuit gaan, dan moet dat maar. Het vernielen van de levens van Lucia de B., Ernest Louwes, Kees B., Kevin Sweeney en Henk H. is een te hoge prijs, die geen rechtstaat zich kan permitteren!

3 april 2008 Lucia de B.

De kogel is door de kerk. Het Openbaar Ministerie is overstag: Lucia de B. is voorlopig voor drie maanden in vrijheid gesteld en het OM gaat een herzieningsaanvraag indienen bij de Hoge Raad. Verwacht mag worden, dat de Hoge Raad zal besluiten tot heropening van de zaak, en dat Lucia bij een herzieningsproces zal worden vrijgesproken. Een felicitatie aan Lucia en al haar medestanders is hier zeker op zijn plaats. Eindelijk is er een barst geslagen in het juridische bastion dat het OM had weten op te trekken rond de twijfelachtige vervolging van een toegewijd werker in de gezondheidzorg. Laten we hopen, dat Lucia, twee jaar nadat ze een beroerte kreeg als gevolg van de afwijzing van haar cassatieverzoek door de Hoge Raad, eindelijk de zorg en revalidatie krijgt die ze nodig heeft om de draad van haar leven weer op te pakken.

Maar naast de vreugde over de gunstige wending in deze zaak komt bij mij toch een enorme bitterheid op, als ik zie en hoor hoe het Openbaar Ministerie ook nog de eer opeist. "Vergissingen zijn nooit uitgesloten," zei Mr. Brouwer gisteren, "zeker bij een gecompliceerde zaak als deze, waar de waarheidsvinding uiterst moeilijk is. Absoluut bewijs bestaat nooit, en het OM staat altijd voor moeilijke afwegingen. Maar deze wending in de zaak bewijst het zelfreinigend vermogen van ons rechtstelsel. Want het OM heeft immers zelf het initiatief genomen tot het onderzoek dat tot deze herzieningsaanvraag heeft geleid." Ongelooflijk maar waar, dit heeft Mr. Brouwer gezegd: het OM heeft het initiatief genomen! De waarheid is, dat een buitenstaander, de wetenschapsfilosoof Ton Derksen, in 2006 een boek heeft geschreven onder de titel ‘Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling’ waarin hij keihard wetenschappelijk aantoont hoe fout de veroordeling van Lucia is geweest. Vervolgens heeft Ton Derksen de zaak aangemeld bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken. Die commissie is ingesteld na de gerechtelijke dwaling in de Schiedammer Parkmoord. Dit is gebeurd op aandringen van de Tweede Kamer, niet op initiatief van het OM. Bij die commissie kan niet iedereen terecht: alleen wetenschappers die over een zaak hebben gepubliceerd óf klokkenluiders vanuit het justitiële apparaat kunnen een zaak voor evaluatie voordragen. Als iedereen in het justitiële apparaat zijn mond houdt, ligt de drempel voor een ten onrechte veroordeelde heel hoog: hij moet eerst een geleerde vinden die bereid is de zaak te onderzoeken en er over te publiceren, en dan mag die geleerde de zaak aanmelden.
Lucia heeft dus het geluk gehad, dat een bevoegde geleerde over haar zaak heeft gepubliceerd, waarna deze de zaak mocht aanmelden bij de commissie. Die commissie kwam in oktober 2007 met haar rapport, waarvan de conclusie was, dat het bewijs tegen Lucia niet klopte, en dat het OM een herzieningsaanvraag zou moeten indienen.
Tot zover is er nog steeds geen sprake van enig initiatief van het OM in deze zaak. Het OM besloot in oktober 2007 niet tot het indienen van een herzieningsaanvraag, maar stelde nog weer een nieuw onderzoek in. Als de heer Brouwer dat een initiatief wil noemen dan moet hij dat maar doen. Ik kan het niet anders zien dan als een laatste poging om de onvermijdelijke conclusie toch nog te ontlopen. Maar het is het OM niet gelukt om een toxicoloog te vinden, die op grond van de beschikbare gegevens wilde concluderen dat baby Amber vergiftigd was. En dus moest men eindelijk overstag.

Iets minder bont dan Mr. Brouwer maakte Prof. Buruma het. Hij prees het OM uitvoerig voor zijn advies om de zaak te herzien en Lucia vrij te laten. Terwijl er juridisch nog helemaal niets vast staat geeft men de verdachte het voordeel van de twijfel. “Dat is nog eens lef hebben. Dat doen we anders nooit!”, zei Buruma.
Het is toch haast niet te geloven, dat een grote rechtsgeleerde met zoveel invloed als de heer Buruma dit zegt! De verdachte heeft altijd het voordeel van de twijfel. Een rechter mag alleen veroordelen, als de rechter overtuigd is. Bij twijfel is vrijspraak de enige mogelijkheid.
Nee, lef is ver te zoeken in het juridische circuit. Het zou van lef getuigd hebben, als de Hoge Raad bij het cassatieberoep in 2004 zou hebben gezegd: “wij mogen van de wet weliswaar alleen maar kijken of er geen juridische fouten zijn gemaakt, maar in dit geval vinden wij het rechtvaardig om ook te kijken of er geen logische fouten in de bewijsvoering zitten, en of de rechters wel de goede deskundigen hebben geraadpleegd.” Maar nee, de Hoge Raad vroeg zich alleen af, of tbs wel gepast was bij een levenslange gevangenisstraf en wees de zaak alleen voor die vraag terug naar het Hof van Amsterdam.
Het zou vervolgens van lef getuigd hebben, als het Hof van Amsterdam gezegd zou hebben: “Wij mogen van de Hoge Raad weliswaar alleen maar de tbs schrappen, maar wij kijken toch ook naar de rest van het omstreden vonnis.” Maar zoveel lef hadden ze in Amsterdam niet.

Het laatste woord in deze zaak is nog lang niet gesproken. De heropening van de zaak door de Hoge Raad, en het herzieningsproces door een gerechtshof zullen nog wel weer minstens een jaar gaan kosten. Als Lucia dan definitief is vrijgesproken vind ik, dat deze dwaling voor de betrokken rechters en officieren van justitie niet zonder gevolgen mag blijven. Het maken van zulke ernstige fouten mag niet. Een gezinsvoogd die over het hoofd ziet dat een kind wordt mishandeld wordt door het OM vervolgd. Een OM dat bewijzen en tegenbewijzen over het hoofd ziet moet dus ook vervolgd worden. En rechters die zich niet afvragen of de goede bewijzen door het OM zijn aangedragen moeten ook vervolgd worden. Dit mag ik staatsrechtelijk helemaal niet zeggen, want rechters zijn onafhankelijk, maar ik zeg het toch. Laten we er vooralsnog van uitgaan dat justitie steeds te goeder trouw heeft gehandeld. Fouten maken is menselijk, en dus hoeven er geen zware straffen opgelegd te worden. De maximale taakstraf lijkt me gepast. Maar die ‘goede trouw’ moet wel onderzocht worden, want er is wel degelijk een vermoeden van kwade trouw. Er moeten personen bij justitie zijn geweest, die ingezien hebben, dat de zaak helemaal fout zat. Wie dat inziet, en dan niet in actie komt is niet meer te goeder trouw. Het OM kan natuurlijk niet het OM gaan onderzoeken. Een parlementaire enquête is de enige mogelijkheid.

Maar dat komt allemaal later.
Voor dit moment overheerst de vreugde, dat voor onze rechtstaat toch het oudhollandse gezegde geldt 'Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald'!!

2 april 2008 Voedselbanken

In het heetst van de verkiezingsstrijd, in november 2006, verweet Wouter Bos het CDA dat de armoede onder de kabinetten Balkenende was toegenomen. Als bewijs voerde hij het toegenomen gebruik van de voedselbanken aan. Dat zou uiteraard anders worden als de PvdA aan de macht kwam!
Inmiddels is Wouter Bos al ruim een jaar minister van Financiën en vorige week kwam het bericht, dat het beroep op de voedselbanken weer is toegenomen. Fijntjes werd er bij opgemerkt, dat het erg pijnlijk voor Wouter Bos moest zijn, dat uitgerekend onder zijn bewind nóg meer mensen bij de voedselbanken aankloppen.

Uit kringen die zich bezig houden met voedselbanken verneem ik, dat de PvdA op locaal niveau inmiddels is begonnen de steun aan voedselbanken in te trekken. Wouter Bos kan dus gerust zijn. Als alle PvdA-wethouders die over armoedebestrijding gaan, er voor zorgen dat in hun gemeenten geen voedselbanken meer worden gehouden, dan zal over een paar jaar in de statistiek inderdaad blijken dat het gebruik van de voedselbanken is afgenomen. Wouter maakt zijn verkiezingsbeloften waar!
Het is een doorzichtige strategie, maar hij werkt, dat valt niet te ontkennen. Men kan het gebruik van voedselbanken op twee manieren verlagen: door de armoede te verminderen óf door voedselbanken tegen te werken. Als in november 2010 in de verkiezingstijd de cijfers over 2008 en 2009 bekend worden gemaakt weet niemand meer, dat het al die locale PvdA-bonzen zijn geweest, die er voor hebben gezorgd dat er minder subsidie werd gegeven voor voedselbanken, en Wouter Bos kan alle eer opstrijken. Ik hoop dan wel, dat zijn tegenspelers in de debatten hem zullen vragen ‘noemt u eens 3 maatregelen die u hebt genomen waardoor de armoede zo verminderd is, dat de voedselbanken niet meer nodig waren!’. En als hij dan stil blijft, is de vervolgvraag ‘noemt u er dan twee of één! En hoe zat het ook al weer met dat graaien aan de top?’.

Ondertussen denk ik, dat er bijzonder weinig relatie is tussen armoede en voedselbanken. Dit is een eenvoudig geval van een aanbod dat een vraag creëert. Fabrikanten en supermarkten hebben wel eens wat voorraden over, die ze niet meer kunnen verkopen, en in plaats van dat weg te doen, of er biobrandstof voor de auto van te maken, stellen ze dat ter beschikking van voedselbanken, waar ieder die zich er niet voor schaamt kan langskomen om gratis voedsel op te halen. Voor de grote supermarktbazen is dit een leuke aflaat om hun geweten te zuiveren voor hun graaisalarissen. ‘Kijk maar eens, wij doen ook echt iets voor de minder bedeelden!’. De organisatie van de voedselbanken vergt alleen wat logistiek om het voedsel op het juiste moment op de juiste plaats te krijgen. Enige gemeentelijke steun is daarbij heel handig. Die organisatie begint zich wat te stroomlijnen, zodat het gebruik van de voedselbanken al een jaar of wat een opgaande lijn kent. Er zijn ook mensen die graag een half uur voor het sluiten van de markt op pad gaan om te zien of er nog wat verse spullen voor een habbekrats worden weggegeven, omdat ze anders toch ’s nachts gaan rotten. Op die manier kun je met lekker fruit of vis thuiskomen. Daar hoef je niet arm voor te zijn; het komt in de beste families voor. Subsidie van PvdA-wethouders is er niet voor nodig. Vanuit dat gezichtspunt kan ik me voorstellen, dat gemeenten na een startsubsidie voor de voedselbanken zeggen: ‘en nu moet de markt zijn werk zelf doen’. Maar met Wouter Bos op de achtergrond overheerst bij mij toch het beeld van de pure partijpolitiek.

5 maart 2008 Boekhoudkundige trucs

Geld is een van de belangrijkste uitvindingen die door economen zijn gedaan – misschien wel hun enige ontdekking van belang. Het is met de economie eigenlijk net als met Einstein: nadat hij met zijn relativiteitstheorie de hele natuurkunde op zijn kop zette heeft hij in de rest van zijn leven niet veel meer aan de ontwikkeling van de wetenschap bijgedragen.
Het bedenken van een rekeneenheid waarmee producten en diensten gewaardeerd kunnen worden was een doorbraak van de eerste orde in het verkeer tussen consumenten, boeren, handwerkslieden en grondstofbezitters. Zonder deze innovatie zouden voor het tot stand komen van een overeenkomst enorm veel woorden, energie en overleg nodig zijn, terwijl dankzij de uitvinding van het geld volstaan kan worden met de mededeling ‘het kost € 9,99’. Voor de uitvinding van het geld verdient de economie als wetenschap een grote pluim. Alles wat er verder op volgt is slechts uitwerking van het oorspronkelijke idee: hoe je dat geld vorm geeft, met munten, papier of digitaal, wie het geld mag maken, hoe je geld opslaat, hoe je misbruik en namaak voorkomt, en hoe je er voor zorgt, dat het geldsysteem over landsgrenzen heen functioneert.
Het uitdrukken van de waarde van diverse activiteiten en goederen in geld maakt het ook mogelijk om overzichten te maken van wat er in een bepaalde periode in een gezin, organisatie, bedrijf of samenleving gebeurd is, en wat het netto resultaat daarvan is geweest. Dat noemt men boekhouden – dit is natuurlijk wat kort door de bocht maar voor wat ik wil zeggen volstaat deze simplificatie. Het boekhouden op zich is ook een aardige economische uitvinding, want het maakt het mogelijk om overzicht te houden over een veelheid van transacties en de kosten en baten van die transacties tegen elkaar af te wegen. Maar boekhouden opent ook de mogelijkheid om de overzichten zodanig vorm te geven, dat het zicht op de werkelijkheid verdwijnt, waardoor boekhoudkundige uitkomsten de lezer op een dwaalspoor brengen. Een speciaal onderdeel van het boekhouden is uitsluitend op dit doel gericht. Dat noemt men boekhoudkundige trucs. Er is ook een tegenwetenschap die boekhoudkundige trucs zou moeten ontmaskeren. Dat heet accountancy, maar die staat nog in zijn kinderschoenen, en is nog niet veel verder dan het afvinken van lijstjes met criteria. Een nieuwe truc, die met de bestaande criteria niet wordt getest, wordt door een accountant niet ontdekt. Daardoor kunnen boekhoudkundige trucs in onze samenleving jarenlang volop gedijen, zonder dat er iets tegen wordt gedaan. Ik noem er twee, die ik in de laatste weken in het nieuws zag voorbijkomen.

Begin februari 2008 meldde het NOS-journaal dat in de huisartsenzorg in het weekend honderden miljoenen verspild worden, doordat patiënten niet naar de huisartsenpost gaan, maar naar de eerste hulp in het ziekenhuis. Vaak zijn beide loketten in hetzelfde gebouw gevestigd en de handelingen die er verricht worden zijn vaak dezelfde. Maar de huisartsenpost wordt gefinancierd volgens het huisartsentarief: een vast bedrag van ongeveer 60 euro per patiënt per jaar voor de arts bij wie de patiënt is ingeschreven plus een bedragje van 5 euro per consult. Daardoor lijkt het alsof de kosten van dat ene weekendbezoekje aan de huisartsenpost laag zijn, maar bij een gemiddeld aantal van drie bezoeken aan de huisarts per jaar is het toch een heel redelijk honorarium voor die paar minuten.
Als iemand zich met een bloedneus meldt bij de eerste hulp in het ziekenhuis doet de dienstdoende arts hetzelfde als bij de huisartsenpost gebeurt. Maar de financiële afhandeling is een geheel andere: de verzekeraar van de patiënt krijgt een rekening voor de kosten van een gemiddelde behandeling op de eerste hulp. Als dat gemiddelde 10 minuten is, en in een op de 20 gevallen inzet van een röntgenoloog vereist, en in een op de 50 gevallen inzet van een anesthesist, dan staat op de rekening 10 minuten voor de arts, een halve minuut voor de röntgenoloog en een vijfde minuut voor de anesthesist plus een opslag van (bijvoorbeeld) 40% voor algemene kosten van het ziekenhuis. De rekening voor de behandeling van zo’n simpele bloedneus op de eerste hulp kan daardoor makkelijk op 400 euro uitkomen. Dat is het gevolg van het door een vorige minister van volksgezondheid ingevoerde systeem van Diagnose-Behandel-Combinaties, waarvan de bedoeling was om een helder inzicht te krijgen in de werkelijke kosten van ziekenhuisbehandelingen. De gevolgen van deze boekhoudkundige truc zijn vele:
- de patiënt die met zijn bloedneus naar de eerste hulp ging, is zijn verplichte eigen risico van dat jaar in één klap kwijt
- het is voor een ziekenhuis best lucratief om zo’n patiënt een watje in zijn neus te stoppen en weer naar huis te sturen, en daarvoor 400 euro van de verzekering op te strijken. Een ziekenhuis laat zulke patiënten graag binnenkomen op de eerste hulp en verwijst ze niet naar het loket van de huisartsenpost waar ze thuishoren
- de medewerkers van de huisartsenpost, een deur verderop, vinden het ook wel best, want voor de 5 euro die ze er voor krijgen is het nauwelijks de moeite waard om in beweging te komen en de patiënt een watje in zijn neus te doen.
Tja, en als je dit allemaal bij elkaar optelt, voor 52 weekenden per jaar voor alle eerste hulpposten in het hele land dan kan ik me voorstellen dat het een paar honderd miljoen euro per jaar kost, heen en weer geschoven tussen verzekeraars en ziekenhuizen en huisartsenposten, en betaald door u en mij uit onze ziektenkostenpremies. Dit is niet wat de eerste econoom bedoeld heeft, toen hij het geld uitvond. Ex-minister Hoogervorst had eerst bij de uitvinder van het geld wat bijles moeten nemen.

Nog zoiets, maar het nu volgende voorbeeld werkt de andere kant op. Vanwege de sterk gestegen benzineprijzen gaan steeds meer mensen er toe over om te tanken bij onbemande pompstations. Daar kost de benzine zo’n 10 cent minder dan bij de Shell- en Texaco-shops aan de snelweg. Het aantal onbemande benzinestations is de laatste jaren dan ook sterk gestegen; er zijn er nu al een paar duizend in ons land. Maar aan de snelweg zie je ze niet. Waarom niet? Bij de benzinestations aan de snelweg komen vooral lease-autorijders, en die tanken met een pasje van de leasemaatschappij, dus die merken niet dat de benzine zo duur is geworden. Hier zijn de directe kosten van het benzinegebruik boekhoudkundig weggestopt in het leasebedrag van ‘maar 699 euro per maand’. Voor de leaserijder kost benzine niets. Misschien merkt hij volgend jaar, dat hij ‘maar 749 euro per maand moet betalen’ maar met een beetje geluk heeft zijn werkgever een driejaarscontract met de leasemaatschappij gesloten, zodat de klap pas over drie jaar valt, als het leasebedrag ‘maar 899 euro per maand wordt’.
Leasemaatschappijen en hun klanten moeten ook hoognodig bijles nemen van de uitvinder van het geld.

16 januari 2008 De OV-chipkaart

Het gaat niet zo best met de nieuwe OV-chipkaart. Niet alleen kost het veel moeite de kinderziekten te overwinnen die bij de grootschalige proef in Rotterdam worden geconstateerd, maar nu spreekt men ook van grote problemen met de privacy en de beveiliging. En ik moet nog maar zien, dat de chipkaart werkelijk makkelijker wordt voor de reiziger. Nu halen we simpelweg een kaartje uit de automaat voor de reis die we van plan zijn te maken. Het enige dat er mis kan gaan, is dat de kaartjesautomaat de bankpas niet accepteert, wat op het ogenblik helaas nogal eens voorkomt.
Maar toch is het nu een eenvoudige procedure. Dat wordt straks vervangen door eerst opwaarderen van je kaart, waarbij je moet jongleren met je OV-chipkaart en je bankpas in beide handen. Daarna moet je de OV-chipkaart tegen de chiplezer houden, en bij het verlaten van het station niet vergeten de kaart weer tegen de chiplezer te houden. En dan moet je maar hopen, dat het bedrag dat van je bankpas is afgeschreven gelijk is aan het bedrag dat op de OV-kaart is bijgeschreven. En je moet ook maar hopen, dat bij heen en terugreizen de prijs van een retour in rekening wordt gebracht, en niet tweemaal een enkele reis. En je moet maar hopen, dat als je de reis onderbreekt, er één reis in rekening wordt gebracht, en niet twee enkele reizen voor twee delen van het traject, wat samen duurder uitvalt.
Maar dat waren ze allemaal aan het oplossen, en nu vind het College Bescherming Persoonsgegevens dat een reiziger die niets te verbergen heeft niet voortdurend door de computer in de gaten mag worden gehouden. Bovendien zijn slimme studenten er in geslaagd de chip te kopiëren en valse dagkaarten te maken. Nog één stapje, en kwaad willenden kunnen op kosten van iemand anders reizen, zeggen zwartkijkers. Ik weet niet of dit laatste zo’n groot risico is, want als dat zou kunnen, dan moeten ze ook aan mijn bankrekening kunnen morrelen. Dat kan nu ook al wel, maar de kans daarop is niet zo geweldig groot, ondanks een enorme verbreiding van elektronisch betalen en internetbankieren. Dat risico is te calculeren en te accepteren.
Maar de sfeer is gezet: de privacy-ideologen en de hackers hebben een proces in werking gezet, waaraan ook de stemmachines ten onder zijn gegaan. Een beveiligingsspecialist adviseerde gisteren voor de televisie om helemaal opnieuw te beginnen. Anderhalf miljard euro naar de maan!

Ik vrees, dat het uiteindelijk niets wordt met die OV-chipkaart. We kunnen er nog een paar miljard euro doorjagen, en een paar staatssecretarissen naar huis sturen, en dan hebben we het gehad. Maar misschien is het idee wel te hoog gegrepen. In mijn afscheidsspeech voor het ministerie van onderwijs heb ik de beleidsmakers aanbevolen, om altijd naar het buitenland te kijken. “Denk niet te gauw dat we in Nederland achterlopen, kijk ook naar de dingen waarin we voorlopen. En kijk naar de dingen waarin we een buitenbeentje dreigen te worden.”
Met de OV-chipkaart willen we helemaal vooraan lopen in de wereld. Dat ding bestaat tot dusver alleen in een paar stedelijke regio’s in Duitsland en het Verre Oosten. Er is nog geen enkel land, dat op nationale schaal alle soorten openbaar vervoer wil bedienen met een systeem met één chipkaart, dat door een centrale computer wordt beheerd. Maar iemand moet natuurlijk de eerste zijn. Nederland is ook koploper in de wereld met pinbetalingen, de chipknip is buiten Nederland nergens in gebruik, en Nederland loopt aan kop met breedband internet, en als gevolg daarvan waarschijnlijk ook met internetbankieren. Dus het zou helemaal niet zo gek zijn, dat we ook in staat zijn om als eersten een OV-chipkaart in het hele land aan de praat te krijgen. Maar, in het verleden bereikte resultaten zijn nu eenmaal geen garantie voor de toekomst. Ik moet het allemaal nog zien gebeuren.

13 januari 2008 De student als melkkoe

Bij de Partij van de Arbeid hebben ze de student als melkkoe ontdekt. Om de noodzakelijke stijging van de lerarensalarissen te betalen heeft minister Plasterk een maand geleden een bescheiden verhoging van het collegegeld aangekondigd. Het was al normaal, dat het collegegeld elk jaar wordt aangepast aan de prijsstijgingen. Nu wordt die jaarlijkse verhoging een paar jaar lang verdubbeld. Een topambtenaar bagatelliseerde de verhoging als ‘een kratje pils per maand’, en dat is het wel ongeveer. Vreemd genoeg is in de publiciteit weinig kritiek geuit op het feit, dat studenten de verhoging van de lerarensalarissen moeten betalen. Dat is gelukkig wel gebeurd over het krankzinnige plan van PvdA-fractieleider Tiggelaar om in de toekomst de student alle kosten van de studie te laten betalen, zo’n €25.000 per jaar. Door de vergrijzing worden het onderwijs en de zorg onbetaalbaar, en daar had Tiggelaar een onorthodoxe oplossing voor: het moet voor een student in de toekomst normaal worden, dat hij na afloop van de studie een paar ton terugbetaalt.
Zeer terecht hekelde Elsevier dit plan als de zoveelste poging van babyboomers om de kosten van de vergrijzing te verhalen op de jongere generaties. Het is natuurlijk onzin, dat door de vergrijzing het onderwijs onbetaalbaar zou worden. De zorg en de AOW worden een forse kostenpost, maar niet het onderwijs.

Maar laat ik beginnen bij de feiten. Een studie in het hoger onderwijs kost helemaal geen €25.000 per jaar. Volgens ‘Kennis in Kaart 2007’, de voortreffelijke jaarlijkse publicatie met beleidsinformatie over het hoger onderwijs van het ministerie van OCW, was het budget per student in het wetenschappelijk onderwijs in 2007 €7.242 en in het hoger beroepsonderwijs €7.087. Dat is minder dan een derde van het bedrag dat de heer Tiggelaar noemt. Bij een gemiddelde verblijftijd van ruim 5 jaar liggen de totale kosten tussen de €35.000 en €40.000. Geen paar ton dus, zoals Tiggelaar wil. Van die kosten betaalt de student momenteel ruim 20% zelf in de vorm van collegegeld. In de meeste beschaafde landen om ons heen is dat veel minder. De Europese norm voor collegegeld is nul tot 5% van de totale kosten. De enige uitzonderingen daarop zijn in Europa Nederland en de deelstaat Engeland van het Verenigd Koninkrijk. De reden waarom het in Europa normaal is, dat overheden het hoger onderwijs grotendeels betalen ligt in het grote belang dat een hoog opgeleide beroepsbevolking heeft voor de samenleving als geheel. Hoger opgeleiden zorgen voor economische groei, ze dragen bij aan de structuur van de samenleving, passen beter op zichzelf en zijn gezonder en minder crimineel dan mensen zonder hoge opleiding. Een verstandige overheid haalt het maximum uit zijn menselijk kapitaal en werpt zo weinig mogelijk barrières op die studenten er van kunnen weerhouden om te gaan studeren. Als ze later goed gaan verdienen betalen de studenten de studie toch wel terug via de belastingen. Ik heb het eens nagerekend voor mezelf. In de 37,5 jaar van mijn betaalde leven heb ik €1,66 miljoen verdiend, waarover ik €476.000 belasting heb betaald. Dit zijn nominale bedragen in euro’s en guldens van al die jaren bij elkaar opgeteld. Uitgedrukt in euro’s van nu zou het nog wel 2 tot 3 maal zo veel zijn, maar dat moet ik nog eens preciezer uitrekenen.
Voor mijn opleiding heeft mijn goede vader indertijd – net als de vader van heer Tiggelaar – gedurende vier jaar 200 gulden per jaar betaald, samen een bedragje van € 363 nominaal, of – als we corrigeren voor inflatie – ongeveer 1.750 euro’s van 2007. Indertijd waren de kosten van studeren nog wat hoger dan tegenwoordig: ongeveer € 9.000 per jaar, in euro’s van 2007 gerekend. Laten we zeggen dat het samen voor de zes jaar die ik heb gestudeerd € 54.000 heeft gekost. Die heb ik via de belasting dus ruimschoots terugbetaald, zonder dat ooit iemand de rekening van de studiekosten bij mij heeft neergelegd. Dit vind ik de juiste draagkrachtverhouding: je betaalt bijna niks zolang je student bent, en van je academische salaris betaal je later flink belasting.

Maar zo werkt het dus niet meer in Nederland. Al vanaf het midden van de jaren tachtig zijn we in Nederland bezig het collegegeld stelselmatig op te drijven. De overheid vertrouwt er niet meer op, dat de student de studiekosten wel zal terugbetalen via de belasting, of heeft niet meer het geduld om er 37,5 jaar op te wachten zoals bij mij. Of, wat mij een aannemelijker verklaring lijkt, de overheid ziet er wel iets in om studenten en academici dubbel aan te slaan: eerst als student een flink collegegeld, en later ook nog een fors deel van het verdiende inkomen inleveren via de belasting. De student als melkkoe is ontdekt, al twintig jaar geleden, en is nu door de heer Tiggelaar herontdekt. De student moet leren te investeren in zijn toekomst, en om hem daarbij te helpen verhogen we het collegegeld. De grap is, dat studenten daar heel snel aan wennen. Binnen vijf jaar is een generatie studenten doorgestroomd, en weet niemand meer, dat er ooit lagere collegegelden hebben bestaan. Ook de internationale blik van de studenten is nog weinig ontwikkeld, zodat het hen ook nauwelijks opvalt, dat hun collega’s in de rest van Europa de helft of een eentiende betalen van wat ze in Nederland betalen.

En dat wordt allemaal bedacht door politici die nooit zelf hebben geleerd te investeren in hun toekomst. Politici die geleerd hebben, dat jongeren voor ouderen betalen. Ook als er twee keer zoveel ouderen zijn als jongeren, en ook als die ouderen tienmaal zoveel vermogen hebben als de jongeren. Dat heet bij de PvdA solidariteit. Kan het perverser?

24 december 2007 Leven in een rechtstaat

De Postbank heeft van die aardige enquêtevragen als je komt internetbankieren. Eén simpele vraag waarop je een simpel antwoord kunt geven. ‘Hoeveel dagen neemt u vrij in de week van 24 tot 28 december’. Het kost je nauwelijks een seconde om er op te reageren, en je krijgt onmiddellijk de tussenstand van de uitkomst te zien. Soms is dat verrassend, soms niet. In dit geval dacht ik: ‘bijna iedereen zal wel de hele kerstweek vrij nemen’, daar dat was er helemaal naast: bijna de helft neemt geen enkele extra vrije dag op.
De Postbank zou ook eens moeten vragen: leven we in Nederland in een rechtstaat? Ik denk, dat dan 90% zal antwoorden ‘ja’. Want er worden in Nederland geen mensen gemarteld, verdachten zijn onschuldig tot het tegendeel is bewezen, rechtsbijstand voor iedere verdachte is verzekerd, en men kan tegen een vonnis altijd in beroep gaan. Rechters zijn onafhankelijk en hun uitspraken worden zo nodig ook nog eens getoetst door de Hoge Raad. En we hebben een vrije pers, die er wel voor zorgt, dat rechterlijke dwalingen niet onopgemerkt blijven.

Toch vraag ik me af of er in Nederland werkelijk sprake is van een rechtstaat. Fysiek martelen komt waarschijnlijk niet veel voor, maar geestelijk martelen des te meer. Een verdachte kan, met toestemming van de rechter-commissaris weken lang in afzondering worden verhoord, zonder enig contact met de buitenwereld, in totale onzekerheid over wat er met zijn huis en gezin gebeurt. Een verdachte wordt alleen als onschuldig beschouwd, zolang het openbaar ministerie geen koers heeft uitgezet. Als eenmaal het OM koerst op het veroordeeld krijgen van een verdachte is hij in de ogen van het OM de dader, en wordt bewijsmateriaal geselecteerd om die veroordeling er door te krijgen. Een verdachte kan bij de herziening van een proces, waarbij ondeugdelijk bewijsmateriaal van tafel moet worden geveegd, op het allerlaatst geconfronteerd worden met uit de hoed getoverd nieuw bewijs, waar vervolgens geen beroep meer tegen mogelijk is. ‘Vervanging van bewijs’ bij een herzieningsproces is door de Hoge Raad goedgekeurd. Een verdachte die tbs heeft gekregen, maar blijft ontkennen zit levenslang vast, want zolang hij de misdaad niet toegeeft is hij ziek en heeft behandeling nodig.
We hebben dit allemaal gezien in drie zaken die de laatste weken weer spelen: de vermeende seriemoordenares Lucia de Berk, de Deventer moordzaak en de Enschedese ontuchtzaak. Ik kan ze niet alle drie uitputtend behandelen in één column. Over Lucia de Berk heeft Ton Derksen een boek van 300 pagina’s geschreven, waaruit maar één conclusie mogelijk is: het OM heeft moorden gezocht bij een reeds geïdentificeerde dader, en daar vervolgens het bewijsmateriaal bij geselecteerd. Het betrof allemaal ongeneeslijk zieke patiënten, die binnen kortere of langere tijd vanzelf zouden zijn overleden, maar het OM constateerde in één geval, dat Lucia de patiënt vergiftigd moest hebben. Uit deze ene 'moord' volgde volgens het OM het bewijs van nog eens tien moorden. De rechters vonden dat wat te gortig, en veroordeelden haar voor 'slechts' 7 moorden tot levenslang. Twee maanden geleden kwam de commissie evaluatie afgesloten strafzaken tot de conclusie, dat de bewijsvoering van die eerste 'moord' door gezaghebbende deskundigen bestreden wordt: de stof waarvan justitie beweert dat Lucia de patiënt er een overdosis van heeft gegeven, kon ten tijde van de obductie helemaal niet meer met zekerheid worden geïdentificeerd. In een paginagrote advertentie in de NRC van een paar weken geleden hebben 850 geleerden in binnen- en buitenland opgeroepen deze zaak onmiddellijk te heropenen. Maar wat doet onze Rechtstaat? Het OM neemt eerst ruim de tijd voor een nieuw onderzoek alvorens te beslissen over heropening. En de politiek doet niets. Ministers en staatssecretarissen, maar ook kamerleden, durven zich niet te branden aan de uitspraak van tweemaal drie rechters. Want de Hoge Raad heeft in hun vonnissen geen juridische fouten gevonden, behalve dat levenslang plus tbs niet kon, maar dat is dan ook hersteld. Wat 850 geleerden van de zaak vinden is blijkbaar bijzaak. Moeten we blij zijn, dat we in zo’n Rechtstaat leven?
Ernest Louwes werd eerst veroordeeld op grond van een mes dat hondenbegeleiders aan zijn geur hadden weten te koppelen. Dezelfde hondenbegeleiders zijn onlangs tot een geringe taakstraf veroordeeld wegens negeren van de voorschriften en frauderen met processen verbaal. Toen dat mes als bewijs uiteindelijk onhoudbaar bleek kwam het OM eind 2003 (vier jaar na de moord) ineens met DNA-bewijs. Op de bloes van de vermoorde weduwe was in de greepsporen DNA van Louwes aangetroffen. Hoewel de bloes van de weduwe bewaard was in dezelfde zak als de broek van Louwes, waren dit geen toevallige verontreinigingen, want alleen in de greepsporen was DNA van Louwes aanwezig. Zou het ook elders op de bloes aanwezig zijn, dan zou het bewijs niet kloppen. De rechters volgden deze redenering en veroordeelden Louwes tot 12 jaar. Drie jaar later werd de bloes nog eens onderzocht. De technieken waren inmiddels sterk vooruitgegaan, en nu vond men overal op de bloes DNA van Louwes. Het OM presenteerde dit triomfantelijk als ‘het onderzoek heeft alleen maar meer bewijs opgeleverd’. Het grootste deel van de pers accepteerde dit klakkeloos. Vrijwel niemand wees er op, dat het vinden van zoveel DNA de bewijskracht van DNA in de greepsporen helemaal onderuit haalde.
Uit een paar krantenberichten van de laatste paar dagen weten we, dat de gebruikte DNA-techniek omstreden is. Men kan tegenwoordig van zeer kleine hoeveelheden DNA een profiel opstellen door het DNA eerst te vermeerderen, zodat men genoeg krijgt voor het opstellen van een profiel. Het vermogen tot reproductie is namelijk een fundamentele eigenschap van DNA. Het kan door de enzymen uit de levende cel gecopiëerd worden. Bij elk biologisch groeiproces gebeurt dit, en dat heeft men nu in het laboratorium kunnen nabootsen. Eén molecuul DNA is in theorie al voldoende om een grote hoeveelheid in handen te krijgen. De eerste celdeling van de bevruchte eicel, waaruit u en ik zijn voorggekomen, was het begin van zo'n proces. Deze ‘Low Copy Number’ methode is uiteraard zeer gevoelig voor vervuiling. Eén DNA-molecuul van een andere oorsprong kan verstorend werken. Hebt u enig idee hoeveel moleculen DNA u uitademt? Ik heb begrepen dat in één druppeltje speeksel van een tiende millimeter al genoeg DNA zit om met deze techniek te identificeren. U bent bij deze gewaarschuwd. Pas altijd goed op en praat even de andere kant op, als u in de buurt bent van een toekomstig slachtoffer van een misdrijf!
In Engeland en Wales is vorige week besloten, dat alle rechtzaken waarbij deze techniek is gebruikt herzien moeten worden. Hoe zou dat nu gaan in de Rechtstaat Nederland? Er ligt al een jaar een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad waarin onder andere het tegen alle regels in slordig behandelen van de bloes van de weduwe uit Deventer een grote rol speelt. Het OM heeft bij de Hoge Raad al het standpunt ingenomen, dat dit alles geen nieuwe feiten zijn die herziening nodig maken. Statistisch volgt de Hoge Raad bijna altijd de opvatting van het OM (over een ‘rechtstaat’ gesproken!). Ik hoop dat ze bij de Hoge Raad ook kranten lezen, en kennis nemen van de berichten uit Engeland.

Lucia de Berk en Ernest Louwes wens ik gezegende Kerstdagen. Ik hoop, dat het de laatste keer is, dat zij Kerst in gevangenschap vieren. Laten we positief blijven. Het is niet onmogelijk dat de Rechtstaat ook in Nederland uit het dal kruipt. 3 november 2007 Week van de gerechtelijke dwalingen

We mogen deze week wel uitroepen tot de Week van de Gerechtelijke Dwalingen!
Eerst werd bekend, dat de evaluatiecommissie voor afgesloten rechtzaken tot het oordeel is gekomen, dat het belangrijkste toxicologische bewijs tegen Lucia de B. wetenschappelijk omstreden is. Later in deze week werd bekend dat alle statistiekhoogleraren van Nederland van mening zijn, dat het tegen Lucia aangevoerde statistische bewijs niet deugt: de kans op een toevallige samenloop van omstandigheden is niet 1 op 342 miljoen, maar 1 op 50 of misschien zelfs maar 1 op 9. Het toxicologische bewijs tegen Lucia de B. is door de rechters gebruikt voor een zogenaamd ketenbewijs. Als eenmaal bewezen is, dat er één geval is van vergiftiging, dan wordt het waarschijnlijker dat een paar andere gevallen, die minder goed bewezen zijn, ook op vergiftiging berusten. Als de verdachte dat ontkent, dan kan dat in het licht van het ketenbewijs worden afgedaan als ‘kennelijk leugenachtig’. Zo schijnen juristen te mogen redeneren. Het is maar goed, dat de wiskunde beter in elkaar zit, anders gaf ik geen cent meer voor de stelling van Pythagoras. Maar zelfs bij deze juridische redeneerkunde wordt een hele keten ongeldig, als het uitgangspunt onjuist blijkt te zijn.
Het zal nog wel een paar maanden duren voor het Openbaar Ministerie en de Hoge Raad tot de conclusie komen, dat Lucia ten onrechte tot levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, maar onontkoombaar is deze conclusie nu al geworden.
En we hoorden deze week ook, dat de Hoge Raad bezig is actief onderzoek te doen en verhoren af te nemen over de daderkennis bij een andere persoon dan Ernest Louwes, die voor de Deventer moord tot 12 jaar cel is veroordeeld. Ook in deze zaak zal het nog wel enige tijd duren voor de Hoge Raad de knoop doorhakt, maar ook hier is het onontkoombaar: de bewijzen stapelen zich op, dat een onschuldige al 6 jaar vast zit.

In de twee meest geruchtmakende moordzaken in Nederland van de laatste jaren blijken rechters zich tot in de hoogste instantie ernstig te kunnen vergissen, op een dwaalspoor gebracht door een Openbaar Ministerie, dat zich niet waarheidsvinding ten doel stelt, maar zich primair richt op het veroordeeld krijgen van verdachten. Maar dit is niet alleen het OM aan te rekenen dat selectief feiten zoekt bij de beschuldigingen. Rechters moeten zich ook zelf afvragen of een zaak wel voldoende onderzocht is, en of alle feiten op tafel zijn gekomen. Als de rechters in de Deventer moordzaak dat hadden gedaan, dan hadden ze Ernest Louwes nooit kunnen veroordelen. Voordat de moord bekend werd was er al een anoniem briefje geschreven door iemand die wist dat de moord had plaatsgevonden. Dat briefje is in de weken na de moord gebruikt in opsporingsberichten op de televisie, en dat briefje is aantoonbaar niet geschreven door de heer Louwes. Voor dit ontlastende feit heeft het OM nooit een verklaring gevonden en de rechters hebben dit probleem in hun uiteindelijke vonnis genegeerd. Want er was DNA gevonden op de bloes van de vermoorde, waarvan het NFI met stelligheid beweerde, dat het delict gerelateerde sporen betrof. Daarmee was de moord voor de rechters bewezen, en deden de niet verklaarde feiten er niet meer toe. Inmiddels is er steeds meer twijfel over de vraag of de DNA-sporen wel tijdens de moord zijn ontstaan, en nu blijkt ook nog uit betrouwbare bron, dat een andere verdachte al voor het ontdekken van het lijk van de vermoorde weduwe tegen een begraafplaatsbeheerder over de moord heeft gesproken.
Nederland is een rechtstaat – zegt men – dus uiteindelijk zullen Lucia en Ernest wel vrij komen en eerherstel krijgen. Ik vraag me af, of al die rechters dan zo maar ongestraft weg kunnen komen. Een gezinsvoogd die een jaar lang in het gezin van een mishandeld en vermoord kind niets heeft opgemerkt komt voor de rechter en hoort een voorwaardelijke taakstraf tegen zich eisen. Mogen rechters vrijuit gaan nadat ze zo duidelijk de tekortkomingen in het aan hen voorgelegde bewijsmateriaal niet hebben gezien? Waren zij niet gebonden aan een ambtseed, die hen verplicht alle feiten te beoordelen? Een onvoorwaardelijke taakstraf voor al deze falende rechters lijkt mij de minimaal noodzakelijke genoegdoening voor twee door gerechtelijke dwalingen achter de tralies gezette onschuldige burgers!

20 oktober 2007 Perverse solidariteit?

Grote opschudding deze week in politiek Den Haag. Een geheim plan van minister Plasterk om de basisbeurs af te schaffen en te vervangen door een sociaal leenstelsel was uitgelekt en dit had tot ogenblikkelijke commotie geleid bij de studenten en bij alle politieke partijen behalve Plasterks eigen PvdA. De woordvoerder van het CDA verklaarde het klip en klaar: in deze kabinetsperiode komt er geen afschaffing van de basisbeurs.
Waarom wil de PvdA zo graag de basisbeurs afschaffen? We lazen deze week weer de sociaal-democratische standaardargumenten: een beurs die alle studenten krijgen ongeacht het inkomen van hun ouders vindt men perverse solidariteit: ‘de slager betaalt voor de tandarts!’. Ik begrijp deze argumentatie niet. De basisbeurs wordt uit belastinggeld betaald, dat is waar. Maar is men bij de PvdA nu echt zo dom, dat men denkt dat de tandarts geen belasting betaalt? Alle tandartsen betalen met elkaar genoeg belasting om de basisbeurzen van de kinderen van tandartsen te betalen, en nog een groot deel van de kinderen van slagers er bij. De slager betaalt alleen een deel van de beurs van zijn kinderen. Ik zie niet in wat er mis is met deze solidariteit.
Los van de foutieve en demagogische woordkeus snap ik wel wat de PvdA wil: belastinggeld alleen gebruiken voor dingen die mensen niet zelf kunnen betalen, en ook alleen voor die mensen die het niet zelf kunnen betalen. Daarin vinden ze wat de basisbeurs betreft steun van een OECD-commissie die dit jaar, na bestudering van het Nederlandse systeem van hoger onderwijs, de basisbeurs voor alle studenten, ook voor de ‘non-needy’, een ondoelmatige besteding van geld noemde, die in mindering komt op andere nuttige dingen die voor het hoger onderwijs kunnen worden gedaan. Een groot deel van de ontvangers van de basisbeurs zou ook zonder die beurs wel gaan studeren, en daarom zou een zuinige overheid het geld aan iets anders moeten besteden. Hier zit iets in. Iemand met een inkomen van een paar ton laat zijn kinderen ook studeren als ze geen 253 euro basisbeurs per maand krijgen. Iemand met een inkomen van 70.000 euro doet dat waarschijnlijk ook nog wel. Maar in deze beide voorbeelden betalen deze ouders wel heel veel belasting. Het lijkt mij een gezond principe dat wie veel betaalt ook recht heeft op de regelingen die uit dat geld worden betaald. De uit de belasting betaalde studiefinanciering is een soort van collectieve verzekering tegen studiekosten, net zoals de kinderbijslag een collectieve verzekering is voor de kosten van kinderen. Ongeacht of men kinderen heeft die gaan studeren betaalt iedereen naar draagkracht mee aan de studiefinanciering, omdat we vinden, dat het van groot maatschappelijk van belang is, dat veel mensen hoog worden opgeleid.
Natuurlijk valt er over te praten om deze verzekering af te schaffen: minder belasting heffen en de studiefinciering overlaten aan het particulier initiatief, met een collectief vangnet voor een kleine groep die niet particulier geholpen kan worden. Zo kunnen we nog wel wat overheidstaken wegstrepen tegen het heffen van minder belasting, maar in ons land is voorlopig de keus gemaakt om het particulier initiatief in deze gevallen met collectieve middelen een handje te helpen.
Waar de grens ligt van wat een overheid wel en niet uit belastinggeld hoort te betalen hangt natuurlijk nauw samen met de belastingdruk. Een overheid die maar 10% belasting heft van het inkomen van de burger kan minder doen dan een overheid die 50% heft. Ik nam deze week op het ministerie van onderwijs deel aan een gesprek met een Amerikaan, die vertelde, dat hij voor de medische studie van zijn dochter in een andere staat 17.000 dollar collegegeld moest betalen. In zijn eigen staat zou het goedkoper zijn geweest – volstrekt ondenkbaar in Europa! - maar daar heeft een Amerikaanse pa blijkbaar weinig invloed op. ‘Aftrekbaar voor de belastingen?’, vroeg een van mijn collega’s. ‘Nee, niet aftrekbaar, gewoon betalen!’ was het antwoord. Ik zag mijn profijtbeginsel predikende collega's likkebaarden, en daarom zei ik tegen de Amerikaan: ‘jullie betalen zo weinig belasting, dat je daar helemaal niets van af kunt trekken!’ en dat beaamde hij.
Er wordt in het beleidsdebat over het hoger onderwijs vaak gekeken naar het Amerikaanse of het Australische systeem, waar de student hoge leningen aangaat om de kostendekkende collegegelden te betalen. Maar we moeten wel bedenken, dat dit landen zijn met lage belastingtarieven. Zolang we in Nederland belasting heffen op een Scandinavische manier moeten we ook de studie in het hoger onderwijs financieren op zijn Scandinavisch: geen collegegeld en ruime tegemoetkoming in de overige kosten die een student moet maken. En daartegenover mag dan best van de studenten geëist worden dat ze hard studeren. We hoeven ons dan ook niet meer druk te maken over de veelbesproken zesjescultuur.

16 september 2007 Belastinggeld

De commissie Dijkstal heeft zijn advies uitgebracht aan de regering over het in de hand houden van de topinkomens. Het komt er op neer, dat hoe dichter een topbestuurder bij de publieke dienst zit, hoe meer zijn salaris in de buurt zou moeten zitten van dat van de minister-president. Maar uitzonderingen voor bijvoorbeeld de medische sector of energiebedrijven moeten mogelijk zijn. Softer dan soft kan het haast niet! Nog simpeler gezegd: hoe meer een salaris uit belastinggeld wordt betaald, hoe strenger de Balkenende-norm moet worden toegepast.
Ik vind dit onderscheid tussen topinkomens die wel of niet zijn betaald uit belastinggeld volstrekte nonsens. Ik maak het in mijn ambtelijke praktijk ook vaak mee, dat iemand ineens zegt ‘maar het gaat hier wel om belastinggeld!’, waarna een devote stilte neerdaalt en niemand meer iets positiefs voor het oorspronkelijke voorstel naar voren durft te brengen. Zo’n statement staat ongeveer gelijk met ‘onmogelijk, buiten alle discussie!’. ‘Out of the question’ zouden de Engelsen zeggen, en sommige Nederlanders doen dat ook, omdat ze denken, dat hun bewering daarmee aan kracht wint.
Ik denk, dat er geen enkel verschil is tussen belastinggeld en ander geld. Alle geld in deze wereld is de rekenkundige weergave van werk dat door mensen is gedaan. Sinds het opheffen van de ruilhandel hebben we onze economie gebaseerd op een rekeneenheid, die we geld zijn gaan noemen. Ooit bestond dat uit munten van een waardevol metaal, later heeft men daarvoor papieren equivalenten bedacht, en nog later zijn we er toe overgegaan geld hoofdzakelijk te laten bestaan uit cijfertjes in de boekhouding van banken, eerst nog op papier, maar tegenwoordig alleen nog maar digitaal. Een serie bits en bytes op de harde schijf van de servers van banken. Dat is geld, en niets anders. Maar het heeft alleen maar waarde dankzij het feit, dat mensen zich ervoor willen uitsloven om die bits en bytes op hun naam te krijgen.
Sinds samenlevingen georganiseerd zijn in grotere eenheden – stammen, vorstendommen, koninkrijken, republieken – is het verschijnsel overheid ontstaan: het bestuur van een eenheid, die boven het individu staat, en die macht uitoefent over het individu. Overheden produceren zelf geen goederen, maar zijn wel nuttig, omdat ze de samenleving organiseren, en de gezamenlijke belangen behartigen, zoals verdediging tegen vijanden, aanleggen van wegen, spoorlijnen en dijken, en – afhankelijk van de politieke richting die een overheid aanhangt – zorgen voor de zwakken in de samenleving. Om dat te kunnen doen heffen alle overheden belastingen over de inkomsten van hun burgers.
Overheden bemoeien zich echter niet met alles in een samenleving. Sinds de teloorgang van het communisme laten overheden de productie van goederen en de handel daarin zoveel mogelijk aan vrije ondernemingen. Die zijn tegenwoordig mondiaal georganiseerd. Vele van die internationale bedrijven zijn in grootte van hun budget vergelijkbaar met overheden. Bill Gates bestiert een imperium, waarin meer geld omgaat dan in de portefeuille van de Nederlandse minister van financiën. Deze bedrijven maken hun geld niet zelf, maar ze krijgen dat van burgers over de hele wereld, die bereid zijn voor hun diensten en producten te betalen. Ook alle geld waar bedrijven over beschikken is afkomstig van burgers.
Het maakt voor een burger niets uit, of een topinkomen is betaald uit zijn inkomstenbelasting, de BTW, of uit zijn KPN-abonnement of uit zijn ziektekostenpremie of uit de aankoopprijs van het besturingssysteem van zijn computer. Het is in alle gevallen zijn geld waar hoge salarissen van worden betaald. Ik kan dus niet inzien, waarom voor topsalarissen van de overheid andere normen zouden moeten gelden dan in het bedrijfsleven. Het enige verschil is, dat de overheid regels kan stellen voor zijn eigen salarissen, en zware druk kan uitoefenen op de heel en half geprivatiseerde sectoren om de overheid heen, maar geen regels kan stellen voor de salarissen buiten de overheidssfeer, althans, dat recht wensen overheden zich niet toe te eigenen, en dat wordt tot dusver in de meeste landen door de bevolking democratisch gesteund.

Overigens ben ik absoluut geen voorstander van hoge salarissen voor topmensen van organisaties. Ik geniet zelf een salaris van ongeveer een halve Balkenende-norm, en ik vind dat Balkenende best vier keer zoveel voor ons land betekent dan ik, dus van mij mag Balkenende vier maal zoveel verdienen dan ik. Dat is een verdubbeling van zijn huidige salaris. En ik vind ook, dat niemand in dit land meer nodig heeft dan dat. Ik kan zelf royaal rondkomen met mijn halve Balkenende, dus waarom zou viermaal dat bedrag voor iemand niet genoeg kunnen zijn? Minister Donner kwam met een fraai populistisch argument: als we dat afdwingen, kan Nederland geen enkele goede voetballer meer aantrekken, dan gaan ze allemaal naar Barcelona. Hiervan ben ik onmiddellijk onder de indruk, en ik stel dan ook voor, dat in de Wet op de Inkomensmaximering, die het uit CDA en SP bestaande vijfde kabinet Balkenende in 2009 gaat indienen, een uitzondering wordt gemaakt voor voetballers. Ik weet er nog wel een paar. Valery Gergiev komt het Rotterdams Philharmonisch Orkest niet dirigeren voor tweemaal Balkenende. En het aantrekken van een paar Nobelprijswinnaars als professor aan de Universiteit van Groningen – zodat deze universiteit ook eens in de Sjanghai-top-100 van werelduniversiteiten komt te staan – kost natuurlijk ook meer geld. Maar moeten de topmannen van KPN, Ahold of Essent echt met miljoenen per jaar beloond worden? Ik betwijfel het ten zeerste.
Ondertussen durft het huidige kabinet de enig juiste maatregel om de netto topsalarissen in toom te houden niet te treffen. Het is zo simpel: verhoog eenvoudig het belastingtarief voor inkomens vanaf € 300.000 tot 90% en vanaf € 1.000.000 tot 100%. Voor mijn part mag er tussen 150.000 en 300.000 nog een beetje gestaffeld worden, omdat het anders zo zielig is, dat iemand met een inkomen van 305.000 nauwelijks meer overhoudt dan met 299.000.
Deze maatregel is net zo eenvoudig als het verhogen van de BTW van 19 naar 20%, of het collegegeld van € 1500 naar € 1750. De achterban van Wouter Bos kan er niet veel bezwaar tegen hebben, dus ik begrijp echt niet waar hij op wacht.

21 juli 2007 Een koolstofvrije soevereine staat

Volgens een bericht in Trouw van 16 juli 2007 wil het Vaticaan de eerste volledig koolstofvrije soevereine staat ter wereld worden. Ik heb direct aan Trouw gemaild dat een koolstofvrije staat onmogelijk is, omdat alle leven is gebaseerd op koolstof. Verwijderen van alle koolstof komt niet alleen neer op het volledig dood maken van alle leven, maar ook op het verbranden van alle koolstof houdende dode materiaal, zoals hout, papier, kalk en heel veel andere bouwmaterialen. Trouw blijkt echter niet geïnteresseerd in het rechtzetten van klinkklare nonsens, want ze hebben het niet nodig gevonden om mijn bericht te plaatsen. Het stuk over het koolstofvrije Vaticaan stond op de pagina voor religie en filosofie. Misschien ligt de redactie van die pagina niet wakker van enige scheikundige kletskoek.
Enig googelen laat zien, dat deze mededeling in vrijwel dezelfde bewoordingen door een aantal andere media is geplaatst, zoals Ikon-TV, Katholiek Nederland, RK-nieuws, Kerknieuws, Vlaanderen en Vaticaan. In Engelstalige berichten wordt gesproken van ‘Carbon neutral’. Ergens in het Nederlandse taalgebied heeft een journalist klaarblijkelijk niet het verschil geweten tussen ‘neutraal’ en ‘vrij’, en bij al die redacties van kerkelijke bladen zit niemand die enig verstand van scheikunde heeft. Maar dat men het ook bij Trouw niet begrijpt stelt me teleur, en nog meer, dat het niet eens wordt rechtgezet, als daar van bevoegde zijde op wordt gewezen.

Tot zover de analyse van de kwaliteit van de berichtgeving. Dan nu over waar het werkelijk om gaat. Het Vaticaan is zodanig in de ban geraakt van de klimaatgekte, de men daar voor alle CO2 die in deze soevereine staat in 2007 wordt uitgestoten, het equivalent aan jonge bomen gaat planten. Dat betekent, dat er zoveel bomen worden geplant, dat ze tijdens hun groei, die wel een jaar of 30 tot 50 gaat duren, evenveel CO2 gaan binden als er door het Vaticaan in 2007 wordt uitgestoten. Daartoe wordt 7000 hectare bos geplant in Hongarije.
Laat ik vooropstellen, dat er helemaal niets op tegen is om zuinig te zijn met fossiele brandstof. Integendeel, de voorraden fossiele energie zijn eindig, en we weten niet hoe lang het nog duurt voor kernfusie de energie kan leveren voor een nieuwe energiehuishouding met waterstof als mobiele energiedrager voor auto's en vliegtuigen. Het moment dat de fossiele brandstof op raakt moeten we dus zo lang mogelijk uitstellen. Ook is het een prima idee, om de ontbossing van deze planeet tegen te gaan door bomen te planten. Tot zover dus alle lof voor het Vaticaanse voornemen. Maar als klimaataflaat werkt het niet. Als het Vaticaan blijvend zijn CO2-uitstoot wil compenseren moeten ze volgend jaar weer even veel bomen planten, en dat 30 tot 50 jaar lang volhouden zolang die bomen nog niet volwassen zijn. En dan moeten ze ook nog er voor zorgen dat de volwassen bomen blijven staan, want als ze gekapt worden en in de open haard gaan komt al die CO2 weer vrij.
Het Vaticaan is een klein landje. Daar wordt alleen energie gebruikt voor verlichting, een beetje verwarming in de winter, maar dat valt in Rome wel mee, en wat elektrische apparaten. Er wonen nog geen 1000 mensen op een oppervlak van 44 vierkante kilometer. Om hun CO2 uitstoot te compenseren is 7000 hectare bos nodig. Als Nederland per inwoner hetzelfde zou willen doen, is een oppervlakte van 112 miljoen hectare nodig. Dan heb ik nog niet rekening gehouden met het feit, dat we in Nederland per inwoner ook nog heel wat industrie en transport hebben, met alle energiegebruik van dien. Laten we het even houden op 112 miljoen hectare. Dat is 1,12 miljoen vierkante kilometer, oftewel een gebied van 1058 kilometer bij 1058 kilometer. Nederland past daar 32 maal in. Als alle landen dit zouden willen doen, moeten we de hele aarde met bos beplanten, en dan hebben we nog maar de CO2 uitstoot van één jaar gecompenseerd. Als alle landen ‘koolstofneutraal’ willen worden, zoals het Vaticaan, dan is binnen één jaar de aarde te klein om alle noodzakelijke bomen te kunnen planten.
Er zijn tegenwoordig ook mensen die de CO2 uitstoot van een vliegreis compenseren door een paar bomen te laten planten. Met een opslag van enkele tientjes op een ticket hebben ze dan hun geweten gesust. Nogmaals, er is niets op tegen om bomen te planten, maar als klimaataflaat kan het natuurlijk niet werken. Dat kan men op zijn vingers natellen. De fossiele energie die in de aarde ligt opgeslagen is daar gevormd in de loop van vele miljoenen jaren. Die zijn we nu in een paar eeuwen aan het opstoken. Fysiek en biologisch is het onmogelijk om de CO2 die daarbij vrijkomt in enige tientallen jaren weer vast te leggen. Dat idee kunnen we net zo goed direct vergeten. Ook de gedachte om CO2 voor veel geld op te slaan in ondergrondse zoutvelden of lege gasbellen is volstrekte nonsens. Daarmee onttrekken we de CO2 aan de natuurlijke kringloop, zodat het nooit meer door groene planten kan worden geassimileerd.

Er is in wetenschappelijke kring niet veel twijfel of het broeikaseffect werkelijk bestaat. Ik ken geen precieze cijfers, maar de verhouding tussen degenen die het broeikaseffect serieus nemen en de klimaatsceptici is zeker 10 op 1, en misschien wel 100 op 1. Ik reken mijzelf tot de sceptici, en ik zie met veel genoegen uit naar de klap die de eerstvolgende strenge winter in kringen van klimaatgelovigen zal uitdelen. Maar toch, de grote meerderheid van de geleerden is van mening, dat de aarde opwarmt als gevolg van CO2 die door toedoen van de mens in de atmosfeer is gekomen. Interessant vind ik dat het Vaticaan dit ook gelooft. Er is sinds de dagen van Galilei en Darwin blijkbaar iets veranderd in de verhouding tussen het Vaticaan en de wetenschap. Dat lijkt me een mijlpaal die we wel met enige uitroeptekens mogen markeren!!!
Ondanks mijn eigen scepsis – die ik in een volgende column zal onderbouwen – neem ik nu maar even aan, dat die grote meerderheid van de wetenschap, aangevoerd door aanstaand Nobelprijswinnaar en toekomstig president van de VS Al Gore, gelijk heeft. OK, ik geef het op. De aarde is aan het opwarmen omdat wij alle fossiele energie aan het verbranden zijn. De polen zijn aan het smelten, en in het jaar 2045 is de hele aarde tot aan de Noordpool in de zomer ijsvrij. Het klimaat is bezig grilliger te worden. We krijgen meer stormen, meer regen, meer droogte en meer bliksem dan we gewend waren, en de zeespiegel stijgt de komende 50 jaar met 50 cm en de komende eeuw met 1,20 meter. En dat is allemaal onze eigen schuld, en van de Chinezen en Indiërs, die net zo veel fossiele energie willen verstoken als wij.
OK, laat dit allemaal waar zijn. Zelfs dan moeten we ons geld en energie niet verkwisten aan dure manieren om de CO2 op te slaan die onze energieopwekking nu nog veroorzaakt. Want het lukt ons nooit om binnen 30 jaar het CO2 gehalte van de atmosfeer terug te brengen op het niveau van het jaar 1900. Als het broeikaseffect waar is, dan is die klimaatverandering de komende 30 tot 50 jaar onvermijdelijk. We kunnen slechts 2 dingen doen:
1. Er voor zorgen, dat we zo snel mogelijk energie produceren zonder CO2 uitstoot (kernenergie, kernfusie, zonne-energie) en ook onze auto’s en vliegtuigen laten bewegen zonder olie te verstoken (dat kan met waterstof als energiedrager).
2. Nederland wapenen tegen de gevolgen van de klimaatverandering: de dijken moeten in een halve eeuw 50 cm hoger worden en in een eeuw 1,20 meter. De rivieren moeten meer overloopcapaciteit krijgen en de rioolbuizen moeten tweemaal zo groot worden gemaakt. De bovenleidingen van de treinen moeten stormvast worden, de bliksemafleiders moeten beter. Voor dit alles kunnen we best een deltaplan ontwerpen, dat Nederland voor de komende eeuw klimaatbestendig maakt.
Wat is het ongelooflijk jammer, dat het in de klimaatreligie van tegenwoordig politieke zelfmoord is om dit te zeggen!

27 juni 2007 Alle Menschen werden Brüder

Premier Balkenende kan tevreden zijn. Er komt geen Europese grondwet. Een allesbepalende Europese superstaat, die de nationale regeringen kan overtroeven, is van de baan. Geen Verenigde Staten van Europa. Er komt geen Europese minister van buitenlandse zaken en geen Europese president. Alleen het voorzitterschap wordt iets minder tijdelijk dan nu. Dat wordt straks uitgeoefend voor een periode van twee en een half jaar, in plaats van een half jaar. Dat is in termen van continuïteit toch een vooruitgang van maar liefst 800%.
Als belangrijk symbool van het feit dat Europa terug in zijn hok gaat, geldt in de ogen van de Nederlandse regering dat er geen Europese vlag komt en geen Europees volkslied. Die vlag kan me niet zoveel schelen, want die was er toch al. De cirkel van sterren zie je in alle EU-opschriften, en ook op alle nummerborden van auto’s. Of die sterren nu wel of niet officieel de vlag van Europa zijn doet er niets toe.
Maar dat het Europese volkslied er niet komt vind ik jammer. Weliswaar bestaat er geen Europees volk, en heeft het dus geen zin om voor dat niet bestaande volk een lied te maken, maar zo was het ook niet bedoeld. Het idee was om Schillers ‘Ode an die Freude’ op de melodie van Ludwig van Beethoven aan te wijzen als Europese hymne. Bij songfestivals en voetbalwedstrijden gebeurt dat toch al, en hoewel Schillers tekst ook wel gedachten bevat waar niet iedereen het mee eens zal zijn is de slotzin ‘Alle Menschen werden Brüder wo dein sanfter Flügel weilt’ een oppepper die Europa best kan gebruiken, en een boodschap die Europa best kan uitstralen in de hele wereld.
Het lijkt mij een leuke uitdaging om dit lied zo tekstgetrouw mogelijk in alle talen van de Europese Unie te laten vertalen. Een goede Nederlandse vertaling bestaat bij mijn weten ook nog niet. De tekst ‘Vreugde, vreugde, louter vreugde zijn bij u van eeuwigheid’ lijkt er weliswaar een beetje op, maar trekt Schillers boodschap te veel in de christelijke sfeer. Het mooie van Schillers tekst is nu juist, dat het een algemeen menselijke filosofie is, die los van een bepaalde religie kan worden onderschreven. Daarom voelde de onafhankelijke denker Beethoven zich ook zo tot deze tekst aangetrokken, dat hij hem gebruikte in het slot van zijn negende symfonie.
Premier Prodi van Italië reageerde teleurgesteld op het verwerpen van deze twee elementen in het nieuwe Europese verdrag. ‘Alles waarin Europa de emoties aanspreekt moet blijkbaar geschrapt worden’. Ik ben dat met hem eens. Het zou onze regering sieren als ze op dit punt eens wat meer vreugde wilden uitstralen. Laat Nederland het initiatief nemen voor een vertaalwedstrijd in alle EU-landen om dit lied toegankelijk te maken voor iedere Europeaan, zodat niet alleen degenen die Duits verstaan kunnen instemmen met
Freude, schöner Götterfunken, Tochter aus Elysium,
Wir betreten feuertrunken, himmlische dein Heiligtum.
Deine Zauber binden wieder, was die Mode streng geteilt,
Alle Menschen werden Brüder, wo dein sanfter Flügel weilt!

17 juni 2007 Briefjes van tien uit de geldautomaat

Ik ben vorige week teruggekomen van een paar weekjes toeren door Italië met auto en kampeeruitrusting. Dat is beslist ook een zeer beschaafd land! De steden zijn wat rommelig, maar parkeren en toiletbezoek kosten er niets en de wijn- en bierglazen zijn van volwassen afmetingen. Kom daar eens om in ons eigen landje!
Nu hebben hoge parkeertarieven soms wel hun nut, dat moet ik onze gretig graaiende gemeentelijke parkeerambtenaren toegeven. In Cagliari, de hoofdstad van Sardinië, heb ik ongeveer een half uur moeten zoeken naar een plekje om mijn auto kwijt te raken. Toen dat eindelijk lukte bleek ik daar voor 2 euro de hele dag te kunnen staan. Prettig voor mijn vakantiebudget, maar ik had best 10 euro willen betalen voor een plek die ik direct had gevonden.
Ook met toiletbezoek doen de Italianen nooit moeilijk. Je bent voor je natuurlijke behoefte nooit afhankelijk van het bezit van een muntstuk van 50 eurocent, zoals steeds vaker in Duitsland en Nederland. Vooral het Duitse Sanifair-systeem bezorgt de reiziger veel ergernis. Je moet 50 cent in een automaat werpen waarmee je toegang krijgt tot het toilet en een tegoedbon van 50 cent die je bij de kassa mag aftrekken van de kosten van je consumptie. Het enige effect van dit rondpompen van geld is, dat reizigers die alleen komen plassen zonder iets te consumeren moeten betalen voor het toiletgebruik. En een neveneffect is, dat veel tegoedbonnen nooit worden ingewisseld, omdat de reiziger het vergeet, of omdat hij pas gaat plassen nadat hij heeft gedronken, en maar moet afwachten of de bonnen bij de volgende rustplaats ook zijn in te wisselen. De Duitsers noemen dit systeem Sanifair, omdat ze het fair vinden om zulke barrières op te werpen voor legaal toiletgebruik. Daarvoor hebben ze dan wel een kostbaar systeem nodig met toegangspoortjes en een mannetje om het uit te leggen, en zo nodig geld te wisselen.
De AC-restaurants in Nederland hebben dit systeem nu van de Duitsers afgekeken. Alleen staat daar geen mannetje bij - zo zuinig zijn wij in Nederland wel - en er is ook nog de voorwaarde aan verbonden, dat niet meer dan 5 bonnen per keer in het restaurant mogen worden ingewisseld. Kan het Nederlandser? Stel je voor, dat er een markt zou ontstaan in deze toiletwaardebonnen!

Gelukkig tref je niets van dit alles aan in Italië. Plassen is daar vrij, en als je in een stad rondloopt en geen toilet kunt vinden, vindt geen enkel restaurant het gek als je even binnen loopt om het toilet te gebruiken. Ik had daar wel een heel ander soort probleem: de geldautomaten geven daar alleen maar briefjes van 20 en 50 euro. Bij kleine boodschapjes vraagt de winkelier altijd of je het niet kleiner hebt dan 20 euro. Ik heb met diverse kleine geldopnames geprobeerd in het bezit van briefjes van tien te komen, maar dat lukte aanvankelijk niet. Hoe de briefjes van tien daar dan wel in de roulatie komen weet ik niet. Maar in Bologna stond ik bij een geldautomaat van de Banca Antonveneda, met de – nog wel - vertrouwde geel-groene kleuren van onze eigen ABN. De geldautomaten van de ABN zijn in Nederland een gunstige uitzondering. In tegenstelling tot die van de Postbank geven ze de klant de keuze van de biljetten. Dat doen ze in Italië niet, maar je krijgt er wel kleine briefjes. Ik nam 50 euro op, en zowaar, ik kreeg een briefje van 20 en drie briefjes van 10, voor het eerst in Italië. De ABN levert hiermee een positieve bijdrage aan de geldomloop in dit land, dat de herinnering aan de lire maar moeilijk kan loslaten. Alleen al om deze reden vind ik het van belang, dat ABN blijft bestaan.

30 april 2007 Klaar voor het koningschap

Premier Balkenende heeft ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van de kroonprins verklaard, dat de prins ‘klaar is voor het koningschap’. Dit is een zeer belangwekkende uitspraak, en ik vind het frappant, dat tot dusver geen commentator is ingegaan op de diepere betekenis van deze mededeling. Want dit betekent namelijk, dat koningin Beatrix op vrij korte termijn zal aftreden. De kroonprins zegt, dat zij zelf de enige is die weet wanneer dat is, maar dat is een misverstand. De koning is namelijk onschendbaar, voor alles wat hij of zij doet is de minister-president verantwoordelijk. Dit geldt ook voor de beslissing om te abdiceren. Die beslissing neemt de koningin niet zelf, maar daarvoor is de heer Balkenende verantwoordelijk. Anders zou er immers kritiek mogelijk zijn op een beslissing van de koningin om wel of niet af te treden, en dat kan niet want zij is onschendbaar.
Als de heer Balkenende nu zegt, dat de kroonprins klaar is voor het koningschap, dan moeten we dat opvatten als ‘de 200 miljoen euro, die het Nederlandse volk heeft geïnvesteerd in het opleiden van een nieuwe koning zullen nog tijdens deze kabinetsperiode rendabel gemaakt worden’. Geen premier wil een dergelijke oogst aan een opvolger over laten, en geen premier wil lang het risico lopen, dat door een vroegtijdige val van het kabinet een politiek instabiele situatie ontstaat die zich slecht leent voor een troonswisseling. Ik voorspel dus, dat het aftreden van de oude koningin en het optreden van de nieuwe koning aanstaande is, en wel binnen een jaar. De zeventigste verjaardag van de koningin lijkt me hét moment met de geschikte symbolische waarde. Dat wordt dus 31 januari 2008. Mark my words!
Bij die gelegenheid zal tevens worden bepaald dat prinses Maxima in het vervolg koningin genoemd zal worden. Over dit onzinnige probleem zullen nog wel wat overbodige woorden gewisseld worden, maar de uitkomst is voorspelbaar: zij zal koningin genoemd worden. Het feministische argument dat dan achteraf de echtgenoten van de koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix ook koning genoemd zouden moeten worden, evenals de toekomstige echtgenoot van prinses Amalia, gesteld dat zij heteroseksueel is, is natuurlijk lariekoek. De grondwet kent namelijk maar één aanduiding voor het staatshoofd, ‘de koning’. Dat kan een man of een vrouw zijn, dat is niet relevant. Dat zo’n vrouwelijke koning doorgaans koningin wordt genoemd heeft geen enkele staatsrechtelijke betekenis. Omdat de titel van koningin niet beschermd is, mag iedere echtgenote van wie dan ook koningin genoemd worden. Met de titel koning ligt het anders: die is in de grondwet exclusief bedoeld voor het erfelijk geselecteerde staatshoofd.
Koningsgezind Nederland kan tevreden zijn. Het is opnieuw gelukt om iemand, waarvan niet bij voorbaat vast stond dat hij er voor geschikt is, in 40 jaar klaar te stomen voor de functie van staatshoofd. Het is al de tweede keer in successie dat dit lukt. Ik heb al eens eerder betoogd, dat er vanuit biologisch oogpunt helemaal niets op tegen is, om één individu in een volk vanaf zijn geboorte zoveel extra verzorging te geven, dat hij vanzelf uitgroeit tot de vanzelfsprekende leider die het volk nodig heeft. Bij volken van bijen en mieren gebeurt precies hetzelfde. Blijkbaar kan met inzet van voldoende middelen een koning gecreëerd worden, ongeacht zijn of haar intelligentie, althans vanaf een zeker minimumniveau. Wat het minimumniveau van intelligentie is weten we niet, in ieder geval lager dan een IQ van 130 (Beatrix) of 115 (Willem Alexander), maar dat zijn we in een eeuwenlang experiment aan het uitzoeken. Mislukkingen heeft dit experiment intussen ook opgeleverd. Koning Willem III en koningin Juliana lijken achteraf niet echt geschikt te zijn geweest. En laten we de mislukkingen in de zij-instroom vooral niet vergeten! Prins Bernhardt was wel geslaagd, en prinses Maxima lijkt ook wel te slagen, maar dat geldt bepaald niet voor de prinsen Claus en Hendrik, wier leven in de schaduw van het erfelijke koningschap voor altijd getekend is geweest. Ik weet niet of koningsgezind Nederland echt wel zo tevreden kan zijn.

8 april 2007 Prietpraat

Op 27 februari van dit jaar verloor de AEX-index in één dag 10 punten. Op de daarop volgende twee dagen ging er elke dag opnieuw 10 punten af. Beursanalisten spraken van een gezonde technische correctie. “We wisten al lang, dat zo’n correctie er aan zat te komen, alleen wisten we niet wanneer die zou komen. De koersen waren de laatste tijd te veel gestegen. En als Sjanghai in elkaar zakt, gaan wij mee.”
Daarna kwakkelde de index een beetje om vanaf 5 maart weer omhoog te gaan naar een voorlopig hoogtepunt op 9 maart. Toen begon een nieuwe duikeling. In de VS dreigde een hypotheekbank failliet te gaan, omdat veel huiseigenaren hun schulden niet meer konden betalen. Beursanalisten legden uit dat dit een boemerangwerking zou kunnen krijgen. Want de VS leeft op de pof. Bijna de hele wereld heeft zijn overtollige geld gestoken in Amerikaanse leningen. “Als Amerikanen hun verplichtingen niet meer kunnen nakomen, krijgen we een crisis die wereldwijd om zich heen gaat grijpen”. En de index daalde op 14 maart opnieuw met 11 punten. Vooral de aandelen van banken daalden. Want als één Amerikaanse bank failliet dreigt te gaan, hoe moet het dan gaan met onze eigen ABN-AMRO en ING? Op 15 maart steeg de index plotseling weer met 10 punten, om geleidelijk verder te stijgen. ABN-AMRO maakte bekend in exclusieve fusieonderhandelingen te zijn met een Britse bank. De financiële aandelen hadden plotseling weer de wind mee. Niks geen problemen meer met Amerikaanse hypotheken! Op de laatste beursdag voor het Paasreces stond de beurs op de hoogste stand van de afgelopen 5 jaar. De "gezonde correctie" van februari en maart is weer gecorrigeerd.
Het geld dat ik bestemd heb voor de nieuwe auto, die ik in 2011 wil aanschaffen (ik pleeg 12 jaar te rijden in dezelfde kar, want eerder is zo’n ding niet versleten) heb ik belegd in aandelen. De laatste weken heb ik even op 90% van de waarde van het beoogde model gestaan, maar ik ben de Paasdagen ingegaan met een dekkingsgraad van 100%. Gelukkig was ik zo koelbloedig om te blijven zitten en geen aandelen te verkopen Maar menigeen heeft de laatste weken zijn aandelen verkocht toen de beurs op 473 stond, in de vrees, dat we naar 400 onderweg waren. Die mensen gaan nu bij een stand 519 weer terugkopen. Op de waarde van een middenklasser is dat al gauw een verlies van 2000 euro.
Dat komt er nu van al die prietpraat van de beursanalisten en andere elkaar napratende zogenaamde deskundigen. Hoe kan die “gezonde technische correctie” van 27 februari binnen zes weken al weer achterhaald zijn? En hoe wisten ze al lang voor 27 februari dat die correctie er aan zat te komen? Waarom hebben we daar voor 27 februari niks over gehoord? En waarom horen we nu niet, dat er op termijn weer een "gezonde correctie" zit aan te komen?
Beursdeskundigen vertonen een typische wijsheid achteraf en een buitengewoon kort geheugen. Meestal is er wel een gebeurtenis aan te wijzen die de oorzaak is van een schommeling op de beurs. Er zijn altijd beleggers die bang worden van een bericht en hun aandelen verkopen. Maar zulke grote schokken zijn alleen mogelijk, als veel aandeelhouders dezelfde reactie vertonen. Het geklets van de analisten zorgt voor een multiplicatie-effect bij particuliere beleggers. Toch moeten ook professionele beleggers (pensioenfondsen, verzekeraars) mee doen met deze hysterische waan van de dag, anders kunnen de effecten niet zo groot zijn. Ook daar laat men nog veel te veel de oren hangen naar de vermeende deskundigheid van de analisten.
Ik denk, dat de financiële markten beter zouden functioneren als niet van minuut tot minuut gereageerd werd op nieuws, analyses, angst, hysterie en andere waan. De koersen worden bepaald door vraag en aanbod. Is er veel vraag naar een aandeel, dan stijgt de koers, en andersom. Het kan door de moderne communicatiemiddelen tegenwoordig heel snel veranderen. Het moet met de computers van tegenwoordig mogelijk zijn, om een middelingssysteem te introduceren, waarbij de koersen de gemiddelde ontwikkeling in een bepaalde periode volgen. Dat hoeft niet eens een lange periode te zijn. Als een voortschrijdend gemiddelde over 2 weken gehanteerd zou worden, dan had de beursdip van maart zich rekenkundig gezien niet voorgedaan. Misschien is een voortschrijdend gemiddelde over een paar dagen, of 24 uur al wel voldoende om paniekreacties te dempen en nieuwe paniek te voorkomen. Ik zou wel eens een modelberekening willen zien van een effectenbeurs die werkt met deze methode. Hopelijk zijn er economen op de wereld die knap genoeg zijn om dit eens uit te werken. Ik zal de eerste zijn om aandelen in die beurs te kopen!

11 februari 2007 Geen profiteur meer
Volgens het regeerakkoord van CDA, PvdA en Christen Unie gaat iedereen die na 1 januari 2011 65 wordt, èn een aanvullend pensioen heeft van meer dan 18.000 euro, èn voor zijn 65ste met pensioen is gegaan, vanaf 2011 een bijdrage betalen aan de financiering van de AOW. Het is een wat ingewikkelde regeling, maar het valt niet te ontkennen: ik val er onder.
Ik word bij leven en welzijn op 25 oktober 2011 65, en ik wil in 2007, op mijn 61ste stoppen met betaald werk, en volgens het ABP is mijn aanvullend pensioen in 2011 ruim 35.000 euro. Ik val dus in de categorie van het regeerakkoord. Ik heb al snel uitgerekend, dat deze maatregel mij in 2011 72 euro extra belasting gaat kosten, een bedrag dat daarna elk jaar oploopt met 72 euro tot in 2040 het maximum wordt bereikt van ruim 2000 euro. Als ik dat jaar mag beleven ben ik 94.
U zult mij hierover niet horen klagen, want ik denk niet, dat ik op mijn 94ste nog zoveel financiële behoeften zal hebben, dat ik dit bedrag niet meer zou kunnen betalen. Hoogstens zal ik de ondersteuning van de studie van mijn kleinkinderen wat moeten inperken, maar ach, wat dan leeft, wat dan zorgt, nietwaar?
Ik vind het dus wel een redelijk onderhandelingsresultaat. Voor wie het kan betalen gaat het zo langzaam, dat hij er geen last van krijgt. En wie het in de ogen van de PvdA niet kan betalen, omdat hij een aanvullend pensioen van minder dan 18.000 euro heeft, valt helemaal buiten schot.

In dit onderhandelingsresultaat van de beoogde coalitiepartijen vallen mij drie dingen op:
1. Het is een afspraak voor een buitengewoon lange termijn. Ik kan mij in de politieke afspraken van de laatste halve eeuw geen voorbeelden herinneren die zich uitstrekten over een termijn van 30 jaar. Er is natuurlijk geen enkele garantie, dat deze termijn wordt waargemaakt. Als Mark Rutte in 2011 de verkiezingen in gaat met als hoofdpunt ‘afschaffing van de Bos-belasting’ en als VVD en CDA dan samen 76 zetels halen, dan wordt de regeling terug gedraaid in hetzelfde jaar als waarin hij is ingevoerd. Maar toch is het een politiek akkoord, dat getuigt van een bijzondere lange termijn visie. En ik moet nog zien, dat Rutte hiervoor in 2011 de politieke barricaden op wil gaan. Die is dan natuurlijk al lang blij, dat Bos dit tenminste heeft geregeld.
2. Met dit akkoord wordt eerder stoppen gelegitimeerd. De regering vindt het nodig dat mensen langer doorgaan met werken, en presenteert aan degenen die dat niet doen de rekening van de vergrijzing. Dat betekent dus, dat als je toch eerder stopt en gewoon eerlijk de rekening betaalt, dat je niets meer verweten mag worden. Dit akkoord betekent het einde aan de verwijten in de richting van de babyboomgeneratie. Wij zijn niet langer de profiteurs van de vergrijzing, maar betalen gewoon netjes de rekening.
3. Helaas bevat het akkoord geen legitimering voor eerder stoppen voor degenen die een aanvullend pensioen hebben van minder dan 18.000 euro. Je zult maar een aanvullend pensioen hebben van slechts 10.000 euro en met je 63ste willen stoppen. Je doet dan iets wat de regering niet wil, en je betaalt geen rekening. Je blijft dan profiteur van de vergrijzing en je bent de schietschijf voor het volgende regeerakkoord, of je moet tot je 65ste doorwerken. Het was beter geweest, dat het legitimeren van eerder stoppen begonnen was bij een aanvullend pensioen van 0 euro. Dan hadden we alleen de mensen zonder aanvullend pensioen buiten schot gelaten. Dat zijn degenen die alleen AOW krijgen, omdat ze hun hele leven nooit pensioenpremie betaald hebben. Over eigen verantwoordelijkheid gesproken!

Ondertussen mis ik in dit alles het niet monetaire belang van eerder stoppen. Stel, iemand is vastgelopen of afgebrand in zijn betaalde baan, en stopt daarom op zijn 61ste om daarna als vrijwilliger nuttig werk te doen, bijvoorbeeld door op kleinkinderen te passen, of kerkelijk werk te doen, of iets in de gemeentepolitiek, of nog een nieuwe studie te doen, en zo een bijdrage aan de kennissamenleving te leveren. Zou dit alles niet nuttiger zijn voor de maatschappij, dan tegen heug en meug die laatste 4 jaar tot zijn 65ste in de betaalde baan te figureren? Bij de uitzonderingscategorieën in het regeerakkoord staan voor deze AOW-maatregel alleen zelfstandigen en mensen in zware beroepen. Ik mis de nuttige besteding van het resterende werkzame leven in onbetaald werk, na het vervroegd stoppen met betaald werk.

31 december 2006 Het beste boek van 2006

Aan diverse bekende Nederlanders, journalisten en literatuurcritici werd deze dagen gevraagd wat voor hen het beste boek van 2006 was geweest. De dag- en weekbladen bevatten in de laatste week van het jaar talloze lijstjes met ‘de tien beste boeken’ volgens deze en gene. Het viel me op, dat in de lijstjes die ik heb gezien weinig boeken voorkwamen die ik ook had gelezen. Slechts twee om precies te zijn, 'Nieuwe buren' van Saskia Noort en ‘De bekoring’ van Hans Münsterman, toevallig net de boeken die ik boven en onderaan mijn lijst van leeservaringen van dit jaar heb gezet. Hier volgen mijn lijsten. Het zijn er twee: de meest gewaardeerde boeken en een lijst van de minst gewaardeerde. De eerste lijst telt 6 nummers, de tweede lijst 4. Een beetje positieve balans moet er zijn, want je kunt als lezer moeilijk gaan zeggen dat je meer slechte dan goede boeken hebt gelezen. Dan had je beter moeten selecteren, lijkt me, tenzij het je doel is om boeken de grond in te boren, maar van die neiging heb ik weinig last.
En dan nu mijn eerste lijst: de beste boeken die ik in 2006 heb gelezen. Het beste staat bovenaan. Ze zijn niet allemaal in 2006 uitgekomen, er zit er zelfs een uit 1898 bij, maar ik heb ze wel allemaal dit jaar gelezen.

1. Saskia Noort, `Nieuwe buren´. Dit staat niet bovenaan omdat er zoveel seks in zit, maar vanwege het knappe vertelperspectief. Het gaat over een huwelijk in crisis, en de hoofdstukken worden afwisselend verteld door de man en de vrouw. Die perspectiefwisseling overviel me de eerste keer, maar na een paar hoofdstukken was ik daar aan gewend en vroeg me na elk hoofdstuk af, hoe de ander hier nu wel weer over zou denken. Deze originele aanpak is foutloos uitgewerkt. Na de schokkende ontknoping in het laatste hoofdstuk ging ik ineens de proloog herlezen, die tot dat moment los leek te staan van het boek, maar na het slot helemaal paste bij de rest van het boek. Een briljante opzet!
2. Håkan Nesser, `Die Schwalbe, die Katze und den Tod´.
Een Zweedse misdaadroman van een topschrijver met een originele plot, die ik in de Duitse vertaling heb gelezen. Een seriemoordende literatuurprofessor noemt zich bij zijn slachtoffers met namen ontleend aan vroeg twintigsteeeuwse Engelse krimiliteratuur. Oud-commissaris Van Veeteren, nu handelaar in tweedehands boeken, en zelf zeer belezen, komt daardoor de dader op het spoor. De lezer weet telkens iets meer dan de speurders van de politie en de dader is al 100 pagina’s voor het slot bekend. Toch blijft het boek ook die laatste 100 pagina’s nog van begin tot eind boeien. En fenomenale prestatie.
3. Maarten ’t Hart, ‘Het psalmenoproer’. Een goed geschreven verhaal over een episode uit de geschiedenis waarover blijkbaar weinig literatuur van bevoegde historici bestaat. In hoeverre de beschreven gebeurtenissen op feiten berusten blijft natuurlijk het geheim van de romanschrijver. In ieder geval liet het bij mij de indruk achter van ‘ja, zo zou het gebeurd kunnen zijn!’. Ook de beschrijving van de sociale en economische toestanden die in de tweede helft van de achttiende eeuw moeten hebben geheerst kwam heel geloofwaardig over.
4. Marianne Fredrikson, ‘Paradisets barn’. Het kostte me wat moeite om er door te komen, omdat de spanning vaak erg gering is, en de tekst – meer dan in de Zweedse krimi’s – nogal een brede vocabulaire gebruikt, waardoor ik het woordenboek vaak nodig had. In een enkel geval had ik na het vinden van de vertaling van het Zweedse woord ook nog het Nederlandse woordenboek nodig om te weten wat het was (‘bolmört’ betekent ‘bilzekruit’, dat is een giftige plant van de familie van de nachtschade) . Maar het idee is prachtig: het verhaal van de mens Adam en het koningskind Eva, die door een sjamaan uit een paradijselijk bos zijn weggestuurd, en zich terugtrekken op een berg. Kaïn vlucht na de moord op Abel naar de stad Nod, waar hij koning wordt, maar na zijn overwinning op de vijanden steeds depressiever wordt en zelfmoord pleegt. Zijn jongste zuster Norea komt ook naar Nod, wordt priesteres, en krijgt in haar dromen openbaringen van engelen, waarna zij een God van liefde preekt, terwijl Adam een straffende God kent. Bijbelkenners zullen vast vinden, dat het niet klopt, maar ik vond deze tegengestelde visies heel boeiend uitgewerkt. En het bijbelverhaal is prachtig ingebouwd in een prehistorische setting waarin naast het ‘eerste’ mensenpaar al een enorme beschaving bestaat.
5. Karl May, ‘Weihnacht’. Een verfijnd kerstverhaal in een wildwestomgeving, dat ik in deze kerstvakantie weer eens gelezen heb. Stoere helden bestrijden het kwaad met typische May-stereotypen zoals sporen lezen, besluipen, afluisteren en tweegevechten. Maar de belangrijkste rode draad is een kerstgedicht waar May in zijn schooltijd een prijs mee heeft gewonnen, en dat hij bij toeval hoort uit de mond van een leugenachtige geestelijke zwendelaar, die het heeft overgeschreven bij de vrouw van een door de indianen gevangen pelsjager. In zijn jeugd heeft May deze vrouw geholpen te vluchten voor de Oostenrijkse justitie. Het boek is ooit in het Nederlands vertaald onder de titel ‘Winnetou en de goudzoekers’, waarbij de kerstverhaal grotendeels werd weggeschreven. Het gedicht waar het hele verhaal om draait komt in die vertaling zelfs helemaal niet voor. Het wordt alleen maar genoemd, maar nooit in woorden weergegeven. Men moet dus het origineel lezen om de bedoelingen van de auteur te begrijpen, hoe wereldvreemd die soms ook zijn.
6. Uwe Timm, ‘Die Entdeckung der Currywurst’. Een boek, dat Duitse scholieren op hun literatuurlijst mogen zetten. Vandaar, dat er ook een ‘Interpretierhilfe’ is uitgegeven, die helpt bij het begrijpen van het boek. De auteur noemt het boek een ‘Novelle’, een aanzienlijk bescheidener kwalificatie dan sommige Nederlandse would-be literatoren plegen te doen. Toch is het onvervalste literatuur, met alle kenmerken daarvan: niet zomaar recht toe recht aan verteld, maar op verschillende niveaus, waartussen veelvuldig wordt geschakeld, zodat de lezer een beetje moet nadenken wie nu weer de ik-verteller is. Maar het is niet ondoorgrondelijk, en best te pruimen. De laatste 50 pagina’s las ik het zelfs vrijwel in één adem uit, nieuwsgierig als ik was naar de uiteindelijke ontknoping: hoe is nu die Currywurst uitgevonden? Maar het eigenlijke verhaal gaat over iets anders: de omstandigheden tijdens en na de capitulatie van het Duitse leger in april en mei 1945. En dat is historisch heel boeiend.

Mijn tweede lijst van slechte boeken moet andersom gelezen worden: bovenaan staat het minst slechte, onderaan het allerslechtste.

1. Jan en Sanne Terlouw, ‘De charmeur’. De auteurs c.q. de uitgever geven het boek de pretentie mee van 'literaire whodunit, in de traditie van Conan Doyle, Christie en Simenon'. En verder zou het een ontroerende roman zijn over de breekbare relatie tussen een vader en een dochter. Aardige verkoopspraat, maar ik kan deze karakteristieken niet zo erg delen. Het is een whodonit, want we vragen ons al vrij spoedig af wie het gedaan heeft, en dat antwoord komt in het laatste hoofdstuk, maar waarom zou het literair zijn? Ik vond de dialogen gekunsteld, geen spreektaal, en zonder enig effect. Wat te denken van het volgende “flitsende” woordenspel?
'Ach mijn lieve kind, dat is toch al zo lang geleden, en het was zo'n onbelangrijk akkefietje, laat toch rusten'. Iedereen zwijgt.
'Nou beste mensen, ik wil het jullie ook eigenlijk wel vertellen'.
Door wie of hoe is deze spreekster overtuigd om het toch maar te vertellen? Er is geen enkele overredende zin voor uitgesproken.
Het schijnt dat papa Terlouw als co-auteur van dit boek is opgetreden om dochter Sanne te promoten, ongeveer zoals Maarten ’t Hart als lijstduwer de Partij voor de Dieren heeft gepromoot. Voor een literaire thriller had Jan wat minder kinderboekentaal moeten meenemen. Wat overigens niet wegneemt, dat het verhaal wel boeit. Toch worden veel elementen niet uitgewerkt. De hoofdpersoon heeft 7 jaar onschuldig in de gevangenis gezeten. Het is alsof Ernest Louwes model heeft gestaan. Maar met dit dramatische gegeven gebeurt in het boek helemaal niets. Maar misschien is dat een belofte voor een volgend boek, want zes regels voor het einde wordt een spoor gevonden, dat zijn alibi van 7 jaar geleden kan bevestigen: ‘hiermee gaan we de echte moordenaar van je oom Bart vinden’.
2. Marijke Spies, ‘Tegen de stilte’. Een aardige novelle, volgens de flaptekst een ingenieus spel van toevallige ontmoetingen met vergaande gevolgen, waarin de schrijfster zes verhaallijnen bijeen brengt in een spectaculaire apotheose. Dat zijn grote woorden voor een redelijk verteerbaar verhaal, dat ondanks de kleine omvang toch moeite had om mij te boeien. Het feit, dat er niet meer zoveel pagina’s te gaan waren hield me op de been om het toch maar snel uit te lezen, want anders was er weer 15 euro verspild. Het gaat over een ‘groot componist’ die ‘Het heelal’ voor saxofoon en viool heeft geschreven, dat jaarlijks wordt uitgevoerd door twee musici, die de vrijheid nemen om het tweede deel helemaal te improviseren, reden waarom de componist met hen heeft gebroken. De zes verhaallijnen zijn nauwelijks te onderscheiden, en de apotheose is een brand in een televisiestudio tijdens een life uitgezonden programma, als het werk van de grote componist voor viool en saxofoon wordt uitgevoerd, waarna de twee musici ruzie krijgen en de samenwerking verbreken.
3. Jan Siebelink, ‘De herfst zal schitterend zijn’. Een teleurstellend boek, na ‘Knielen op een bed violen’. Dit is volgens de flaptekst Siebelinks doorbraak naar het grote publiek geweest. Dat kan ik me na lezing van dit verwarde verhaal nauwelijks voorstellen. Het lijkt me eerder een poging van de uitgever om na het kassucces van de ‘Violen’ een andere titel in de schappen te leggen die moet profiteren van de hype rond Siebelink. Het gaat over Michiel Wijlhuijzen, een nieuw alter ego voor Siebelink zelf, zoals Ruben dat is in de ‘Violen’. Michiel heeft een huwelijk met Hella, dat niet bruist van de levenskracht, maar ook niet beroerd is. Hij was bezig met een promotieonderzoek, maar daar is hij mee opgehouden omdat iemand anders het zelfde onderwerp bestudeert. Hij heeft een soort relatie met Emmy, die zijn minnares wil zijn, maar waar hij niets voor voelt. Hij wil aan Emmy definitief duidelijk maken dat hij niet met haar verder wil. Maar hij heeft haar ooit beloofd, dat ze één keer 24 uur samen zullen zijn. Die 24 uur komen er in het verhaal nooit, maar ook het definitieve verbreken van de relatie komt er niet. Zijn universitaire carrière wordt slechts een paar keer vaag aangeduid, maar tot een verdere ontwikkeling komt het niet. Hij is bezig met solliciteren, maar ook daar komt nooit iets van in het verhaal.
Als dit literatuur moet zijn, dan is het van de soort ‘geef mijn portie maar aan Fikkie’.
4. Hans Münstermann, ‘De bekoring’. Nota bene de winnaar van de AKO literatuurprijs! Zoals bij deze prijzen niet ongebruikelijk, is het een verschrikkelijk boek, dat is opgebouwd uit korte fragmenten, die telkens in een andere tijdsperiode spelen, zonder dat de schrijver enige moeite doet om dit voor de lezer duidelijk te maken. Die fragmenten laten zich ieder voor zich wel redelijk vlot lezen, en de totale omvang is niet al te groot, vandaar dat er wel iets zit in een van de citaten op de flaptekst: ‘een boek dat je dwingt om door te lezen’. Inderdaad, want ik wilde er zo snel mogelijk van af zijn. Als literaire puzzel is het misschien wel geslaagd, maar om het echt te verteren moet men het twee keer lezen. De eerste keer om de hoofdlijn van de structuur in zicht te krijgen, en de tweede keer om alle passages te begrijpen in het kader van die structuur. Een boek dat deze aanpak nodig heeft deugt niet.

26 november 2006 Net als in 1972.

Er is al gewezen op de overeenkomst van de politieke situatie na de verkiezingen van 22 november 2006 met die in november 1976 (Hans Goslinga in Trouw van 25 november 2006). Ook toen was een centrum-rechtse coalitie zijn meerderheid kwijtgeraakt. Het in linkse kringen zeer verafschuwde vijfpartijenkabinet onder leiding van Barend Biesheuvel was die zomer uit elkaar gevallen, door het uittreden van de twee DS70-ministers. Een rompkabinet was als minderheidskabinet doorgegaan om een begroting in te dienen en verkiezingen uit te schrijven. Barend Biesheuvel hoopte dat hij na de verkiezingen met de VVD weer een meerderheid zou hebben, maar dat lukte niet. Vele maanden heeft Biesheuvel zich vervolgens verzet tegen de komst van een kabinet van de linkse partijen, aangevuld met precies zoveel steun van de confessionele partijen als nodig was om een meerderheid te hebben. Toen dat kabinet er tenslotte toch kwam vertrok Biesheuvel uit de politiek om er nooit meer in terug te komen. Hij heeft nog eenmaal naam gemaakt met een plan voor een eiland in de Noordzee, bedacht door een commissie onder zijn leiding, maar daarvoor geldt hetzelfde als voor het derde kabinet-Biesheuvel: het is er nooit gekomen. Een soortgelijk scenario voor Balkenende zou kunnen inhouden dat hij zich nu een half jaar gaat verzetten tegen een kabinet met de SP en de PvdA, maar uiteindelijk toch gedwongen wordt toe te geven waarna hij gedesillusioneerd de politiek verlaat.

Maar er zijn belangrijke verschillen tussen de situatie in 1972 en nu.
* In 1972 hadden de linkse partijen voor de verkiezingen een coalitie gesloten, ze hadden een schaduwkabinet gevormd dat ze aan de kiezer presenteerden als alternatief voor de rechtse coalitie. In 2006 is de linkse samenwerking beperkt gebleven tot het drinken van één kopje koffie, twee dagen voor de verkiezingsdag.
* In 1972 presenteerden de linkse partijen een politiek programma dat een hele reeks van ononderhandelbare strijdpunten bevatte. In 2006 zijn er nauwelijks harde strijdpunten. Het generaal pardon voor 26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers voor links, en de hypotheekrenteaftrek voor rechts, en dan hebben we het wel gehad. Over al het andere valt te praten.
* In 1972 sloten de linkse partijen voor de verkiezingen samenwerking met de confessionele partijen uit. Omwille van de duidelijkheid presenteerden zij hun schaduwkabinet als een alles-of-niets-keuze. In 2006 hebben slechts weinig partijen elkaar uitgesloten van samenwerking. Alleen een samenwerking tussen VVD en SP is door de VVD uitgesloten, en samenwerking met Geert Wilders wordt door vrijwel alle partijen uitgesloten. Wouter Bos heeft nooit een voorkeur uitgesproken, maar hij heeft wel duidelijk laten merken, dat hij het meeste ziet in een coalitie met het CDA.
* In 1972 was de PvdA wel de grootste partij geworden, maar haalde het linkse blok geen meerderheid, en het rechtse blok was te verbrokkeld. In 2006 is het CDA de grootste geworden, maar ook nu is het rechtse blok te verbrokkeld voor een meerderheid.
* In 1972 was Joop den Uyl de onbetwiste oppositieleider en ontbrak het bij de drie confessionele partijen aan een duidelijke leidersfiguur. In 2006 is die leidersfiguur er bij het CDA wel – hoewel velen twijfelen aan zijn leiderschapscapaciteiten – maar is Wouter Bos niet de uitgesproken oppositieleider.

De geschiedenis van de kabinetsformatie van 1972 is bekend. Die procedure is onherhaalbaar. PvdA-leider Joop den Uyl meende genoeg te hebben aan de steun van 10 kamerleden uit confessionele kring en zijn handlanger Jaap Burger probeerde daarom een wig te drijven tussen de linker- en rechterflanken van de confessionele partijen. In een tumultueuze formatie zocht hij buiten de partijleider om twee ministers uit kringen van de ARP. Hoewel die twee aspirant-ministers wel wilden mislukte die poging natuurlijk, omdat niet genoeg kamerleden bereid waren deze inbraak in hun gelederen te dulden. Pas nadat de koningin naast Jaap Burger een tweede formateur uit confessionele kring had benoemd, die overigens hetzelfde wilde bereiken, kwam na 164 dagen het kabinet Den Uyl tot stand.
Zoiets krijgt Wouter Bos nooit van zijn leven voor elkaar. Maar er is wel een andere oplossing. Twee linkse partijen en het CDA moeten het makkelijk eens kunnen worden over een program. Er zijn immers nauwelijks ononderhandelbare punten. Over alles valt te praten. Die 26.000 asielzoekers zullen bij nadere analyse voor meer dan driekwart buiten de definitie van echte uitgeprocedeerde gelukzoekers vallen, en dan kan het voor het CDA niet moeilijk zijn om over deze kleine schaduw heen te stappen. Een kwart wordt dan wel weggestuurd, en de rest krijgt een generaal pardon. En de hypotheekrenteaftrek blijft natuurlijk bestaan, maar het huurwaardeforfait wordt verdubbeld. Dat heeft namelijk hetzelfde effect als wanneer de renteaftrek met een zevende deel wordt verminderd: onder de aanname dat de aftrekbare rente gemiddeld over alle burgers 4,2% is, is een verdubbeling van 0,6 naar 1,2 immers precies een zevende. Een verhoging van het huurwaardeforfait heeft het CDA niet uitgesloten, dus hierover moeten ze het eens kunnen worden.

Een leuk twistpunt voor de komende maanden wordt welke linkse partij de combinatie CDA+PvdA aan een meerderheid mag helpen: de SP, Groen Links of de Christenunie. Wouter Bos wil de SP, want dan heeft links de grootste meerderheid in het kabinet, en Balkenende wil de Christenunie, want dan hebben de christelijke partijen een meerderheid in het kabinet. Dat zal dus wel uit komen bij Groen Links, dat immers via de PPR nog van de KVP afstamt maar via de CPN ook verwant is aan de SP. Toch zou ik het jammer vinden als Jan Marijnissen buiten de boot viel. Het lijkt mij prachtig hem op Sociale Zaken bezig te zien met het verhogen van de uitkeringen, om er vervolgens voor te zorgen dat op die verhoogde uitkeringen veel minder beroep wordt gedaan, zodat de schatkist er per saldo op vooruit gaat. Met gedisciplineerde SP-methoden moet dat te bereiken zijn. Agnes Kant lijkt me een prachtige minister van volksgezondheid. Ik wil wel eens zien, dat zij de premie verlaagt, het voorzieningenniveau verhoogt, de marktwerking afschaft en tegelijk de kostenstijging in deze sector in de hand houdt. Het lijkt me een interessant experiment. Als er maar een CDA-minister op financiën komt, liefst van Friese afkomst, dan moet de rest ook wel goed komen.

10 november 2006 De uitzondering bevestigt de regel

De doodstraf is in Nederland in 1870 afgeschaft en in de jaren 80 is in de Nederlandse grondwet opgenomen dat de doodstraf niet mag worden opgelegd. Er is sindsdien dus een tweederde meerderheid in het parlement voor nodig om de doodstraf weer in te voeren. En dat is maar goed ook, want ik moet er niet aan denken, dat de Nederlandse rechters die Lucia de B op grond van twijfelachtig bewijsmateriaal hebben veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf ook nog de doodstraf op hun repertoire hadden gehad. Zolang rechters zich zo kunnen vergissen als in deze zaak moeten er geen doodvonnissen worden voltrokken. Pas als gerechtelijke dwalingen uitgesloten zijn kan de doodstraf eventueel worden overwogen. De doodstraf wordt tegenwoordig door velen gezien als inhumaan, een beschaafde rechtstaat onwaardig. Men mag een misdadiger niet straffen met een middel dat even erg is als zijn daden. De Europese Unie eist dan ook van al zijn lidstaten afschaffing van de doodstraf.

Tot zover gaat het over een respectabel principe. Maar over de toepassing van elk principe moet je van geval tot geval wel willen nadenken, anders wordt het een dogma of een taboe, en daarvan hebben we er al genoeg in Nederland. Er zijn ook bij de doodstraf uitzonderingen. Dictators die jarenlang een schrikbewind hebben gevoerd en duizenden onschuldigen hebben laten vermoorden verdienen de doodstraf. Zij hebben zelf zo’n minachting voor iedere vorm van beschaving getoond, dat een beroep op de principes van de rechtstaat hun leven niet mag redden. Het is absoluut ondenkbaar, dat Adolf Hitler – als hij levend in handen van de geallieerden was gevallen – niet de doodstraf zou hebben gekregen. Saddam Hoessein valt in dezelfde categorie. Het is dus maar goed, dat hij in Irak berecht is, en niet in Den Haag. Voor gerechtelijke dwaling hoeven we in dit geval niet bang te zijn. Mensenrechtenorganisaties hebben al geroepen, dat Saddam geen eerlijk proces heeft gehad. Dat is een bewonderenswaardig politiek correcte opvatting, maar het maakt natuurlijk geen enkel verschil. Ook bij een in westerse ogen wel eerlijk proces zou hij schuldig zijn bevonden en dezelfde straf hebben gekregen. De Duitse oorlogsmisdadigers uit de tweede wereldoorlog hebben trouwens ook geen eerlijk proces gehad zoals we dat tegenwoordig zouden zien.

Ik moest een beetje lachen om de reactie van EU-voorzitter Finland, die per ommegaande aan Bagdad liet weten, dat de EU tegenstander is van de doodstraf. Daarom riep de EU Irak op om de doodstraf niet te voltrekken. Een gratuit advies op grote afstand van de realiteit. Zo’n uitspraak zonder enige consequenties had net zo goed achterwege kunnen blijven. De reactie van premier Balkenende sprak me meer aan: ‘terecht dat zo’n zwaar oordeel is gegeven over dit schrikbewind van deze dictator’, waar hij aan toevoegde, dat de doodstraf eigenlijk niet hoort. Hij zei het een beetje impliciet, maar in feite formuleerde hij hier de uitzondering op het principe die ik hier boven noemde. Het is een opvatting die naar mijn inschatting wordt gedeeld door 80% van onze bevolking en ook door een veel kleiner deel van de Tweede Kamer (over representatieve democratie gesproken!). Jammer, dat de premier zich de volgende dag al weer in allerlei bochten probeerde te wringen om te motiveren, dat er ‘geen enkel licht’ zit tussen het Nederlandse standpunt en het EU-standpunt.

15 oktober 2006 Een heel goede minister van financiën!

Minister Han Hoogervorst mag van mij de prijs van de eeuw krijgen als de beste minister van financiën die ons land ooit heeft gehad. En daarbij doel ik niet op die blauwe maandag die hij in het eerste kabinet Balkenende deze functie vervulde, terwijl zijn politieke baas Gerrit Zalm tijdelijk in de Tweede Kamer zat. Ik doel op de interessante neveneffecten die het nieuwe zorgstelsel heeft voor de Nederlandse schatkist. Ik heb een jaar geleden al eens gemord over het feit, dat er bij de werknemer onverwacht belasting bleek te worden geheven over de werkgeverspremie voor de zorgverzekering. Deze gemene adder onder het gras kost de burgers met inkomens boven de 30.000 dit jaar maar liefst 1000 euro. De werkgevers hoor je niet morren, want tegelijk met de invoering van deze werkgeverspremie zijn in de meeste CAO’s alle oude werkgeversvergoedingen voor ziektekosten vervallen. De werkgevers zullen dus wel quitte hebben gespeeld of zijn er misschien zelfs wel aardig op vooruit gegaan.
Als gevolg van deze extra belastingheffing heeft minister Zalm vorige maand kunnen melden, dat de rijksbegroting inmiddels uit de rode cijfers is gekomen. Voor 2006 verwacht Zalm een klein overschot, en de komende jaren zal dat zo blijven. Een verklaring voor dit niet voorspelde overschot heb ik de heer Zalm niet horen geven, behalve algemeenheden als ‘het gaat economisch weer heel goed met ons land’. Een precies overzicht waar de meevallers vandaan zijn gekomen hebben we niet gekregen. En dat begrijp ik heel goed: dat komt natuurlijk van die belasting op de zorgpremie. Het zou niet slim zijn voor Zalm om dat toe te geven, want dan weet ik al wat de diverse partijen in de Tweede Kamer zullen zeggen: geef nog wat meer zorgtoeslag aan de lagere inkomens, of doe nu eens wat meer voor de middeninkomens (partijen die vinden dat er eens wat meer moet gebeuren voor de hogere inkomens zijn er merkwaardig genoeg niet, behalve, dat middeninkomens van de VVD bij de PvdA hogere inkomens heten). Daar heeft Zalm geen trek in, en dus houdt hij zijn kaken op elkaar. Die meevaller is hem door een gelukkige samenloop van omstandigheden komen aanwaaien, en daar moeten we met zijn allen van afblijven! Daar kan hij mooi de staatschuld mee aflossen, zodat onze vergrijzende samenleving over 10 jaar de AOW nog kan financieren.
Begrijp me goed: ik vind het een prima idee, dat we allemaal wat extra belasting betalen om de staatschuld af te lossen. Alleen de geniepige manier waarop dit geld is binnengehaald stoort mij. Een extra belastingheffing ter aflossing van de staatschuld om de toekomstige AOW veilig te stellen, dat had van mij gemogen. Voor mijn part had dat ‘toevallig’ op het zelfde moment mogen worden ingevoerd als het zorgstelsel. Maar als Zalm dat had geprobeerd, had hij zich als VVD-minister natuurlijk helemaal gediskwalificeerd. Dus zag hij glimlachend toe hoe zijn collega Hoogervorst deze belasting verstopte in het zorgstelsel. Wil de echte minister van Financiën nu opstaan?

8 september 2006 Een schoorsteen minder

In de achttiende eeuw had men in Friesland een belasting waarbij de aanslag per huishouden afhing van het aantal personen, het aantal koeien én het aantal schoorstenen. Dit laatste werd gezien als een maat voor de welvaart. Had men een huis met twee schoorstenen, dan kon men de belastingaanslag verminderen door een schoorsteen dicht te maken. Dat laatste is door mijn voorouders dan ook enkele malen gedaan. Ik vertel dit als een voorbeeld van hoe een overheidsmaatregel kan leiden tot omzeilend gedrag van burgers.
Een ander voorbeeld: bij het passeren van de Sont was in de achttiende eeuw de tol die de Deense overheid hief afhankelijk van het oppervlak van het bovendek van een schip. Nederlandse reders lieten daarom schepen bouwen met een heel bolle buik, en een smal bovendek. Dan konden ze evenveel goederen vervoeren, maar het oppervlak van hun dek was klein, zodat ze weinig tol betaalden. Meer dan een eeuw lang zijn er alleen om deze reden schepen gebouwd met een smal bovendek en een naar de waterlijn breed toelopende buik.

Nu denkt u misschien, dat de tegenwoordige overheden zich niet meer op deze manier om de tuin laten leiden, maar dan vergist u zich. In Libië en in de Palestijnse gebieden in Israël heb ik huizen gezien waarvan de bovenste etage niet was afgebouwd. Niet een paar huizen, nee hele wijken zagen er zo uit. De gidsen vertelden, dat dit te maken had met de onroerende zaakbelasting: zolang een huis niet af is, hoeft er geen belasting te worden betaald. Dus zet men boven op het huis een etage, die nooit wordt afgebouwd.

Ja, dat is in de Arabische wereld, denkt u nu. Zoiets gebeurt in ons land niet. Nee? Wat denkt u dan hiervan. De Nederlandse Spoorwegen zijn een geprivatiseerd bedrijf. Helemaal eigen baas zijn ze niet, want ze huren de rails van het overheidsbedrijf ProRail, maar voor de rest hebben ze een concessie voor een aantal jaren, waarin staat, dat ze onder bepaalde voorwaarden winst mogen maken. Zo mag de NS zijn tarieven verhogen als een bepaald percentage van de treinen op tijd rijdt. Dus zorgt de NS er voor, dat zoveel mogelijk treinen op tijd rijden. Een trein die te veel vertraging heeft opgelopen wordt uit de dienst genomen, zogenaamd om de achterop komende treinen niet te hinderen. De te late aankomsten op alle volgende stations worden dan niet meer geteld, en de schade die deze vertraagde trein in de punctualiteitsstatistiek heeft aangericht wordt ingedamd. Een uitgevallen trein telt namelijk niet mee voor de punctualiteit. Ook het missen van een overstap telt niet mee, zodat treinen niet meer op elkaar wachten.
Daar heeft de overheid nu iets op gevonden. Bij de vernieuwing van de concessie is ook opgenomen, dat een bepaald percentage van de aansluitingen gehaald moet worden. Nu komt de NS met een nieuwe dienstregeling voor 2007 waarin minder doorgaande treinen voorkomen, en waarin de meeste overstaptijden zijn verlengd. De kans dat een trein in de loop van een lange reis een steeds verder toenemende vertraging oploopt wordt aanzienlijk verlaagd, en de kans dat een overstap ondanks een enigszins vertraagde trein wordt gehaald neemt toe. Maar de reistijd op een langere reis stijgt met vele minuten. Ik heb zelfs een zielig verhaal gelezen van iemand die nu per dag anderhalf uur extra kwijt is, en daarom zijn baan zal moeten opzeggen. Maar de reistijd is geen criterium in de concessie van de NS. We kunnen straks in 2007 constateren, dat de punctualiteit van de NS met sprongen is toegenomen. Voor 2008 mogen we dus rekenen op een stevige tariefsverhoging.
Slim hè, zo’n overheid die de samenleving trakteert op de zegeningen van de marktwerking, maar vergeet om de relevante eisen te stellen? Waar zien we dat ook al weer meer? De energierekening? De declaraties in de zorg?
Laat de overheid liever weer gewoon belasting per schoorsteen heffen! En laat de minister van verkeer weer op de dienstregeling en de tarieven van de NS letten!

20 augustus 2006 De Beuk er in!
Nominatie van het voormalige ministerie van Onderwijs in Zoetermeer, dat nu wordt verbouwd tot hoofdkwartier van de AIVD. Klik hier voor de volledige column

16 juli 2006 Weer die Volkert!

De moord op de Harderwijkse milieuambtenaar Chris van der Werken in december 1996 is de laatste tijd weer in de publiciteit gekomen. Deze ambtenaar was destijds in een fel conflict gewikkeld met militante takken van de milieubeweging. Woordvoerder van deze beweging was Volkert van der Graaf, die in 2003 is veroordeeld wegens de moord op Pim Fortuyn. Er schijnen zich steeds meer aanwijzingen op te stapelen, dat Volkert deze moord ook op zijn geweten heeft. Hij heeft een paar weken voor de moord de ambtenaar met dood bedreigd. Een auto van hetzelfde merk en kleur als van Volkert is vlak bij de plek van de moord gesignaleerd. Hij had een pistool. Alleen het harde technische bewijs ontbreekt.

Ik zou justitie willen adviseren het maar eens met statistisch bewijs te proberen. Het kan toch geen toeval zijn, dat de naam van Van der Graaf opduikt in een tweede moordzaak? Er kan een statistische berekening gemaakt kunnen van de kans dat dit toeval is. Het aantal moordenaars per miljoen inwoners is bekend, dus is te berekenen hoeveel moordenaars zich bevonden kunnen hebben in het netwerk van de relaties van Chris van der Werken. En het is ook te berekenen hoe groot de kans is, dat er twee moordenaars in dat netwerk voorkomen. Die kans is misschien wel kleiner dan 1 op 324 miljoen. Dat is zo onwaarschijnlijk, dat we die mogelijkheid wel kunnen uitsluiten. Dus zat er naast Volkert van der Graaf geen andere moordenaar in het netwerk van bekenden van de milieuambtenaar. De kans dat iemand die één moord heeft gepleegd er nog een pleegt is vrij groot. Hieruit volgt, dat de kans, dat Volkert ook deze moord in 1996 heeft gepleegd veel groter is dan de kans dat hij dat niet heeft gedaan.

Nu is het natuurlijk zo, dat in een rechtstaat iedereen onschuldig is, totdat het tegendeel is bewezen. Liever gezegd, dat was zo. Sinds de veroordeling van Lucia de B. geldt in ons recht een ander principe, gesanctioneerd door ons hoge rechtscollege: iemand is schuldig, als de kans erg klein is dat hij onschuldig is. Waar de grens ligt is nog niet vastgesteld, maar in het geval van Lucia de B was de kans 1 op 324 miljoen dat 7 sterfgevallen zich toevallig allemaal zouden hebben afgespeeld in de uren dat Lucia dienst deed. Dit feit was voor de rechters voldoende om Lucia te veroordelen, in combinatie met een aantal onaardige dingen die collega’s over Lucia hebben gezegd én een raadselachtige zin in haar dagboek op de dag van één van de sterfgevallen: ‘vandaag weer toegegeven aan mijn compulsie, maar ik denk dat ik daar veel mensen mee gelukkig heb gemaakt’. Het hof leest hier een bekentenis in, hoewel Lucia er een heel andere uitleg aan geeft. Een kleine statistische kans kan natuurlijk nooit bewijzen dat er opzet of misdaad in het spel is. De kans op een hoofdprijs in een loterij is ook heel klein. Toch valt zo’n prijs regelmatig. De kans dat ik zo’n prijs krijg is heel klein, maar als het lot morgen op mij valt, bewijst dat niet, dat ik iets misdaan heb. Er kunnen bij Lucia zeer goed andere omstandigheden hebben meegespeeld, waardoor zij vaker dienst deed bij ernstig zieke patiënten, zodat het helemaal geen toeval hoeft te zijn dat er vaak patiënten bij haar overleden. Toch zijn er juristen in dit land, die van mening zijn, dat zij terecht tot levenslang is veroordeeld. De herzieningszaak die deze maand speelde ging slechts over de juridische haarkloverij of levenslang en tbs in combinatie hadden mogen worden opgelegd. Dat mocht niet, en dus schrapte het hof van Amsterdam de tbs. Juridisch foutje hersteld. Wat leven wij toch in een zorgvuldige rechtstaat!!

In het geheime onderzoekrapport over Volkert van der Graaf, dat op internet is te vinden, staat dat Volkert niet verdacht kan worden van de moord op Van der Werken, hoewel hij het zou kunnen hebben gedaan. Maar er zijn te veel andere hypothesen die niet gefalsificeerd kunnen worden om Volkert voor deze moord aan te klagen. Hierbij wordt o.a. gedoeld op de theorie, dat iemand stiekem schietoefeningen aan het doen was in het bos, net toen Van der Werken passeerde, en dat hij per ongeluk is getroffen. Het niet kunnen falsificeren van alternatieve theorieën was voor de rechters in de zaak van Lucia de B en in de zaak van Ernest Louwes geen enkel probleem. De hypothese dat de sterfgevallen bij Lucia aan natuurlijke oorzaken kunnen worden toegeschreven is niet gefalsificeerd, en de hypothese dat het DNA van Ernest Louwes door een vriendschappelijk contact óf door contaminatie op de trui van de vermoorde weduwe is gekomen is ook niet gefalsificeerd. Toch zijn beide verdachten onherroepelijk veroordeeld.

Gezien de jurisprudentie in deze zaken geef ik justitie een royale kans om Volkert met statistische argumenten nog wat langer achter de tralies te houden als hij straks in 2014 vrij komt.

1 juli 2007 Het parlementaire erepodium

Lousewies van der Laan heeft zich gevoegd bij het selecte clubje parlementariërs, dat ooit in de Tweede Kamer een kabinet ten val heeft gebracht. Dat gebeurt niet zoveel: de laatste keer was in 1989 toen VVD-leider Joris Voorhoeve het tweede kabinet Lubbers liet vallen op het reiskostenforfait. En de keer daarvoor was de nacht van Schmelzer in 1966 toen Schmelzer als KVP-leider het kabinet in een motie opriep om tot een betere onderbouwing van de begroting te komen. In de jaren 50 kwam het nog vaker voor: in 1951 diende VVD-leider Oud een motie tegen zijn eigen minister Stikker die volgens zijn fractie de dekolonisatie niet goed had afgewikkeld. De motie werd verworpen, maar omdat een regeringspartij hem had ingediend trad de minister toch af en later het hele kabinet. In 1958 aanvaardde de kamer een amendement van KVP-er Lucas op de belastingwet, waarna de PvdA-ministers aftraden, en vervolgens het hele kabinet. En in 1960 viel het kabinet De Quaay op een motie over het aantal huizen dat gebouwd moest worden. Die crisis waaide snel over na een succesvolle lijmpoging van De Gaay Fortmann. Ik meen zelfs, dat onze taal het woord ´lijmpoging´ aan deze geschiedenis dankt, vrolijk aangewakkerd door Wim Kan in zijn bekende liedje ´Lijmen Jan!´. En nu is dus Lousewies van der Laan toegetreden tot dit parlementaire erepodium door een motie tegen Rita Verdonk te steunen, die niet werd aangenomen, waarna ze haar gram heeft gehaald door de steun aan het hele kabinet in te trekken.
Zij doet daarmee wat ik al in maart heb aanbevolen: dit kabinet heeft zijn hervormingen doorgevoerd, en het enige wat ze nu nog kunnen doen is wedijveren met Wouter Bos in het doen van leuke dingen voor de mensen, in de hoop Wouter Bos bij de verkiezingen te verslaan. Als dat dan toch niet lukt, gaat Wouter Bos vervolgens ook nog eens 4 jaar leuke dingen doen voor de mensen, en dan zitten we over 5 jaar financieel weer helemaal in de soep, net op het moment waarop mijn AOW in moet gaan. Daarom had het in maart mijn voorkeur om Wouter Bos meteen maar aan de slag te laten gaan, dan kunnen we tenminste over 4 jaar al weer met hem afrekenen. Zoals het een goed polderland betaamt krijgen we nu een compromis: Balkenende mag nog een half jaartje doorgaan, om leuke dingen te laten zien, en dan krijgen we verkiezingen. En wie weet, sturen de kiezers hem dan helemaal niet naar huis, zodat hij in een volgend kabinet weer nieuwe strenge maatregelen kan nemen, zoals het veilig stellen van mijn AOW.

De val van een kabinet in de Tweede Kamer heeft de zeldzaamheid van een elfstedentocht. Die hadden we in de jaren vijftig ook vaker dan tegenwoordig. De laatste was in 1997, minder ver weg dan de nacht van Voorhoeve, maar toch al weer erg lang geleden. Zou een nieuw kabinet niet eens een 200 km lang koelcircuit in de Friese wateren kunnen aanleggen, zodat de elfstedentocht in het vervolg elk jaar kan plaatsvinden? Het lijkt me technisch niet moeilijker dan een HSL of een Betuwelijn, en het nut voor de ontwikkeling van het noorden van ons land lijkt me enorm. Het is maar een ideetje. De partijprogramma’s zijn nog niet geschreven.

8 juni 2006 Het geheugen van Medy van der Laan

Naast de onaardige dingen die vaak gezegd worden over oudere werknemers, wordt ook wel de grote waarde gezien van hun enorme ervaring en het geheugen dat zij in de loop van tientallen jaren hebben opgebouwd. In het bijzonder in beleidsfuncties is het van belang dat er nog kennis is over wat vier jaar geleden is besloten, of tien jaar geleden, en soms ook twintig jaar geleden. Het is daarom van belang in een beleidsterrein mensen te hebben die zo’n terrein voor lange tijd behartigen, naast mensen die om de paar jaar van functie wisselen. Mobiliteit is nodig om organisaties niet te laten verstarren en verkokeren. Langer zittende medewerkers zijn nodig om te voorkomen dat het beleid voortdurend heen en weer zwabbert en dat hetzelfde wiel elke paar jaar opnieuw wordt uitgevonden.
De secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Koos van der Steenhoven, ziet dat laatste niet zo. Het collectieve geheugen moeten we niet realiseren in menselijke hoofden, maar in effectieve databanken, vindt hij. Dat is mooi modern gedacht, maar werkt het ook zo? Zijn al die flitsend mobiele jonge medewerkers in staat uit die databanken de kennis en inzichten te halen waarvoor oudere medewerkers alleen maar iets uit hun hoofd hoeven te trekken?
Een aardig voorbeeld waaruit blijkt dat dit niet werkt hoorde ik deze week uit de mond van de staatssecretaris van cultuur, Medy van der Laan. Zij wil in september 2006 stoppen met het uitzenden van analoge publieke televisie via de ether, omdat daar nog maar 1% van de mensen gebruik van maakt. De rest heeft een kabelabonnement of kijkt via internet of schotel. Ter wille van deze 1% die gratis tv kijkt wil zij deze uitzendingen niet meer in stand houden.
Daar sta je toch wel even van te kijken! Gratis kijken? Heeft Medy van der Laan nog nooit gehoord van de omroepbijdrage die een jaar of 6 geleden is gefiscaliseerd? Tot dat moment betaalde iedere tv-kijker, ongeacht of hij het signaal uit de lucht of van de kabel haalde, een vaste bijdrage van ongeveer 100 gulden per jaar. Voor de controle op het zwart kijken bestond een ambtelijk apparaat van enige honderden mensen. Het was een belastingheffing van het type waarbij de inningskosten een groot deel van de opbrengst opslokken. Rond de eeuwwisseling is daarom besloten om de omroepbijdrage te fiscaliseren. De tweede belastingschijf werd met een paar tiende procent verhoogd, en de omroepbijdrage werd afgeschaft, zodat een gezin met anderhalf inkomen per jaar ongeveer evenveel betaalde als voor de voormalige omroepbijdrage. Iedereen betaalde dus in het vervolg voor het kijken, ook wie nooit keek. En nu denken Medy van der Laan en haar ambtenaren dus, dat dit gratis is!
Zo snel veroudert relevante kennis dus. Ik zou Koos van der Steenhoven willen adviseren er nog eens goed over na te denken hoe hij de kennis en ervaring van zijn oudere medewerkers veilig stelt. Mijn geheugen staat hem nog anderhalf jaar ter beschikking.

17 april 2006 DNA-bewijs: ja! Tunnelvisie: nee!

Ik heb er nooit misverstand over laten bestaan dat ik een groot voorstander ben van registratie van DNA-profielen, ter ondersteuning van het oplossen van misdaden. Wat mij betreft zou er een databank mogen komen met het DNA-profiel vaan alle Nederlanders. Want de oppassende burger zal het een zorg zijn als zijn DNA ergens veilig is opgeborgen. Wie geen bloed of sperma achterlaat op het lichaam van vermoorde slachtoffers kan toch niets gebeuren? Als het DNA van een dader bekend is, zou het slechts een kwestie van opzoeken hoeven te zijn voor hij kan worden ingerekend. De dader zou net zo goed zijn sofi-nummer kunnen achterlaten.

Ik vind dit eigenlijk nog steeds, maar uit de ontwikkelingen rond de Deventer moordzaak blijkt een heel belangrijke aanvullende voorwaarde voor het gebruik van DNA-bewijs: de oppassende burger moet er van uit kunnen gaan, dat het bewijs alleen door een oppassende overheid gebruikt wordt. DNA-bewijs – maar in feite geldt dit voor elk bewijsmateriaal - vereist officieren van justitie zonder tunnelvisie en rechters die in staat zijn een tunnelvisie te herkennen. Een vreemd woord is dat eigenlijk! In het nieuwste woordenboek van Van Dale dat ik bezit komt het nog niet voor. Tunnelvisie is een nieuwe versluierende term voor het willens en wetens laten veroordelen van een verdachte, ook als het bewijsmateriaal daar niet sterk genoeg voor is. Onversluierd zouden we ook van een ambtsmisdrijf kunnen spreken. Want het is niet niks, als een officier de rechter alleen die dingen voorlegt die zijn theorie ondersteunen, en ander, mogelijk tegengesteld bewijsmateriaal achter houdt. Uit de recente gevallen van gerechtelijke dwaling begrijp ik, dat alleen de officier van justitie bepaalt welke informatie aan de rechter wordt voorgelegd, en dat de rechter alleen op grond daarvan een oordeel velt. De rechter gaat niet zelf op zoek naar eventuele andere informatie, maar oordeelt alleen op grond van de informatie die hem wordt voorgelegd. Dit zou nog goed kunnen gaan, als de officier van justitie zich alleen zou richten op de waarheidsvinding. Daarbij hoort, dat alle feiten en twijfels op tafel worden gelegd. De praktijk blijkt echter soms te zijn, dat de officier een verdachte veroordeeld wil krijgen. Daarvoor is een selectie uit de feiten nodig onder weglating van aspecten die twijfel kunnen zaaien. Een officier die zo handelt stelt zich op als tegenstander van de verdachte. Hij is daarmee een zeer oneerlijke tegenpartij, omdat de officier van justitie als geen ander weet, wat hij moet aanvoeren om een rechter om te praten.

We weten nog niet of er in de Deventer moordzaak werkelijk sprake is geweest van een tunnelvisie bij justitie. Feit is wel, dat in deze zaak de verdachte eerst is vrijgesproken en vervolgens in hoger beroep is veroordeeld, welk vonnis daarna door de Hoger Raad is vernietigd. In de herzieningszaak kwam justitie met nieuw DNA-bewijs, waarover geen enkele eerdere rechter zich had uitgesproken. Op grond van dat nieuwe bewijs werd de verdachte opnieuw veroordeeld. De Hoge Raad heeft dit laatste vonnis in stand gehouden. Hiermee heeft de Hoge Raad een volstrekt novum geschapen: dit DNA-bewijs is slechts door één gerechtshof beoordeeld. Dit gerechtshof heeft het bovendien niet nodig gevonden, het DNA-bewijs aan een contra-expertise te onderwerpen door andere onderzoekers. Een hernieuwde beoordeling van dit bewijs door een tweede rechtscollege is er niet geweest. Toch heeft de Hoge Raad gevonden, dat dit door de justitiële beugel kon.
Ik vind het voor een rechtstaat zeer opmerkelijk, dat er de bemoeienis van een bekende Nederlander voor nodig is om al deze rechtsgeleerden – misschien – tot andere gedachten te brengen. Mocht uiteindelijk Ernst Louwes eerherstel krijgen, dan stel ik voor dat het Nederlandse volk Maurice de Hond beloont, door zijn eerstvolgende verkiezingsprognose voor 100% te laten uitkomen.

9 februari 2006 Uitgeregeerd?

De fractievoorzitter van D66, Boris Dittrich, is afgetreden vanwege het stuntelige optreden van zijn partij rond de uitzending van Nederlandse militairen naar Afghanistan. Naar aanleiding hiervan wordt her en der gespeculeerd op een mogelijk einde van het kabinet Balkenende.
Lousewies van der Laan bazuint het tegendeel rond: D66 ligt weer volledig op koers, en wil het kabinet zijn werk laten voltooien, maar ja, wie gelooft dat? Viel het eerste kabinet Balkenende niet omdat de LPF instabiel was geworden, hoewel die partij zelf voortdurend het tegendeel beweerde? Nu is D66 instabiel, dus waarom zou het kabinet dan nog doorgaan? De belangrijkste taken van het kabinet zijn volbracht. De WAO en de WW zijn gesaneerd; we beginnen dat te merken aan dalende premies. De nieuwe zorgverzekering is gerealiseerd, en dat merken we aan enorme stijgingen van de premies. Er is een bescheiden dam opgeworpen tegen het vervroegd stoppen met werk, de onroerende zaakbelasting is voor een derde afgeschaft, en het financieringstekort gaat weer in de richting van tussen nul en één procent. Het enige dat het kabinet nog rest is leuke dingen doen voor de mensen en zoveel geld uitgeven, dat de kiezers in mei 2007 zullen denken, dat het allemaal toch wel is meegevallen.
Maar dat zal niet veel helpen; de kiezers gaan in mei 2007 toch Wouter Bos kiezen, die dan ook nog eens 4 jaar geld gaat uitgeven, want hij moet laten zien dat hij Balkenende niet is. Dit land kan immers zoveel beter! Dat wordt dus vijf jaar lang geld uitgeven, eerst Balkenende een jaar en dan Bos vier jaar, en dan hebben we in 2011 een kabinet-Balkenende-3 nodig om een nieuwe cocktail van zuur en zoet te serveren. Daarom lijkt het me beter, dat Balkenende geen poging doet bij de kiezers in het gevlei te komen. Als er een kabinet-Bos moet komen, dan liever direct. Ik denk dat het land er niet mee gediend is, dat Balkenende dat eerst nog een jaar probeert te verhinderen door te strooien met miljarden.

2 januari 2006 Schaf de tarieven in de gezondheidszorg af!

Een gelukkig nieuwjaar gewenst! Denkt u ook, dat u er financieel op achteruit gaat door de invoering van de nieuwe basisverzekering? Ik wel, maar dat is niet erg, want ik kan dat wel hebben. Maar ik denk dat we het hele systeem beter kunnen afschaffen. Want nu is minister Hoogervorst al weer aan het denken over een waarborgfonds voor de onverzekerden. Er is een zorgtoeslag ingevoerd, waarmee de armste burgers in staat zijn het verschil te overbruggen tussen de nominale premie van het voormalige ziekenfonds en de premie van de basisverzekering. Maar dat bedrag wordt door de belastingdienst een paar weken eerder uitbetaald dan de premie moet worden voldaan. De vrees is nu, dat velen dat geld in die paar weken aan iets anders besteden, waardoor ze aan het eind van de maand niet meer in staat zijn de premie te betalen. Nieuw in het systeem is, dat wanbetalers na een aantal maanden uit de verzekering geschrapt mogen worden; de ziekenfondsen mochten dat niet. Somber denkende politici - vooral zij die tegen het nieuwe stelsel zijn - voorzien nu een leger van honderdduizenden onverzekerden, en daar moet iets op gevonden worden. Er komt dus een waarborgfonds, dat er voor zorgt, dat je toch behandeld wordt, ook als je niet verzekerd bent. En wie gaat dat betalen? Natuurlijk degenen die wel hun premie betalen. Ik voorzie, dat binnen een paar jaar een opslag op de premie wordt geheven, om het waarborgfonds te betalen.
Waarom houden we niet gewoon op met dit rondpompen van geld? Als we nu eens alle tarieven in de gezondheidszorg afschaffen, en de artsen, tandartsen en ziekenhuizen gewoon een vast bedrag uit de staatskas betalen? Dan moeten de belastingen natuurlijk omhoog. Ik denk, dat de eerste schijf met 3 procent omhoog moet, de tweede schijf met 4 procent en de derde schijf met 2 procent. En om ook de werkgevers iets te laten bijdragen moet de vennootschapsbelasting ook met 2 procent omhoog. Ik roep maar wat; politici die beter kunnen rekenen dan ik (als die er zijn tenminste) moeten deze percentages maar wat preciezer bepalen.
Het voordeel van deze maatregel is enorm: het hele circuit van facturering en verzekering in de gezondheidszorg kan verdwijnen, met al zijn onbegrijpelijke codes, geheime rituelen en dure reclames op radio en televisie. We hoeven niet bang te zijn dat de kosten de pan uit rijzen, want de sector krijgt een vast bedrag uit de staatskas. Dit vaste bedrag hoeft niet opnieuw tot wachtlijsten te leiden, want de sector krijgt natuurlijk in ruil voor het vaste bedrag de wettelijke plicht om alle patiënten altijd binnen een redelijke tijd te helpen. Er is geld genoeg, want de hele overhead van rekeningen schrijven en vergoedingen innen kan aan betere zaken worden besteed. Ook alle geld, dat nu bij de verzekeraars aan de strijkstok blijft hangen kan aan echte zorg worden besteed. Concurrentie tussen de zorgaanbieders kan worden uitgelokt, door de verdeling van het vaste bedrag over de ziekenhuizen en artsen afhankelijk te stellen van de prestaties.
In het hoger onderwijs werkt het al jaren zo, en daar klaagt niemand over wachtlijsten of over de pan uit rijzende kosten. Alleen uitgelote studenten geneeskunde zorgen ieder jaar voor een golfje van zielige brieven op het ministerie, maar verder is er voor iedere student altijd plek. Wel roept de sector van het hoger onderwijs jaar in jaar uit, dat het financieringsniveau is gedaald tot beneden het absolute minimum, maar dat neemt buiten het hoger onderwijs niemand serieus, zolang internationale vergelijking uitwijst, dat Nederland in de bestedingen per student de derde van Europa is, en zeven Nederlandse universiteiten in de top twintig van Europese onderzoekinstellingen staan.
Daarom, minister Hoogervorst, het is een beetje jammer van het vele werk, dat u en uw ambtenaren er aan besteed hebben, maar schaf die hele basisverzekering maar af, en betaal de sector rechtstreeks uit de staatskas. Uw collega Zalm heeft een efficiënt systeem om het daarvoor benodigde budget te innen en te bewaken.

13 november 2005 Spelling

Ik heb dit weekend het congres van het Genootschap Onze Taal bezocht in het Beatrixtheater in Utrecht. Een gezelschap van 1500 mensen had het er voor over om zes uur in theaterstoeltjes met krappe beenruimte (minder dan in KLM-vliegtuig) te zitten en te kijken naar een podium ver weg, waar een reeks van sprekers interessante betogen hield over allerlei aspecten van taalverrijking en taalverloedering. Het was een beschaafd gezelschap: er werd netjes geapplaudisseerd aan het eind van elke lezing en ook toen de kersverse beschermvrouwe prinses Laurentien Brinkhorst na de ochtendsessie als eerste de zaal mocht verlaten. Verder werden de betogen slechts drie maal door applaus onderbroken. Dat was telkens als een spreker een snerende opmerking maakte over de spellingsregels in het nieuwe Groene Boekje. Zoiets moet de Nederlandse Taalunie en de vergadering van ministers van onderwijs van Nederland, Vlaanderen en Suriname toch te denken geven! Het neusje van de zalm van de liefhebbers van de Nederlandse taal, dat hier bijeen was, heeft blijkbaar geen goed woord over voor de nieuwe spelling, waardoor we nu Oost-Wit-Russisch moeten schrijven in plaats van oostwitrussisch. De oude spelling bevat nu dus 5 fouten, zoals een spreker signaleerde. Beide varianten worden overigens door de spellingscontrole van Word afgekeurd. En het wordt paddenstoel in plaats van paddestoel. Beide woorden worden merkwaardig genoeg door Word goedgekeurd. En appèl wordt appel, waardoor het appèl in de naam van de partij van onderwijsminister Van der Hoeven, die voor deze spellingswijziging de verantwoordelijkheid heeft genomen, in de spelling niet meer van een smakelijke appel is te onderscheiden.

Ik ben niet van plan deze nieuwe spelling te gaan leren. Als ik toevallig een van deze nieuwe regeltjes onthoud, zal ik mijn pen niet tegenhouden om hem te gebruiken, maar ik doe er geen moeite voor. Als ik werk op een computer met een spellingscontrole waarin het nieuwe Groene Boekje is verwerkt, ben ik bereid de spellingssuggesties van het tekstverwerkingsprogramma over te nemen. Als de automatiseerders van het Ministerie van Onderwijs er voor zorgen dat op mijn werkplek de nieuwste spellingscontrole aanwezig is, vind ik het best. Maar ik ga thuis geen aangepaste spellingscontrole kopen. Als ik over 5 jaar een nieuwe computer met software koop zie ik wel verder. Verder doe ik niet mee in deze nieuwe spellingsmode. De taal heeft zoveel boeiende aspecten, waaraan ik aandacht kan geven, dat ik niet van plan ben ook maar de minste fractie van mijn hersencapaciteit aan deze nieuwe onzin te wijden. Ik weet bijna zeker, dat de 1500 bezoekers van het congres van Onze Taal dat helemaal met me eens zijn!

Naschrift op 18 december 2005: omdat mijn computer opnieuw moest worden geïnstelleerd was ik vele avonden van de straat, waardoor ik nog geen nieuwe column heb bedacht. Daarom laat ik bovenstaande tekst nog maar even staan, die aan actualiteit niets heeft ingeboet. Dit weekend werd bekend, dat de redacties van de grote kranten gezamenlijk hebben besloten om de nieuwe spellingsregels te boycotten. Voor de redactie van Trouw was dat een kwestie van sociale en historische bewogenheid: de afwijkende spellingen zouden de taalachterstand van nieuwkomers bevorderen, en de toegankelijkheid van historische teksten in gevaar brengen. Tja, zover hoeven ze van mij nu ook weer niet te gaan: men kan van elk praktisch punt wel een principiële kwestie maken!

18 september 2005 Adders onder het gras

Er zitten gemene adders onder het gras bij de nieuwe basisverzekering tegen ziektekosten! En daarmee bedoel ik niet het tariefstelsel waar de huisartsen eerder dit jaar zo’n stampij over maakten. Dat geneuzel op de vierkante centimeter is heel snel afgevoerd. Het ging de huisartsen niet om het geld, zeiden hun aanvoerders, maar toen de minister het bedrag per consult verhoogde van 7 naar 8 euro en het bedrag per ingeschreven patiënt verlaagde naar 48 naar 45 euro, en het deel van het budget dat de verzekeraars verdelen voor speciale diensten verlaagde van 6% naar 3% gingen ze ineens akkoord. Hoezo ging het hun niet om het geld? Ja natuurlijk wel, maar de echte pijn was toen nog verborgen.

Deze zomer begonnen gepensioneerden zich zorgen te maken over de werkgeversbijdrage van 6,25% over het inkomen tot 30.000 euro, waarvan de regering in een voorlichtingsfolder had gemeld, dat deze ‘behoudens enkele uitzonderingen’ volledig door de werkgever en uitkeringsinstantie wordt vergoed. Want nu pas, nadat eerste en tweede kamer met de wet zijn akkoord gegaan, blijkt dat pensioenfondsen geen uitkeringsinstanties zijn, zodat gepensioneerden bovenop de nominale premie van 1100 euro per persoon ook eens maximaal 1875 euro kwijt zijn aan deze inkomensafhankelijke bijdrage. Daarover is in het maatschappelijk debat nooit gesproken! Nu heet het in de koopkrachtplaatjes van de regering, dat ‘gepensioneerden met een klein aanvullend pensioen’ hier de dupe van zijn. Deze formulering suggereert, dat gepensioneerden met alleen AOW er geen last van hebben, maar ik durf er geen gif op in te nemen, dat de AOW-uitkeringsinstantie de 6,25% wel betaalt. Ik vrees, dat ook de AOW’ers belazerd zijn. En hoe zit het met gepensioneerden met een groot aanvullend pensioen? Zijn die niet de dupe als ze 1825 euro extra moeten betalen?

Maar er is nog meer aan de hand. In diverse artikelen en rekenvoorbeelden in kranten en tijdschriften is gemeld, dat die 6,25% wel door de werkgever wordt betaald, maar dat de werknemer daar belasting over moet betalen. Dit betekent, dat de gemiddelde werknemer naast de nominale premie van 1100 euro per persoon ook nog eens tussen de 600 en 1000 euro per jaar kwijt is aan belasting over de werkgeversbijdrage. Ook hiervan is in het maatschappelijke debat nooit sprake geweest, tot na het aannemen van de wet door de eerste kamer. Ook de folder die de regering in augustus huis aan huis verspreidde (‘om te bewaren bij uw verzekeringspapieren’) rept hier niet van. Integendeel, in deze folder zegt de regering, dat de werkgever die 6,25% van het inkomen tot 30.000 euro ‘verplicht is volledig aan u te vergoeden’. Als dan nu zou blijken, dat de werknemer over die vergoeding belasting moet betalen, dan liegt de regering dus in deze voorlichtingsbrochure, en dat vind ik zeer onthutsend! Want ‘volledig vergoeden’ kan immers slechts twee dingen betekenen: óf de vergoeding is belastingvrij, óf de werkgever moet ook de belasting over de vergoeding betalen.

Wie heeft nu wie belazerd in deze zaak? Wie heeft in het eerste half jaar van 2005, toen de wet parlementair werd aangenomen, precies geweten van deze twee zeer ongunstige effecten van de nieuwe wet? De ambtenaren van minister Zalm waarschijnlijk wel, want die financieren de zorgtoeslag uit de belasting die geheven wordt op de werkgeversbijdrage. Dat hebben ze waarschijnlijk heel precies uitgerekend. En de ambtenaren van minister Hoogervorst zullen het ook wel geweten hebben, maar die mochten het natuurlijk niet zeggen. En die waren maar al te blij, dat ze de zorgtoeslag er bij financiën doorkregen. Zonder die zorgtoeslag zou de wet er immers nooit gekomen zijn! En zouden de kamerleden het geweten hebben? Ik heb alle kamerstukken er nu even niet op nageslagen, maar ik kan me moeilijk voorstellen, dat kamerleden van VVD en CDA doelbewust hebben meegewerkt aan een stilzwijgende extra belastingaanslag van 1000 euro voor alle inkomens boven 30.000 euro. Ik heb het sterke vermoeden, dat als er niet keihard gelogen is, dat er toch een paar jaar lang heel bewust en opzettelijk halve waarheden zijn verteld. Ik kan mij nu al de publiciteit voorspellen over de loonstrookjes in januari 2006 en wacht met smaak de kamervragen en parlementaire enquêtes af!

21 augustus 2005 Koninklijke geschiedschrijving

Ik heb het al vaker betoogd: een monarchie is niet democratisch. Het is principieel onmogelijk, dat de functie van een democratisch staatshoofd door overerving wordt vervuld. Men ziet dan ook, dat het aantal monarchieën in de wereld in de laatste eeuw enorm is afgenomen. Het feit, dat wij in Nederland nog steeds met dit systeem zijn opgezadeld kan alleen verklaard worden uit een collectieve Nederlandse afwijking van de rest van de wereld. Een afwijking, die wij delen met de Britten, de Belgen, de Zweden, de Denen, de Noren, en sinds het einde van de Franco-tijd ook met de Spanjaarden. Japan is een klasse apart, waar monarchie en religie zo hand in hand gaan, dat zelfs het erkennen van de agressieve rol van Japan in de tweede wereldoorlog nog steeds niet mogelijk is. Maar voor het overige kent de wereld geen democratische stelsels met een staatshoofd dat zijn functie alleen aan zijn geboorte dankt. Wel zijn er nog een aantal dictatoriale stelsels in de Arabische wereld en in Afrika, waar de vorsten hun positie danken aan feodale verhoudingen die nog steeds niet door de geschiedenis zijn ingehaald.
Het feit, dat een land met zo’n systeem is opgezadeld, heeft tot gevolg, dat de gekozen politici in meerderheid niet in staat zijn om rationeel te oordelen in zaken die de positie van het staatshoofd raken. Ik heb het al meermalen betoogd. De afgelopen week hebben we het weer kunnen waarnemen. Het schijnt Hare Majesteit behaagd te hebben om Cees Fasseur toestemming te geven de stukken over de Greet Hofmans affaire in te zien, die boven water zijn gekomen na het overlijden van prins Bernhard en de vroegere koningin Juliana. Cees Fasseur heeft een interessante biografie van koningin Wilhelmina geschreven, waarin hij op koninklijke wijze de kolen en de geiten rond prins Hendrik en zijn officiële en onofficiële nazaten heeft gespaard. ‘Eén bastaard, meneer Fasseur, niet meer!’, luidde de instructie, en daar heeft Fasseur zich aan gehouden. Uit dank hiervoor acht koningin Beatrix hem waardig om de Greet Hofmans affaire historisch te boekstaven. Daarom geeft zij alleen aan hem toestemming om de betreffende stukken in te zien, met inbegrip van het rapport van de commissie van wijze mannen, die destijds wisten te voorkomen dat ons land in een constitutionele crisis belandde. Lambert Giebels, dat is de biograaf van de voorzitter van die commissie, de vroegere premier Beel, had dit rapport ook graag willen zien, maar deze historische bron gaat voorlopig aan hem voorbij.
Een dergelijke gang van zaken roept natuurlijk vragen op over de objectiviteit van deze geschiedschrijving. Vanuit de Tweede Kamer zijn zulke vragen dan ook gesteld. In antwoord op die kamervragen heeft premier Balkenende geantwoord, dat hij het terecht vindt, dat Cees Fasseur het monopoly krijgt op de stukken over de Greet Hofmans affaire. Die stukken behoren tot het archief van het koninklijk huis, dat is privé-bezit, en daarvoor geldt de archiefwet niet, en dus mag de koningin, als hoofd van het koninklijk huis bepalen wie toegang heeft tot deze stukken en wie niet.

Als de premier het hierbij had gelaten, was het nog tot daar aan toe geweest. Deze stukken zijn inderdaad privé-bezit, en de premier kan het niet helpen, dat er geen wet is, waarmee hij dit bezit kan onteigenen, alhoewel de archieven van het koninklijk huis zijn bekostigd met geld, dat door de Nederlandse samenleving in de loop van de eeuwen naar deze familie is toegeschoven. Maar de premier had natuurlijk wel kunnen proberen de koningin ervan te overtuigen dat het in het belang van de historische wetenschap is dat meer dan één historicus in staat wordt gesteld deze stukken te raadplegen, en dat de Nederlandse samenleving gebaat is bij een breed gedragen interpretatie van deze stukken. Objectieve geschiedschrijving is alleen mogelijk op basis van bronnen die door vakgenoten kunnen worden gecontroleerd. Eventueel had de premier de kamer kunnen antwoorden, dat de koningin tot zijn spijt niet bereid is gebleken meerdere historici toegang tot deze stukken te verlenen, en dat hij daar helaas binnen de bestaande wet niets aan kan doen. Dat had ik eerlijke taal gevonden van een democratische regeringsleider.
Maar nee, de premier vat zijn taak in het licht van artikel 42 van de grondwet weer zeer ruim op, en neemt de koninklijke beslissing ten volle voor zijn rekening. ´Het is gevoelige materie, en we moeten oppassen, dat willekeurige schrijvers krenten uit de pap nemen en een onevenwichtig beeld schetsen. Fasseur is een goed schrijver en een integere wetenschapper.´ Je gelooft je ogen niet als je dit leest! Sinds wanneer bepaalt de regering wie een goed schrijver is of een integere wetenschapper? Hoe komt de premier er bij, dat andere historici met een paar krenten uit de pap een onevenwichtig beeld zullen scheppen? Zitten de meer evenwichtige historici er dan niet met de neus boven op, om dat beeld direct recht te zetten?
En de Tweede Kamer? Die legt zich zoals gewoonlijk in koningshuiszaken in meerderheid bij de visie van de premier neer. In een land met een parlementaire monarchie kan dat niet anders, anders was die monarchie al lang afgeschaft.

17 juli 2005 Naar een Europees parkeerbeleid!

Zojuist teruggekomen van een rondreis per auto door een paar zeer beschaafde EU-landen voel ik de behoefte aan een Europees parkeerbeleid. Parkeren is namelijk EU-breed een zeer klantonvriendelijke aangelegenheid. Weliswaar is in de beschaafde landen die ik heb bereisd (Duitsland, Finland, Zweden en Denemarken) het parkeertarief gemiddeld drie tot zes maal lager dan in Nederland, maar een prijs voor vriendelijkheid kan ik nergens geven. Meestal is men voor het betalen afhankelijk van het bezit van bepaalde muntstukken. Ik heb geen landen aangetroffen waar de parkeerautomaten alle in dat land bestaande munten en bankbiljetten accepteren en geld teruggeven. Wisselloketten ontbreken vrijwel overal. Bovendien wil het nog wel eens voorkomen, dat een munt die er volstrekt gaaf uitziet, bij herhaling wordt geweigerd door de automaat. Dan moet men maar de juiste vervangende munten paraat hebben om een parkeerboete te voorkomen. Nu zijn die boetes in deze landen misschien niet zo onbeschaafd als in Nederland, waar het kan voorkomen, dat een euro te weinig betalen wordt afgestraft met een boete van 60 euro. Dat is een verhoging van 6.000 %, in flagrante tegenspraak met het proportionaliteitsbeginsel waar onze softe strafrechtjuristen zo graag mee schermen. Parkeren is blijkbaar een veel ergere misdaad dan roof en moord.
Een ander klantonvriendelijk aspect van het parkeren is het betalen vooraf bij parkeermeters, terwijl men nog niet weet hoe lang men wil parkeren. Een systeem met betalen achteraf, waarbij men precies betaalt voor de tijd dat men heeft geparkeerd, komt alleen in parkeergarages voor. Nu is dit in die beschaafde landen die ik bereisde niet zo erg, omdat men zich bij een tarief van een kroon per uur best kan permitteren om een paar uur teveel te betalen, maar toch leidt dit systeem er toe, dat er meestal te veel betaald wordt. Dat is ook niet erg, als er maar niet disproportioneel beboet wordt bij overschrijding van de parkeertijd.
De eerste keer parkeren, nadat men een muntgrens heeft gepasseerd is bijna altijd een ramp. Men heeft dan nog geen geld van het land waarin men is aangekomen. Daarvoor moet men naar een pinautomaat, en daarvoor moet de auto geparkeerd worden, en daarvoor zijn munten nodig die men niet heeft. Het is mij de laatste zeven jaar zeven keer overkomen, dat ik op deze manier een land binnenreed waar ik direct verlegen zat om de locale munten. De invoering van de euro heeft in dit opzicht wel verbetering gebracht, maar deze oplossing is nog niet tot in alle uithoeken van de EU doorgedrongen.
En dan heb ik het nu alleen maar over het parkeerbeleid in die beschaafde landen die ik zo af en toe bereis. In Nederland heerst een ware parkeerterreur, zeker voor buitenlanders. In Rotterdam kost een dag parkeren 15 tot 20 euro, en moet men in het bezit zijn van een chipknip die alleen in Nederland wordt uitgegeven. Dit hoeft geen bankpas te zijn; het kan ook een speciale parkeerpas van 25 euro zijn, maar die is alleen in Nederland verkrijgbaar, en alleen vóór 18.00 uur. Een buitenlander die na 18.00 uur in Rotterdam arriveert kan tot de volgende ochtend niet parkeren, een systeem, dat nota bene sinds vorige week is gesanctioneerd door de Hoger Raad. Ik hoop, dat de Lonely Planet niet zal nalaten dit saillante detail over The Netherlands te vermelden.

Het moge uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat er een Europees parkeerprobleem is waarvoor Brusselse regelgeving nodig is. Dat zou nou eens een verademing zijn, na het vele overbodige geregel over andere onderwerpen! Ik stel daarom voor, dat in Europees verband de volgende zaken worden geregeld:
1. Parkeren moet in beginsel worden afgerekend op basis van de werkelijk gebruikte parkeertijd. In gevallen waarin dat om technische reden niet mogelijk of te duur is, moet er een eenvoudig systeem bestaan om overschrijding van de vooraf betaalde parkeertijd na te betalen zonder boete.
2. Parkeerboetes moeten in alle gevallen evenredig zijn met de te weinig betaalde parkeergelden, en nooit meer bedragen dan 200% van het verschuldigde parkeertarief.
3. Indien een parkeerder kan aantonen, dat hij niet beschikte en redelijkerwijs niet kon beschikken over de door de parkeerautomaten vereiste betaalmiddelen, mag hem achteraf niet meer dan 100% van het normale parkeertarief in rekening worden gebracht.
4. Bij overschrijding van een valutagrens mag een parkeerder altijd vrij parkeren tot hij de gelegenheid heeft gehad om zich de benodigde betaalmiddelen te verschaffen.
Naar goede Europese traditie moeten deze regels natuurlijk nog wel in een referendum aan de bevolking worden voorgelegd, maar daarin zie ik geen onoverkomelijke barrière.

18 juni 2005 De psychologie van het wachten

Ik heb onlangs een nieuwe fiets gekocht. De tegenwoordige fietsmakers weten bij elke kleine reparatie altijd wel een groot aantal andere ernstige gebreken te vinden. Voor minder dan 50 euro kom je zelden meer weg. Slagje in het achterwiel? Helaas, niet op te lossen door een paar spaken te stellen. Nee, er moet een hele nieuwe achterband in, want die loopt onregelmatig. De remmen moeten wat strakker afgesteld worden? We beginnen met voor 24 euro nieuwe remblokjes te plaatsen! Toen ik mijn fiets een paar weken geleden een nieuwe ketting wilde laten geven plus de bijbehorende achtertandwielen rekende ik wel op zo'n 50 euro, maar binnen een kwartier belde de fietsmaker met zijn diagnose. Ook de voortandwielen moesten vervangen, maar die werden niet meer geleverd in het type dat er op zat, dus er moest ook een ander kettingscherm op. En bovendien zat er speling in de trapas, de vooras en de achteras. Dat ging alles bij elkaar wel een 400 euro kosten, en dat was veel meer dan de dagwaarde van het 14 jaar oude rijwiel. Ik had natuurlijk naar een andere fietsmaker kunnen gaan voor een second opinion, maar daar had ik niet zoveel zin in, en ik besloot dan ook maar tot de aanschaf van een nieuwe fiets.
Dat bleek geen slechte keuze, want met deze fiets heb in de eerste twee weken de 15 km naar mijn werk afgelegd in gemiddeld 43 minuten. Met de oude fiets was het gemiddeld ruim 49 minuten. Een tijdwinst van 12 minuten per dag! Ik probeerde vroeger wel eens gelijk op te rijden met een collega, maar ik hield hem nooit bij, maar deze weken lukte dat ineens wel. Ik heb tegen hem gezegd, dat ik dacht dat ik oud werd, maar dat was niet zo: mijn fiets was oud.
Op deze fiets heb ik een fietscomputertje, waarmee ik de echte rijtijd meet, exclusief de wachttijden bij stoplichten. Ik heb altijd gedacht, dat ik per rit zeker 5 minuten kwijt was aan wachten bij stoplichten. De collega die ik eerst niet kon bijhouden, dacht zelfs dat het 8 minuten was. Dankzij deze fietscomputer kan ik nu de rijtijd vergelijken met de totale tijd die ik met mijn horloge meet. En wat blijkt: de gemiddelde wachttijd was deze weken 1 minuut en 6 seconden per rit, met een maximum van 2 minuten 10 seconden en een minimum van nul. Het wachten bij de stoplichten lijkt eindeloos lang te duren, maar dat is dus pure psychologie!

29 mei 2005 Schimmig conflict

De huisartsen staken. Dit is op zichzelf al vreemd, omdat de meest huisartsen zelfstandig gevestigd zijn, al dan niet als deel van een collectief. Staken doe je omdat je het niet met je baas eens bent, en huisartsen hebben geen baas. Maar het meest schimmige vind ik, dat de werkelijke argumenten niet worden uitgesproken. De huisartsen zien kennelijk niets in het nieuwe stelsel van zorgverzekering, maar de argumenten die ze gebruiken zijn of onjuist, of ze gaan over kleine dingen in de marge van het nieuwe systeem. Hun werkelijke argument spreken ze niet uit.
In het huidige stelsel krijgt een huisarts voor ziekenfondsverzekerden een vast jaarlijks bedrag van 72 euro, ongeacht het aantal keren dat de verzekerden de huisarts bezoeken. Voor de particulier verzekerden stuurt de huisarts per consult een rekening van 25 euro. In het nieuwe systeem wordt dat voor alle verzekerden een vast bedrag van 48 euro per jaar en 7 euro per consult, zo'n beetje het gemiddelde van de huidige particuliere en ziekenfondstarieven. Alles bij elkaar opgeteld gaat hierin per jaar 1,4 miljard euro om. Dit geld wordt wel 'het budget van de huisartsen' genoemd, wat een onjuiste benaming is, omdat het gaat over geld van particulieren en verzekeraars, dat aan de huisartsen op declaratie wordt uitbetaald, nadat patiënten gebruik hebben gemaakt van de diensten van de huisartsen.
Verder is er nog een bedrag van 90 miljoen gereserveerd voor speciale activiteiten en dit geld wordt verdeeld door de verzekeraars. Het conflict waarvoor de huisartsen staken, althans hun praktijk gesloten houden, gaat zogenaamd over de manier waarop deze 90 miljoen wordt verdeeld. Ik heb een huisarts op de televisie horen zeggen, dat als de verzekeraars de verdeling van dit geld gaan bepalen, dat dan de verzekeraar in de spreekkamer over de rug van de dokter meekijkt, terwijl de dokter 8 jaar voor dit werk heeft gestudeerd en de verzekeraar niet. Even afgezien van het feit, dat de verzekeraar voor dit werk natuurlijk ook wel artsen in dienst kan nemen die 8 jaar gestudeerd hebben, is dit een onzinnige voorstelling van de zaken. Het is heel goed mogelijk om een lijst van speciale verrichtingen op te stellen, met de daarbij behorende tarieven, aan de hand waarvan de huisartsen hun declaraties indienen. Goedkeuring van een verzekeraar zal natuurlijk alleen aan de orde zijn als het discutabel is of een bepaalde verrichting nodig is. Voor zaken waar er een medische noodzaak is, die de arts kan verhelpen, hoeft de arts de verzekeraar niet te vrezen, lijkt mij. Toch hoor ik de voorzitter van de huisartsenvereniging spreken over 'geld dat van de huisartsen is, en dat niet naar de verzekeraars mag gaan'. Onzin! Het geld is van ons allemaal, en de huisartsen krijgen het betaald als we hun diensten nodig hebben. Het geld dat ik volgend jaar aan een huisschilder wil betalen is van mij, niet van die schilder. Het wordt pas van die schilder als hij mijn huis geschilderd heeft, en mij daarvoor volgens de afgesproken condities een rekening heeft gestuurd. Als wij het tevoren niet eens worden over die condities staat het de schilder overigens vrij om mijn huis niet te schilderen.
Ik denk, dat de schimmigheid van de discussie het gevolg is van het verzwijgen van het werkelijk argument. De huisartsen vrezen voor hun inkomen, niet vanwege die 90 miljoen, maar om hun aandeel in de rest van die 1,4 miljard. In het huidige stelsel is het financieel interessant om veel particuliere patiënten boven de vijftig te hebben, want die gaan gemiddeld wel vier keer per jaar naar het spreekuur en vragen ook nog wel tweemaal een herhalingsrecept. Dat levert 125 euro op per patiënt. Ook is het voordelig om veel ziekenfondspatiënten beneden de 30 te hebben. Die gaan zelden naar het spreekuur, maar brengen wel 75 euro op. Daarentegen zijn particuliere patiënten beneden de 30 en ziekenfondspatiënten boven de 50 minder interessant, om omgekeerde redenen. In het nieuwe stelsel is er geen verschil meer tussen ziekenfonds en particuliere verzekeringen. De huisartsen kunnen hun inkomen alleen nog maximeren met veel consulten die 7 euro per keer opleveren. Het hebben van een praktijk met veel oude patiënten is de enige manier om het inkomen op te vijzelen, maar het kost wel veel werk. Ik heb een huisarts op de televisie ook horen zeggen dat hij vreesde dat de patiënt bij een vervolgafspraak zal gaan denken 'hij is op mijn 7 euro uit'. Alweer klinkklare nonsens! Ik heb als particuliere patiënt nog nooit gedacht 'hij is op mijn 25 euro uit', als ik na een bezoekje van 2 minuten weer buiten stond. Waarom zouden we dat over die 7 euro dan wel gaan denken?
Als het waar is, dat bij de onzekerheid over de inkomensontwikkeling de schoen werkelijk wringt, dan moet dit eerlijk worden uitgesproken. Dan kunnen er overgangsregelingen worden bedacht en praktijken herverdeeld om te grote schokken in inkomen te voorkomen. Maar met argumenten over de zorg over hun inkomens kunnen de huisartsen op minder begrip van de samenleving rekenen. Nu steunt de meerderheid van de patiënten hun actie, omdat ze op gezag van de artsen aannemen, dat de overheid en de verzekeraars hen onheus behandelen. Als ze eerlijk zouden zeggen, dat ze zich zorgen maken over hun inkomen, en over de manier waarop ze dat zelf kunnen beïnvloeden, zou die steun wel eens snel kunnen wegsmelten. Dan blijken zij gewoon ondernemers te zijn, die niet op tijd gezien hebben dat het getij verloopt en dat zij een paar bakens moeten verzetten.

23 mei 2005 Wie voor is, moet niet gaan stemmen

Wij gaan op 1 juni in Nederland een vreemd referendum beleven. Ons wordt gevraagd in te stemmen met het voorstel voor een Europese grondwet. Deze zogenaamde grondwet is het resultaat van vele jaren overleg tussen de Europese landen over de manier waarop een steeds groter wordend Europa in de toekomst bestuurd moet worden. Talloze factoren zijn daarbij tegen elkaar afgewogen en er zijn diverse compromissen gesloten. Het is allemaal neergelegd in een omvangrijk document, dikker dan de dikste grondwet van een afzonderlijke lidstaat. Een grote meerderheid van de Tweede Kamer, alle regeringspartijen, maar ook de grootste oppositiepartij, is voor het aanvaarden van deze grondwet. Maar nu heeft de Tweede Kamer besloten, dat nog een consultatief referendum moet worden gehouden, zodat de bevolking zich rechtstreeks kan uitspreken. Als er voldoende kiezers opkomen, zal de meerderheid van de kamer zich conformeren aan deze uitspraak. Het consultatieve referendum wordt daarmee een voorwaardelijk bindend referendum. Ons staatsrecht kent dat niet, maar het staat de Tweede Kamer vrij om zich op deze manier de handen te laten binden.
Ik vind dat verschrikkelijk dom. Nog nooit is een Europese beslissing in een referendum aan de Nederlandse bevolking voorgelegd. De uitbreiding met Engeland niet (en wat hebben we van die Thatcher een last gehad!), de uitbreiding met Spanje en Portugal niet (maar hun olijven zijn lekker), de uitbreiding met Finland, Denemarken en Zweden niet (maar wie zou Ikea nog willen missen), de uitbreiding met de Oost-Europese landen niet, het landbouwbeleid niet, de invoering van de euro niet, de mogelijke toetreding van Turkije niet. Niets van dit alles is ooit onderwerp van een referendum geweest. Met het uitschrijven van dit referendum heeft de Tweede Kamer de kans geboden om alle ontevredenheid over Europa voor één enkele keer te kanaliseren in een stem over de grondwet. De vermeende prijsverhogingen door de euro, de vrees voor het overspoelen van onze arbeidsmarkt door Polen en Bulgaren, de angst voor een Turks-Islamitische overheersing, dit alles kan er toe leiden, dat de kiezer zich uitspreekt tegen een verbeterd bestuurssysteem in Europa. Natuurlijk zijn er genoeg verstandige lieden in ons land, die weten dat deze stemming niet gaat over de Euro, de Poolse arbeidskrachten of de toetreding van Turkije. Maar jammer genoeg zijn er nog veel meer onverstandige mensen, die zich gemakkelijk wijs laten maken, dat de Euro, de Polen en de Turken een goede reden zijn om tegen deze grondwet te stemmen. Ik voorspel, dat het om die reden mis gaat met dit referendum. Dat betekent, dat Europa nog jarenlang op de oude voet bestuurd zal worden, dat er voorlopig geen Europese minister van buitenlandse zaken komt die een waardig tegenwicht vormt tegen zijn Amerikaanse, Russische en Chinese collega's, dat het voorzitterschap elk half jaar blijft rouleren tussen de landen, en dat Europa dus nooit een duidelijk gezicht naar buiten krijgt. De wereld zal in dollars blijven rekenen en de Verenigde Staten blijven met hun oppervlakkige consumptiementaliteit de boventoon voeren.
Is dit een ramp? Nou nee. Europa heeft de laatste dertig jaar enorme vorderingen gemaakt zonder grondwet, en het zal zo best nog wel dertig jaar door kunnen gaan. Maar met deze grondwet had wel een belangrijke stap vooruit gezet kunnen worden naar een nieuwe positie van Europa in de wereld. Een beter bestuurbaar continent met een duidelijker gezicht en een degelijke economische basis kan op lange termijn alleen maar een voordeel zijn.
Maar het ziet er dus naar uit, dat het allemaal niet doorgaat, omdat drie miljoen mensen in een klein landje zich laten wijsmaken dat Nederland zich zelf niet blijft als we door het aanvaarden van de Europese grondwet een nieuwe superstaat in het leven roepen. Twee miljoen mensen, inclusief 120 kamerleden, zijn van het tegendeel overtuigd, en de overige zeven miljoen hebben geen mening, of hebben geen zin er over na te denken.

Ik denk, dat de enige manier waarop de voorstanders de grondwet kunnen laten aannemen is door niet te gaan stemmen. Dan wordt de vereiste 30% opkomst niet gehaald, en dan moet de Tweede Kamer doen, waar zij voor gekozen is, en ook voor betaald wordt, namelijk zelf een beslissing nemen. Mijn stemadvies is daarom: blijf op 1 juni thuis!

14 mei 2005 Groene energie (2)

Op 16 april 2002 schreef ik in een column op deze site, dat ik niet meedeed aan de schijnvertoning van het kopen van groene energie, die toen nauwelijks meer duurder was dan grijze energie. Groene stroom kan namelijk alleen maar even duur zijn als grijze stroom, doordat op de grijze stroom een opslag wordt geheven, waaruit de groene stroom gesubsidieerd wordt. Ik betaalde dus in 2002 al lang voor groene stroom, ook zonder dat ik daarvoor een contract met mijn energiebedrijf afsloot. Ik voorspelde, dat het onmogelijk is, dat iedereen groene stroom afneemt, omdat er dan geen grijze stroom meer wordt afgenomen, waarop een heffing kan worden geheven om de groene stroom te subsidiëren.
Deze week hebben we deze voorspelling zien uitkomen. Minister Brinkhorst heeft met onmiddellijke ingang de subsidiëring van groene stroom stilgelegd, omdat de subsidiepotten, die zijn gevuld uit de heffing op de grijze stroom leeg zijn. De energiebedrijven en de milieubeweging schreeuwen moord en brand. Grootse plannen voor enorme windparken in de Noordzee moeten op de lange baan worden geschoven. Wat een onbetrouwbare overheid!
Laat ik vooropstellen, dat ik het ook jammer vind, dat die windparken er voorlopig niet komen. Het lijkt mij een heel goed idee, om zoveel mogelijk aardgas en olie in de grond te laten zitten voor later, en zoveel mogelijk te doen met energie uit bronnen die niet opraken. Maar dan hebben we wel een overheid nodig, die bereid is om regelend op te treden op het gebied van energie. Ik zou er in principe niets op tegen hebben als de overheid zou willen verordenen dat de helft van onze energie wordt opgewekt met groene middelen. De energiebedrijven moeten dan de kosten doorberekenen. Een kilowatuur wordt in dat geval wat duurder dan we gewend zijn, en we kunnen als samenleving beslissen of we bereid zijn zoveel voor onze energie te betalen. Zo niet, dan kiezen we een andere regering. Zo werkt het toch in een nette democratie?
Maar nee, de overheid wil juist de energie aan de vrije markt overlaten. Helaas is dat onverenigbaar met milieudoelstellingen, want de vrije markt kent alleen economische doelstellingen. Om toch nog via de energie iets aan het milieu te doen is de regulerende energieheffing bedacht, waaruit groene energie wordt gesubsidieerd. Het prijsverschil tussen groene en grijze stroom is bekend. De energieheffing die de regering durft te innen zonder de volksgunst te verspelen is ook bekend. Dus is het een kwestie van één vergelijking met één onbekende om uit te rekenen hoeveel groene energie gesubsidieerd kan worden bij een bepaald energieverbruik. Dat leert men in de tweede klas van het VWO, als het niveau van dit onderwijs tenminste nog vergelijkbaar is met dat in de dagen toen ik de MULO en de HBS bezocht.
Op het ministerie van EZ hebben ze deze rekensom nu ook gemaakt. Het antwoord is: precies zoveel groene energie als er nu al geproduceerd wordt. En dus draait minister Brinkhorst de kraan dicht. Hoezo onbetrouwbare overheid? Hoopten ze bij de energiebedrijven en de milieubeweging stiekem, dat de ambtenaren van minister Brinkhorst niet konden rekenen? Dat had ik pas echt onbetrouwbaar gevonden!

5 mei 2005 Een innoverende CAO

Het personeel van de universiteiten heeft een nieuwe CAO. Behalve een aantal regelingen die speciaal te maken met het wetenschappelijke werk valt daarin een loonstijging op van ruim een half procent per 1 september 2005. Gemiddeld is dat voor het hele jaar 0,17%, waarmee de sector van het wetenschappelijk onderwijs strikt genomen de nullijn voor 2005 overstijgt, zoals afgesproken in het centraal akkoord tussen de sociale partners en de regering. Maar dit is zo weinig, dat het niet de moeite waard is om er over te zeuren, temeer, daar er in deze CAO een aantal afspraken staan die in CAO-land beslist als een doorbraak beschouwd kunnen worden.
Over de uitkering bij langdurige ziekte was in het centraal akkoord onder hevig gemor van de vakbonden afgesproken, dat de totale uitkering bij ziekte in de eerste twee jaar niet meer mocht zijn dan 170% van een jaarsalaris. De vakbonden doen hun best om dit in veel CAO's te repareren tot '2 jaar 100%' maar in de universitaire CAO is afgesproken, dat slechts 6 maanden 100% wordt uitgekeerd, en daarna 18 maanden 80%. Over twee jaar is dat precies 170%. De reden waarom aan deze regeling de voorkeur wordt gegeven boven bijvoorbeeld 100% in het eerste jaar en 70% in het tweede jaar is heel interessant: het wordt als meer reïntegrerend beschouwd, als de verlaging van de uitkering al na 6 maanden ingaat. Voor zover ik weet, is dit de eerste keer, dat in een CAO wordt toegegeven, dat de gemiddelde zieke werknemer eerder zijn best zal doen om weer aan het werk te gaan, als hij dat merkt in zijn salaris. Dat mag beslist een doorbraak genoemd worden! We kunnen dus verwachten, dat over enige tijd geconstateerd wordt, dat burn-out bij universitaire medewerkers maar half zo lang duurt als bij mensen die onder andere CAO's vallen. Ra-ra hoe zou dat dan toch komen?
Het lijkt me de moeite waard om hierop door te redeneren. Zou het ook in de eerste zes maanden niet reïntegrerend werken als de zieke werknemer zijn verzuim zou merken in het salaris? Ik zie met belangstelling uit naar de eerste CAO, waarbij de ziekteuitkering vanaf de eerste dag tot en met de 24ste maand 85% is.

30 april 2005 Entertainment

Dat was weer heel aardig entertainment, dat onze moderne monarchie deze week op de beeldbuis bracht. Men moet echt een zeer verstokte republikein zijn om na deze week de samenbindende waarde van een koningshuis niet te zien. Een hele lange zaterdag van koekhappen, zaklopen, klappen, zingen en spelen. Zelfs allochtone Nederlanders voelen zich bij zo'n feest al voor 60% geïntegreerd, heeft Maurice de Hondt uitgezocht.
En daarvoor hadden we ook nog het interview met hare majesteit gehad naar aanleiding van haar 25-jarig regeringsjubileum, geflankeerd door video's waarin de huidige en de vorige premiers hun onuitsprekelijk bewondering uitspraken voor de plichtsgetrouwe manier waarop zij dit zware ambt gedurende al die jaren vervuld heeft. Interessanter nog dan het interview vond ik de nabeschouwing, waarin een deskundig panel telkens een kort fragment van het interview liet zien, waarna het gehoorde in een breder perspectief werd geplaatst en voor de kijker begrijpelijk werd gemaakt. De nabeschouwing van een voetbalwedstrijd is honderd maal minder interessant!
Het valt me op, dat hare majesteit in haar taalgebruik steeds meer dingen van voetballers overneemt, zoals het Johan Kruijff voornaamwoord. Dat wil zeggen, dat een persoon over zichzelf spreekt in de tweede persoon enkelvoud: 'je staat daar, en ziet die bal op je afkomen, en je denkt dan in een flits …'. Vele malen sprak Beatrix op deze manier over zichzelf: 'je staat dan ineens voor zo'n ambt, en dan denk je, waar begin je aan'. Het majesteitsmeervoud vervangen door een onvervalste voetballerszelfaanspraak! Democratischer kan het koningschap haast niet meer worden. Nu alleen nog even dat bekakte accent wat opfleuren, majesteit, en dan bent u helemaal mijn vorstin! Want zoals u de a uitspreekt, en trouwens ook de meeste andere 25 letters, doet niemand het in uw koninkrijk. Uw medeschoonouder Laurens Jan Brinkhorst komt een beetje in uw richting, en Sanne Wallis de Vries kan het aardig nadoen, maar verder praat geen Nederlander op die manier. Ik denk, dat hier nog een bijzondere taak ligt voor de minister van onderwijs. Die heeft niet voor niets 'een leven lang leren' in haar portefeuille.
Maar de ministeriële verantwoordelijk staat wel op de helling, heb ik begrepen. Premier Balkenende heeft eindelijk mijn columns van 10 februari 2002 en 19 december 2004 gelezen, en hij liet de verklaring van de afwezigheid van de koningin bij de begrafenis van de paus helemaal aan de kroonprins over. De premier zat in het buitenland, de kroonprins in New York, en dus had de koningin een rationele afweging gemaakt en besloten niet naar Rome te gaan voor de begrafenis van haar collega, het staatshoofd van Vaticaanstad. Oud premier Van Agt sprak van een schoffering van katholiek Nederland, hoewel onder zijn kabinet twee pausen zijn begraven zonder Nederlandse premier of koningin. De eerste keer ging de minister van Buitenlandse Zaken, de tweede keer de Nederlandse ambassadeur in Rome. Ook het no nonsense kabinet-Van Agt maakte rationele afwegingen. Om de fouten van Van Agt en Balkenende goed te maken gingen Willem Alexander en Maxima nu in ieder geval naar de intredemis van de nieuwe paus. Geen Zuid-Amerikaan, zoals ik heb bepleit, maar een Duitser. Dat is de laatste 500 jaar ook niet voorgekomen. En het is de eerste paus die in het Duitse leger heeft gediend. Ik heb gehoord, dat er wordt gestudeerd op een passende paasgroet aan de Nederlanders en dat daarbij gesuggereerd wordt 'Dank für die Fietsen aus Holland'.

10 april 2005 En nu een Zuid-Amerikaanse paus!

Aan de vele loftuitingen aan het adres van de overleden paus Johannes Paulus de Tweede heb ik weinig of niets toe te voegen. Hij heeft op een opvallende manier gezorgd voor aanwezigheid van de christelijke kerk in alle delen van de wereld, althans de door hem vertegenwoordigde richting uit de christelijke kerk. En hij heeft meer dan pausen voor hem stelling genomen in een aantal politieke vraagstukken die de hele wereld of delen daarvan de afgelopen eeuw hopeloos verdeeld hebben gehouden. Maar hij heeft ook vastgehouden aan een aantal ethische dogma's, die nog maar door een klein deel van zijn volgelingen in ere worden gehouden, om nog maar te zwijgen van de rest van de christelijke en anders denkende wereld. Ik weet niet of paus Johannes Paulus werkelijk de doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de ondergang van het communisme in Europa die de laatste dagen breed werd uitgemeten. Ik heb meer de indruk, dat de Hongaren en de Oost-Duitsers in 1989 de stoot hebben gegeven voor de omwenteling; de eersten door de grens met Oostenrijk open te zetten, en de anderen door via dat gat in het ijzeren gordijn het communistische systeem te verlaten en aldus te stemmen met de voeten. Het effect van het pauselijk bezoek aan Polen in 1979 verbleekt daarbij voor mijn gevoel.
Maar van de doden niets dan goeds. Johannes Paulus was een bijzondere paus, wiens plaats in de geschiedenis door latere historici maar eens nuchter moet worden geanalyseerd. Dat lijkt me beter dan hem nu subiet heilig te verklaren, zoals onbezonnen spreekkoren op het Pietersplein vroegen. Ik denk, dat hij één fout heeft begaan. Hij had in 1995 moeten aftreden, om zichzelf en de wereld het beeld te besparen van een aftakelende oude man, die de tot de dood toe deze zware functie bleef vervullen, daarmee aangevend, dat in werkelijkheid niet hij, maar de Vaticaanse clerus om hem heen de machthebbers zijn in de Rooms-katholieke kerk.

Het conclaaf van kardinalen gaat vanaf 18 april een nieuwe paus kiezen. Ze moeten natuurlijk de kandidaat kiezen, die dit moeilijke ambt het beste kan vervullen, en dat moet los van politieke bijgedachten kunnen gebeuren. Toch hoop ik, dat er deze keer een Zuid-Amerikaanse paus uit de bus komt. Met de verkiezing van de Poolse kardinaal Woytila werd in 1978 een traditie doorbroken, dat de paus altijd een Italiaan was. Voorstanders van deze traditie vonden, dat hiermee de politiek buiten de kerk werd gehouden: als het altijd een Italiaan is, hoeft er tenminste geen discussie over het geboorteland plaats te vinden. Toch kozen de kardinalen in 1978 een Pool, en dat feit heb ik nooit iemand horen betreuren. Ze zouden daarop voortbordurend nu een paus uit een ander continent kunnen kiezen. Tweeduizend jaar lang kwam de paus uit Europa. Dat was tot het jaar 1600 waarschijnlijk wel terecht, omdat de leden van de katholieke kerk toen voor het overgrote deel Europeanen waren. Maar sindsdien, en zeker in de twintigste eeuw, is dat anders geworden. Ik vind, dat Zuid-Amerika nu aan de beurt is. Voor Afrika zou ook iets te zeggen zijn, maar de grootste ontwikkelingen in de katholieke kerk vinden in Zuid-Amerika plaats. In dat continent met veel armoe en sociaal onrecht, waar de meeste democratieën nog heel pril zijn, is niet altijd duidelijk geweest aan welke kant de kerk stond. Het zou de kardinalen sieren, als ze een paus kozen, die twintig jaar geleden als priester nog heeft geprotesteerd tegen de onderdrukking in Chili of Argentinië. Dan zou met terugwerkende kracht kunnen worden gedemonstreerd aan welke kant de kerk destijds had willen staan, toen zij helaas zweeg.

Als chemisch ingenieur heb ik nog één kleine wens bij deze pausverkiezing: ik hoop, dat het Vaticaan de techniek van het genereren van witte of zwarte rook deze keer beter onder controle heeft dan bij de vorige keren. Bij de huidige stand van de chemische wetenschap kan dat toch niet zo'n groot probleem zijn.

25 maart 2005 Het meesterplan van Wouter Bos
Den Haag, midden februari 2005. De telefoon rinkelt op het bureau van de senator. Hij neemt de hoorn op.
'Met Noten'
'Dag Han, met Wouter Bos. Hoe gaat het er mee in de Senaat?'
'Nou, wel goed Wouter, dankjewel voor de belangstelling. Hoe is het daar bij jullie aan de overkant?'
'Ook wel goed Han, hoewel je met oppositie voeren minder leuke dingen doen kunt doen voor de mensen.'
'Maar oppositie voeren tegen bezuinigingen is toch leuker dan bezuinigingen uitvoeren?'
'Ja, dat wel, maar het einde van de bezuinigingen is nu langzamerhand wel in zicht. Ik ga volgende maand voorstellen om elke burger 200 Euro terug te geven van zijn ziektekostenpremie.'
'Dat doet Zalm nooit. Je weet hoe hij is. Bij de eerste meevaller al weer aan het verjubelen slaan? Hij slaat je meteen met het overheidstekort om de oren, stabiliteitspact, hardheid van de Euro enzovoorts.'
'Ja, en ondertussen verliest onze export terrein door de dure Euro, en raken honderdduizenden mensen hun baan kwijt. Maar Han, daar hebben we iets op gevonden. Met Pasen valt het kabinet, en daar ga jij voor zorgen!'
'Moet ik daar voor zorgen Wouter, hoe maak je het nu? Ik heb net zo min als jullie een meerderheid hier!'
'Nee, maar dat hoeft ook niet. Jullie gaan volgende maand stemmen over die grondwetswijziging over de burgemeestersbenoeming. Daarbij heb je aan een derde van de stemmen genoeg om De Graaf naar de koningin terug te sturen. En geloof maar niet, dat Brinkhorst daarna blijft zitten, en dan is het hele kabinet weg. Dan komen er verkiezingen, en je kent de peilingen. Jij kunt er volgende maand met je fractie voor zorgen dat ik over een half jaar premier ben!'
'De grondwetswijziging afstemmen, Wouter? Hoe kom je er bij? Dat kan helemaal niet! Dat voorstel hebben we zelf ingediend, onder Klaas de Vries, weet je nog wel?'
'Ja Han, dat weet ik heel goed, het kan inderdaad niet, maar dit is politiek. Jullie zijn nergens aan gebonden.'
'Maar jouw fractie is eerder wel akkoord gegaan. Wil je de Zwarte Piet bij mij leggen?'
'Dat is al weer een half jaar geleden. Toen was het nog te vroeg om het roer over te nemen. De Geus, Hoogervorst en Zalm moesten nog een paar onaangename bezuinigingen voor hun rekening nemen. Dat is nu afgelopen.'
'Maar die bezuinigingen waren toch nodig Wouter, dat weet je toch ook wel?'
'Ja, dat weet ik best, en daarom is het maar goed, dat zij het gedaan hebben. Dan kunnen wij straks aantreden als de leuke dingen beginnen. Daar gaan we niet tot 2007 op zitten wachten. Bovendien heb je dan kans, dat Wilders ondertussen een partij op poten heeft gezet, en je weet nooit tot wat voor chaos dat leidt.'
'Ben je nu ook al bang dat die rechtse bal er met jouw kiezers vandoor gaat, Wouter? Je speelt hoog spel. Daar zullen de kiezers je voor afstraffen. Wij willen toch ook een gekozen burgemeester?'
'Ja, dat willen we wel, maar niet op de manier van Thom de Graaf.'
'Nee, maar wat jullie willen, kun je er gemakkelijk bij de volgende formatie van maken. Maar als we nu die deconstitutionalisering blokkeren kan jullie plan straks ook niet doorgaan! Hoe wil je dat de kiezer uitleggen?'
'Wat kan dit de kiezer nou nog schelen? We gaan daar na die bustour van De Graaf echt geen electoraal punt van maken. Maar ik krijg bovendien de schuld niet. Ik zal het betreuren en doen alsof ik niets over jullie te zeggen heb, wat ook zo is natuurlijk. Je helpt me toch wel?'
'Natuurlijk help ik je, Wouter. Ik weet alleen niet hoe we dit op een geloofwaardige manier moeten klaren.'
'Je moet gewoon Ed van Thijn tot in het oneindige laten doorzeuren. Die weet als geen ander hoe hij moet onderhandelen met een verborgen agenda. Je weet nog wel, tweede kabinet Den Uyl en zo. Telkens nieuwe eisen stellen en blijven doorvragen op elke hele en halve toezegging. Als De Graaf hem in alles zijn zin geeft, stemmen jullie uiteindelijk toch tegen, omdat je er geen vertrouwen in hebt, dat het allemaal tot 2010 met voldoende zorgvuldigheid gaat.'
'Nou goed, Wouter, jij hebt de regie in de partij. Ik doe mijn best.'
'Fijn Han. Ik reken op je. Maar denk er aan, jullie stemmen zonder ruggespraak. Ik zal de indruk wekken, dat ik niet eens vind dat ik de regie zou moeten hebben. Dat staat niet in mijn arbeidsvoorwaarden. We sms'en verder wel. Bedankt zover, Han!'
'At your service, Wouter!'

20 maart 2005 Stuivers, dubbeltjes en kwartjes

In zijn 'onafhankelijkheidsverklaring' geeft Geert Wilders een groot aantal politieke statements af, waarvan hij denkt, dat de meerderheid van het volk het er mee eens is, en die hij daarom tot actieprogramma wil maken van de politieke partij die hij wil opzetten. Ik laat me daar voorlopig niet in den brede over uit. Dat komt misschien nog wel eens. Voor dit moment beperk ik me tot zijn voorstel om de euro af te schaffen en de gulden weer in te voeren. Ik weet niet of het toeval is, maar ongeveer gelijktijdig kwam in de openbaarheid dat de Europese bank en Europese parlementariërs bij nader inzien vinden dat de invoering van de euro wel tot prijsverhoging heeft geleid. Ook schijnt het zo te zijn, dat de Nederlanders de Europeanen zijn, die nog het minst gewend zijn aan de euro; zij rekenen nog alles om in guldens, en denken dat de prijzen door de invoering van de euro gestegen zijn. De europarlementariërs zeggen het zo: 'op de grote inflatie heeft de euro geen negatieve invloed gehad, misschien wel een positieve invloed, maar de kleine inflatie is door de euro wel opgejaagd'. Men bedoelt daarmee, dat verzekeringspremies, huren, energie, benzine en belastingen niet zijn gestegen door de euro, misschien wel gedaald, maar een pilsje aan de bar, een broodje uit de stationskiosk of een bezoek aan het toilet zijn wel duurder geworden. Kortom, wat iedereen al lang uit eigen ervaring wist is nu ook officieel bevestigd. De europarlementariërs adviseren een betere voorlichting bij andere landen die de euro gaan invoeren, maar ik denk, dat dit niet helpt. De kleine inflatie is namelijk nauwelijks door regeringen te beïnvloeden, zonder in een bureaucratisch systeem te vervallen, waarin de regering prijsverhogingen goedkeurt en controle uitoefent op de naleving daarvan.
Daarom is het ook geen goed idee van Wilders om weer terug te gaan naar de gulden. Dan krijgen we opnieuw kleine inflatie. De verzekeringspremies zullen wel weer netjes worden omgerekend, maar een pilsje aan de bar, dat voorheen twee gulden vijftig kostte, en nu twee euro kost, wordt dan natuurlijk vijf of zes gulden. Niet aan beginnen dus, lijkt mij dus, nog afgezien van alle andere bezwaren die economen en Europese ideologen zullen willen aanvoeren tegen terugkeer van de gulden.

Dit brengt mij er toe mij af te vragen, of de namen stuiver, dubbeltje en kwartje nog kunnen bestaan. Voor mijzelf constateer ik, dat ik het muntstuk van vijf eurocent met groot gemak 'stuiver' ben gaan noemen. Ik weet niet of dit algemeen is, en zie reacties van anderen graag tegemoet. Omdat mijn portemonnee door al die zware euromunten nogal snel vol is, heb ik een paar jaar lang regelmatig alle kopergeld er uit gegooid in een grote verzamelbak. Sinds een half jaar heb ik in al mijn jassen een handvol vijfcentstukken, stuivers zoals ik ze noem, en als een verkoper mij om het wisselen te vergemakkelijken vraagt: 'hebt u er vijfentwintig cent bij?' tel ik van dat handje munten vijf stuks af. Zo zal ik nog wel eens van die hoop kopergeld afkomen. De eurocenten en tweecentstukken, waarvan ik ook een paar honderd heb verzameld, beschouw ik maar als af te schrijven verliezen. Misschien kan ik ze ooit nog eens inwisselen bij de bank als die munten definitief worden afgeschaft.
Zo gemakkelijk als ik 'stuiver' zeg tegen het muntstuk van vijf cent, zo moeilijk valt het mij om 'dubbeltje' zeggen tegen het tiencentstuk. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit, dat het muntje in niets lijkt op ons vroegere dubbeltje, behalve een portret van de koningin en het cijfer tien. Verder is het veel dikker, breder en heeft een heel andere kleur. En het kwartje zijn we helemaal kwijt, dat past niet meer in de systematiek van 1-2-5-10 waarop de euromunten berusten. Het systeem 1-5-10-25 van de gulden hebben we echt verlaten. Maar in de prijsstelling kom je het nog veel tegen. Het gebeurt nog opvallend vaak, dat het bedrag van een rekening eindigt op 'komma 25'. Vandaar die veel gestelde vraag 'hebt u er vijfentwintig cent bij?' Hoe lang moeten we denken in euro's voor we van dat getal 25 af zijn?

20 februari 2005 Identificatieplicht

Gisteravond woonde ik een amateur toneelavond bij in een fabriekscomplex aan de westkant van de stad Utrecht. Bij binnenkomst in het gebouw kocht ik eerst twee toegangskaartjes voor Lineke en mij. Daarna vroeg een dame in een lange donkere jas, uitgerust met een grote zaklamp naar mijn identiteitsbewijs. Klakkeloos haalde ik mijn rijbewijs tevoorschijn en toonde het. Ook Lineke, die anders nooit een paspoort bij zich draagt, was in staat zich te identificeren. Daarna werden we toegelaten tot het gebouw, waar we eerst nog een kwartier moesten wachten in een te kleine ruimte voor we de zaal mochten betreden. Dat was niet bevorderlijk voor mijn humeur, maar veel meer nog ergerde ik mij aan het feit, dat ik zo gemakkelijk mijn identiteitsbewijs had getoond. Pisnijdig was ik op mezelf, dat ik verzuimd had het enig juiste antwoord te geven: 'Ja, dat is goed, maar mag ik eerst uw identiteitsbewijs zien?'. En als ze mij dan haar paspoort had laten zien, had mijn volgende vraag moeten zijn: 'Interessant mevrouw NN, maar waaruit blijkt, dat u bevoegd bent om mijn identiteitsbewijs te controleren?'
Maar nee, ik liet mij overrompelen en toonde braaf mijn rijbewijs. En dat deed kennelijk iedereen die zijn papieren bij zich had. Van enige opschudding over deze identiteitscontrole heb ik niets gemerkt. Er moeten ook bezoekers bij zijn geweest zonder identiteitsbewijs. Ook zij mochten binnenkomen maar ze kregen een speciaal merkteken om hun pols.
Toen we tot de zaal werden toegelaten bleek de pointe van dit alles. Het onderwerp van de avond was de alleswetende overheid en de acteurs gingen met de zaal in discussie over wat zij denken dat de overheid van hen afweet, en de vele passen die je tegenwoordig nodig hebt voor van alles en nog wat. Macabere grappen werden niet geschuwd, zoals "Een lijk loopt met een grafsteen op zijn rug over een kerkhof. Dan vraagt iemand, waarom hij met die grafsteen loopt te zeulen. 'Omdat dit de enige manier is om mij te identificeren' is zijn antwoord."
Een groep dametjes met hondjes beklaagde zich over de vele passen die ze bij zich hadden, en ze voorspelden de introductie van de paspas. Vuilophalers haalden zogenaamd uit de inhoud van een vuilniszak de totale geschiedenis van een persoon tevoorschijn. Een zeer Orwelliaanse boodschap die met briljant acteerspel werd gebracht.

En na afloop hoopte ik, dat ik de eerste keer dat in ernst naar mijn identiteit wordt gevraagd de juiste antwoorden zal geven!

5 februari 2005 Terug op het niveau van september 2002

De beurs is onvoorspelbaar, daar is iedereen het wel over eens. Beursanalisten reageren voornamelijk op de beurs en zeggen dat met mooie woorden die de indruk wekken dat ze er over hebben nagedacht. Maar omdat de basis van hun verhaaltjes altijd ligt in wat er op de beurs gebeurt zijn zij net zo onvoorspelbaar. Toch zijn ze in een paar opzichten zijn heel voorspelbaar. Nu de beurskoersen sinds 2001 fors zijn gedaald zijn er een heleboel standen in het verleden die de beurs opnieuw kan bereiken. Het opnieuw bereiken van zo’n grens uit het verleden is vaak aanleiding tot quasi geleerd commentaar. Woensdag 2 februari 2005 bereikte de Amsterdamse beurs een stand (ruim 364 punten) die voor het laatst was bereikt op 19 februari 2004, aan de vooravond van de aanslagen in Madrid. Twee dagen later werd de stand bereikt (367 punten) die voor het laatst op de borden had gestaan op 11 september 2002, een jaar na de aanslagen in New York. In twee dagen schoot de beurs zomaar 17 maanden verder het verleden in. Dat gaat hard!

We kunnen wachten op de commentaren bij het opnieuw bereiken van de stand bij de vorige pieken uit het verleden, die toen slechts een tijdelijke luchtbel bleken te zijn:
394 op 27 augustus 2002, toen de hoop op een korte recessie voorbij was.
483 op 10 september 2001, aan de vooravond van de aanslagen in New York.
528 op 19 april 2002, toen de korte opleving na de aanslagen in New York over waaide.
701 op 4 september 2000, het ‘all time high’ dat voorlopig nog wel even ongeslagen zal blijven. Maar ook voor deze stand kan de champagne ooit eens koel gezet worden.

Opmerkelijk in de recente geschiedenis van de beursindex vind ik het totaal ontbreken van enig effect van de tsunami die Zuidoost-Azië op tweede kerstdag heeft geteisterd. Dit zou voor de islamitische extremisten een aanwijzing moeten zijn dat Allah niet van terreur gediend is. Alleen als zijn aardse handlangers menen dat ze een steentje moeten bijdragen stort de beurs in. Als Allah zelf toeslaat denkt de beurs alleen maar aan de winsten die met de wederopbouw gemaakt kunnen worden. Het is vreemd, dat deze uiterst opmerkelijke beurspsychologie nog aan geen analist is opgevallen.

20 januari 2005 Draaideurcrimineel

Je kunt het nauwelijks voorstellen. De negentienjarige jongeheer Ali el B. stond maandag 17 januari voor de rechter wegens een gewapende roofoverval op 11 mei 2004. Hij hoefde niet in voorarrest te blijven omdat zijn broer hem een alibi had verschaft, waarvan de rechter de geloofwaardigheid nog moest beoordelen. De officier van justitie was van zijn alibi niet erg overtuigd. Hij eiste twee jaar gevangenisstraf. Deze Ali el B. stapte uit de rechtszaal met een kornuit op zijn brommer, stopte bij een stoplicht naast een automobiliste, deed de rechterdeur open terwijl zijn kornuit de brommer keerde, pakte de handtas van de voorbank, sprong op de brommer en reed naar achteren weg. De beroofde vrouw zag het gebeuren, zette de versnelling in zijn achteruit, en reed met gas op plank achter de rovers aan. Ze trof de brommer, maar kon niet meer op tijd tot stilstand komen, en botste tegen een boom. Ze stapte uit haar auto, vond haar tas en de inhoud verspreid op de grond liggen, en begon haar mobieltjes en paspoort op te rapen. Een omstander wees er vervolgens op dat er een jongen onder haar auto lag. Dat was Ali el B. die ter plekke aan zijn verwondingen overleed. Kranten weten te melden, dat deze Ali el B. vijf jaar geleden ook al eens wegens tasjesroof heeft vastgezeten. Toen was hij veertien. Hoeveel tasjes hij in de tussentijd heeft geroofd is niet bekend, maar gezien zijn tempo van deze dag is 200 tasjes per jaar zeker geen hoge schatting. Hij heeft dus waarschijnlijk al minstens duizend tasjes geroofd, nog afgezien van alle andere bekende en onbekende misdrijven, zoals die roofoverval in mei. Jammer voor hem, werd zijn duizend en eerste tasjesroof hem noodlottig. Een beetje onvoorzichtig van zo’n automobiliste om zo hard achteruit te rijden. De besturingsinrichting van een auto is daar niet op gebouwd, en de gemiddelde rijervaring is voor zulk stuntwerk beslist onvoldoende. Ik denk dat je deze manoeuvre zelfs bij een slipcursus niet leert. Ze heeft aan haar auto waarschijnlijk meer schade opgelopen dan de waarde van haar tasje. Maar in de fractie van een seconde waarin zij heeft gereageerd op het misdrijf dat haar trof zag zij dit blijkbaar als de enige manier om de daders te achterhalen. Die tegenwoordigheid van geest heeft haar in ieder geval haar tasje teruggebracht. En de dader? Spijtig en tragisch, dat hij op deze manier moest omkomen. Op het stelen van duizend handtasjes staat in ons land nou eenmaal niet de doodstraf. Maar hij heeft er wel zelf voor gekozen om risico’s te nemen door op tasjesroof uit te gaan. Weinig reden voor medelijden, zou ik zeggen. Opgeruimd staat netjes.

Maar zo mag ik natuurlijk niet denken. Deze vrouw heeft willens en wetens op de rovers van haar tasje ingereden en daarbij bewust het risico gelopen van ernstig letsel. Zij heeft eigen rechter gespeeld en zich schuldig gemaakt aan doodslag. De Marokkaanse gemeenschap is woedend over deze ‘moord’. Justitie houdt de vrouw een paar weken in voorarrest, want de rechtsorde is ernstig geschokt.

Achtenveertig uur lang heb ik geprobeerd te denken volgens deze lijnen van democratie en rechtstaat, maar het lukt mij niet. Deze vrouw heeft er niet om gevraagd of Ali haar tasje wilde stelen. Zij heeft in een impuls de enige methode gekozen die een kans bood om haar tasje terug te krijgen. Alle andere methoden die democratie en rechtstaat haar konden bieden om haar rechtmatige bezit te behouden waren zeer kansarm. Het oplossingspercentage van tasjesroven is vast niet meer dan 5 of 10%. Ze wist ook, dat de enige manier om vanachter haar stuur greep op de daders te krijgen was om de brommer omver te rijden. En dat heeft ze dus gedaan. ‘Willens en wetens’ zegt justitie. Inderdaad, maar dit alles heeft zich afgespeeld in vijf of tien seconden, nadat de woede van deze vrouw door toedoen van de rovers in een flits tot het kookpunt was gestegen. Achteraf gezien niet de meest verstandige actie, maar als noodweer volledig te begrijpen.

Het zou justitie sieren als men deze zaak zo snel mogelijk seponeerde. Het zou de vrouw sieren, als zij haar spijt betuigde bij de familie van de omgekomen dader. Het zou die familie sieren, als zij de schade betaalde aan de auto van de vrouw. En het zou de Marokkaanse gemeenschap sieren als zij onmiddellijk alle tasjesrovers en andere criminelen die de beeldvorming van hun bevolkingsgroep bezoedelen op de strengste manier tot de orde zou roepen. Dan kan dit incident een stap zijn op de hobbelige weg van integratie waar de politiek zoveel van spreekt. Dat is beter dan het instellen van een politiek correcte vervolging op verdenking van opzettelijke doodslag.

19 december 2004 Ministeriële verantwoordelijkheid

De politici hebben hun conclusie al weer getrokken: het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid hoeft ook na het postume interview met Prins Bernhard in de Volkskrant niet te veranderen. Het muilkorven van leden van het koninklijk huis kan doorgaan. Hoe dichter bij de troon, hoe minder iemand mag zeggen. Het scenario voor verkrampte optredens van de premier bij volgende escapades van neven en nichten van de koningin kan al weer geschreven worden.

Dit hele leerstuk berust op één zin in de grondwet in artikel 42 lid 2: 'de Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk'. Ik zou het een goed idee vinden om dit artikel te vervangen door het principe waarop onze monarchie werkelijk berust: 'de koning draagt in staatszaken geen verantwoordelijkheid, het primaat berust bij de volksvertegenwoordiging'. Deze formule laat de leden van het koningshuis geheel vrij in hun meningsuiting en schrapt de onschendbaarheid, want die is nergens voor nodig. Als iemand het met een mening van de koningin niet eens zou zijn, staat het hem vrij een andere mening te uiten. Als de koningin het niet prettig vindt, dat er openbaar gediscussieerd wordt over haar opvattingen, kan zij er zelf voor kiezen haar opvattingen voor zich te houden. Ministeriële verantwoordelijkheid is hiervoor niet nodig. De Kamer hoeft de koningin niet ter verantwoording te roepen over haar opvattingen: de Kamer bemoeit zich ook niet met mijn opvattingen. Ook opvattingen van de koningin over staatszaken zijn voor de Kamer niet relevant, want voor staatszaken is de koningin niet verantwoordelijk, daar zijn de ministers voor. De Kamer kan natuurlijk wel aan een minister vragen wat die vindt van een opvatting van de koningin. Het staat die minister dan geheel vrij om te vinden wat hij wil.

De overige leden van het koningshuis kunnen ook volledig worden vrijgelaten in hun doen en laten. Als zij de wet overtreden kan de rechter een oordeel uitspreken. Voor zover zij functies in overheidsdienst vervullen vallen zij onder de verantwoordelijkheid van de betreffende minister, net zoals de minister van onderwijs kan worden aangesproken op mijn ambtelijke daden, maar niet op mijn persoonlijke doen en laten, zoals het schrijven van deze column. En overigens: alle hulde aan Prins Bernhard, die met zijn ontboezemingen een postuum erelidmaatschap van het Republikeins Genootschap verdient!

5 december 2004 Democratische klassejustitie

Het is een interessant geval, die postume bekentenis van prins Bernhard. Hij geeft toe, in een interview dat pas na zijn dood mocht worden gepubliceerd, dat hij in de jaren zeventig een miljoen gulden van Lockeed heeft ontvangen, als smeergeld voor een mogelijke militaire aankoop. Als er destijds een strafgerechtelijk onderzoek zou zijn ingesteld, had de prins op grond van wat we nu weten in theorie de gevangenis in kunnen gaan.
Het doet er natuurlijk niets meer toe. De zaak is verjaard, en de verdachte is er in geslaagd lang genoeg uit handen van justitie te blijven. Voor zover de ministeriële verantwoordelijkheid voor het doen en laten van het koningshuis in het geding is, is er ook niets meer aan de hand. De betrokken ministers zijn al lang afgetreden, ex-premier Den Uyl is al lang dood, en geen enkel kamerlid van destijds is nog in functie. Slechts één lid van het toenmalige kabinet is nu nog minister. Het zou de heer Brinkhorst sieren, als hij naar aanleiding van deze bekentenis van prins Bernhard zou aftreden. Want de heer Brinkhorst is er destijds mede verantwoordelijk voor geweest, dat de zaak niet tot de bodem is uitgezocht.
Maar ik denk, dat dit te ver zou gaan. Hetgeen prins Bernhard nu bekend heeft, heeft Nederland immers nooit willen weten. Er is in 1976 democratisch besloten, dat er geen strafrechtelijk onderzoek tegen de prins werd ingesteld. Door het verwerpen van de PSP-motie waarin om zo'n onderzoek werd gevraagd heeft de Tweede Kamer besloten, dat we niet wilden weten, wat we van elke andere verdachte wel zouden hebben willen weten. Democratisch is dus besloten tot klassenjustitie. Daar is niets op tegen; democratie is namelijk niet hetzelfde als rechtvaardigheid. Democratie is slechts het recht van de meerderheid.
Eigenlijk is het een leuk trekje van deze eigengereide prins, dat hij na zijn dood nog een spaak in het wiel van deze democratische besluitvorming steekt, door toch bekend te maken, wat het Nederlandse volk van de Tweede Kamer in 1976 niet mocht weten. Hij heeft ooit eens gezegd dat de Tweede Kamer beter eens een jaar met vakantie zou kunnen gaan. Met zijn laatste postume actie onderstreept hij deze opvatting op een fraaie manier.

21 november 2004 Appelen met peren vergeleken

Er wordt mij wel verweten, dat ik in mijn ambtelijke leven appelen met peren vergelijk. Dat zit zo. We wilden op het ministerie van onderwijs de bestuurders van de universiteiten eens een beetje prikkelen om over de kwaliteit van hun instelling na te denken. Als je aan bestuurders zonder onderliggende gegevens vraagt hoe goed hun wetenschappers zijn, dan krijg je met de automatische piloot verhalen opgedist over excellentie, internationale toppen, Nobelprijzen en nog veel meer. Om die verhalen wat empirische onderbouwing te geven hebben we een paar jaar geleden wat statistieken opgesteld van de beschikbare kwaliteitsbeoordelingen. Daarvoor bestaat een systeem van visitatiecommissies, die per opleiding een paar dagen de tijd nemen om alles door te lichten en er een kwaliteitsoordeel aan te verbinden. De kwaliteit van elke plaatselijke vestiging van een opleiding konden we op die manier vergelijken met het gemiddelde van alle overeenkomstige opleidingen in het hele land. Sommige instellingen blijken met veel van hun opleidingen dan ver boven gemiddeld te scoren, andere scoren beneden gemiddeld, en de rest zit in een middenmoot, die niet veel van het gemiddelde afwijkt.

Een geweldig tumult was het resultaat! Alle universitaire intellect en retoriek werd van stal gehaald om te laten zien, dat het ministerie appels met peren vergeleek en zinloze gemiddeldes berekende. Dit jaar wilden we weten waar bij de kwaliteitsvergelijking de meeste prijzen vallen. Het hoger onderwijsbeleid van de huidige bewindslieden mikt op 'excelleren in Europa', en daarvoor wilden we weten hoe de topscores over de instellingen verdeeld zijn. Dus we telden het aantal hoge cijfers dat bij de onderwijsvisitaties bij elke instelling valt. Als tegenhanger hebben we ook het aantal onvoldoendes geteld, want we wilden niet dat bestuurders zich blind staren op een paar excellente groepen en ondertussen de onvoldoendes laten bestaan. Een door mij gemaakte tabel met de excellente en onvoldoende scores per universiteit en per hogeschool verscheen daarom onlangs in het beleidsstuk 'Kennis in Kaart', dat het ministerie ieder jaar uitbrengt om na te gaan hoever het staat met het realiseren van de ambities van het beleid. De kranten stortten zich met gretigheid op de tabel en kopten dat de universiteit Leiden de slechtste universiteit is. Dat werd in mijn tabel helemaal niet beweerd, maar Leiden heeft wel een middelmatig aantal excellente scores, waar iets meer onvoldoendes tegenover staan. De bestuurlijke Pavlov-reacties waren vermakelijk. Het departement was amateuristisch bezig geweest, het had appelen met peren vergeleken, het had te oude kwaliteitsoordelen gebruikt, en het had kleine opleidingen met onvoldoendes even zwaar geteld als grote opleidingen met veel excellentie. Ik ga hier niet in op al deze verwijten. Het woord 'amateuristisch' heb ik het Leidse Universiteitsblad Mare desgevraagd al tegengesproken. De rest schrijf ik met genoegen bij op mijn persoonlijke score van uitgelokte Pavlov-reacties.

Ik moest denken aan al die vergelijkingen van appelen en peren die mij steeds maar verweten toen ik deze week las over de potsierlijke verkiezing van de grootste Nederlander en de grootste Nederlandse taalgebruiker. De finale stemming voor de grootste Nederlander ging tussen Willem van Oranje en Pim Fortuyn en voor de grootste taalgebruiker tussen de samenstellers van de statenvertaling van de bijbel en Koot en Bie. In het eerste geval won Pim Fortuyn, in het tweede geval gingen de makers van de statenvertaling met de eer strijken. In beide gevallen ging het om zestiende of zeventiende-eeuwse mensen tegen tijdgenoten. Mensen waarvan we alleen iets weten uit de geschiedenis tegen mensen die we op de televisie hebben zien optreden. Mensen waarvan de betekenis al door de geschiedenis is bewezen tegen mensen waarvan dat misschien pas over vele jaren kan worden vastgesteld. Van Pim Fortuyn kan waarschijnlijk nu al gezegd worden, dat hij in het licht van de geschiedenis een eendagsvlieg is geweest. Hij hád misschien premier van ons land kunnen worden, maar die kans is hem door moordenaar Folkert van der Graaf ontnomen. Of hij dan een groot staatsman zou zijn geworden staat nog te bezien, laat staan dat hij ook maar enigszins te vergelijken zou worden met een van de grondleggers van onze onafhankelijkheid. De geestelijke nazaten van Pim hebben er een grote puinhoop van gemaakt, die na de volgende verkiezingsnederlaag wel helemaal uit de belangstelling zal verdwijnen, zodat Pim als stichter van een nieuwe politieke stroming ook bijzonder weinig kans maakt om de geschiedenis in te gaan. Daar helpt een SMS-lobby van Fortuynaanhangers bij een curieus KRO-programma niets aan.

Met die samenstellers van de statenvertaling is het ook een beetje vreemd. Lang heeft men gedacht dat de bijbelvertaling uit 1637 van doorslaggevende betekenis is geweest voor het ontstaan van het Nederlands. Recent onderzoek trekt dit echter sterk in twijfel (Nicoline van der Sijs in Onze Taal, oktober 2004, pagina 264-266). Het Nederlands dankt aan de statenvertaling een groot aantal Duitse leenwoorden en een groot aantal uitdrukkingen, waarvan slechts de helft teruggaat op de bijbelvertaling zelf, en dan nog niet eens allemaal op de statenvertaling. Toch krijgen de makers van de statenvertaling de eerste prijs bij de verkiezing wie de grootste invloed op het Nederlands heeft gehad. De tweede plaats is voor Kees van Kooten en Wim de Bie. De keuze tussen de nummers 1 en 2 is ook hier een fraai voorbeeld van appels met peren vergelijken. Ik denk dat Koot en Bie met hun onvergelijkelijke grappen over verkeerd taalgebruik inderdaad een taalprestatie van formaat hebben geleverd. Als ik in een tekst de afkorting 'c.q.' lees, dan denk ik altijd weer aan die door Kees van Kooten getypeerde strenge Neerlandicus die de kachel aanmaakte met het te pas en te onpas gebruiken van 'c.q.' als synoniem voor 'of'. Maar of ze op grond hiervan gerekend kunnen worden tot de taalgebruikers met de grootste invloed op het Nederlands is weer een heel andere vraag. Als het gaat om het aantal woorden dat aan het Nederlands is toegevoegd, verdient Marten Toonder naar mijn mening een hogere notering.

Maar uiteindelijk doet het er natuurlijk niets toe. Wat de vergelijking van appels of peren ook oplevert, het interessantste is de poging daartoe, en de discussie die het oplevert. Dat geldt ook voor het vergelijken van de kwaliteit van universitaire opleidingen.

31 oktober 2004 Marktwerking in de gezondheidszorg

De zorgverzekeraars hebben aangekondigd, dat de premies in 2005 13% extra zullen stijgen vanwege de invoering van een nieuwe kostenstructuur. Als ik het goed heb begrepen zit het ongeveer als volgt. Dit jaar mogen ziekenhuizen bij een operatie nog afzonderlijk de kosten van de operatie declareren en de kosten van het aantal dagen dat de patiënt in het ziekenhuis ligt. Laten we zeggen, dat een blindedarmoperatie 3.000 euro kost, en een ligdag 1.000 euro. Als een patiënt na de operatie vier dagen in het ziekenhuis ligt mag het ziekenhuis 7.000 euro declareren. Maar als de patiënt er slechter aan toe is, en acht dagen moet blijven liggen, mag het ziekenhuis 11.000 euro declareren. Dat mag volgend jaar niet meer. Dan moet voor de behandeling van een blindedarm een vast tarief in rekening worden gebracht, en de regering wil, dat de ziekenhuizen met die tarieven gaan concurreren. Dat heet marktwerking.

Nu denken de zorgverzekeraars, dat de ziekenhuizen in dit rekenvoorbeeld voor alle blindedarmen 11.000 euro gaan rekenen, omdat ze de extra ligdagen van een zwakke patiënt niet meer in rekening mogen brengen. De regering denkt daarentegen, dat ze op het gemiddelde gaan zitten, en dat door de concurrentie de tarieven zullen dalen. Maar de zorgverzekeraars zijn zo verslaafd geraakt aan het klakkeloos doorberekenen van kosten aan hun klanten, dat ze niet eens de moeite nemen om met de ziekenhuizen afspraken te maken over lagere tarieven. Ze gaan bij voorbaat de veronderstelde kostenstijgingen doorberekenen in de premies.

Goede verzekeraars zouden zich opstellen als belangenbehartigers van hun klanten, en door harde onderhandelingen met de zorgaanbieders zorgen voor zo laag mogelijke kosten. Als er straks een uniform tarief wordt voorgesteld voor een blindedarm, zou een grote verzekeraar die 3 miljoen klanten heeft, afspraken kunnen maken met twintig ziekenhuizen, verspreid door het hele land, en er op deze manier voor kunnen zorgen dat zijn verzekerden bij die ziekenhuizen terecht kunnen voor een 10% lager tarief. Zo’n grote verzekeraar zou een partij zijn waar zorgaanbieders terdege rekening mee moeten houden. Toen de vakbonden al hun leden een treinkaartje aanboden hebben ze toch ook bij de NS een speciaal tarief bedongen? Maar de Nederlandse zorgverzekeraars zijn liever lui dan moe. Het is immers veel simpeler om gewoon de premie met 13% te verhogen en te betalen wat de ziekenhuizen vragen?

Marktwerking is een groot goed. Dankzij marktwerking zijn supermarkten en computers goedkoop. Maar bij boeken, CD’s en benzine helpt marktwerking niet veel. Marktwerking kan namelijk ook betekenen, dat de koopman de klant bedriegt. Zo gaat het ook op markten, want een klant die geen keus heeft is immers makkelijk te belazeren. Het lijkt er veel op, dat die vorm van marktwerking in de gezondheidszorg aan het ontstaan is. Ik denk, dat de regering hier nog maar eens heel goed over moet nadenken!

10 oktober 2004 Jalouzie de métier bij de bijbelvertaling

Op 29 oktober a.s. wordt de nieuwe bijbelvertaling gepubliceerd. Dit is het resultaat van een enorm project waaraan tientallen medewerkers van allerlei disciplines hebben meegewerkt. Er is veel moeite gedaan om te komen tot een brontekstgetrouwe en doeltaalgerichte vertaling. Eenvoudig gezegd, betekent dit, dat de oorspronkelijke bedoeling van de brontekst is weergegeven in hedendaags Nederlands. Sfeer en stijl van de vertaling moesten het oorspronkelijke karakter van de tekst overbrengen op de hedendaagse luisteraar en lezer. Een gesprek in oud Hebreeuws moest een gesprek in hedendaags Nederlands worden, Joodse poëzie moest een eigentijdse Nederlandse poëtische vertaling krijgen, een historisch verslag moest een verslag worden in de taal van een moderne kwaliteitskrant, en theologische getinte brieven van de apostelen moesten in modern Nederlands dezelfde inhoud en overtuigingskracht krijgen. Dat is geen gemakkelijke opgave geweest, temeer, daar men zich richtte op een zeer uiteenlopend gebruik: in de katholieke en protestantse liturgie, op scholen, in de universiteit, in huis. En in alle delen van Nederland maar ook in Vlaanderen.

Het was op voorhand duidelijk, dat bij dit project vele keuzen gemaakt moesten worden. Moest er u, jij of gij geschreven worden? Hoe spreekt men over God? Mag ‘Heer’ nog in deze geëmancipeerde tijd? Wat doen we met woorden, die in onbruik zijn geraakt, en feitelijk alleen nog in de bestaande bijbelvertalingen voorkomen? Worden gevleugelde uitdrukkingen zoals ‘ijdelheid der ijdelheden’ in stand gehouden? Over al deze keuzen is lang nagedacht. Lezerspanels in Nederland en Vlaanderen hebben de betekenis en gevoelswaarde van de teksten beoordeeld, en in veel gevallen zijn knopen doorgehakt. Ik weet niet of er gestemd is over woorden als kribbe en herberg, maar ik ga er van uit, dat er consciëntieus gewerkt is. Verschillende teksten zijn al naar buiten gekomen en wat ik daar tot dusver van gehoord en gelezen heb deed mij met veel interesse uitzien naar het totaalresultaat.

Bijzonder jammer vond ik het, dat de twee broers Nico en Carel ter Linden het onlangs nodig vonden om in een uitgebreid artikel in Trouw een reeks van bezwaren tegen de nieuwe bijbelvertaling aan te voeren. Kort gezegd komt het er op neer, dat ze de vertaling ongeschikt vinden voor kerkelijk gebruik, ongeschikt voor school en studie, en ook ongeschikt voor gebruik aan het hof van Oranje. De dichter Huub Oosterhuis sloot zich in dit artikel bij de Ter Lindens aan.
In het tijdschrift ‘Onze taal’ van deze maand licht Nico ter Linden zijn bezwaren uitgebreid toe met verschillende voorbeelden. Ik vermeld er hier twee.
In het verhaal van Jona moet volgens Ter Linden staan, dat Jona belijdt, dat hij ‘een dienaar is van de God die de zee en het droge gemaakt heeft’. In de nieuwe bijbelvertaling staat echter ‘de zee en het land’. ‘Helemaal fout!’ zegt Ter Linden, want de oorspronkelijke tekst onderscheidt nadrukkelijk de zee van het droge, omdat de Joden geloven, dat ze na hun uittocht uit Egypte uit de Rietzee naar het droge zijn getrokken.
Een ander voorbeeld: als Sara is overleden zoekt Abraham een graf voor haar. De Hethieten, waar hij als statenloze te gast is, bieden hem een graf aan. De nieuwe bijbelvertaling legt de Hethieten in de mond: ‘Begraaf uw vrouw in het beste graf dat we hebben’. Een tekst waar Ter Lindens maag van omdraait. Hij vindt dat er moet staan: ‘Begraaf uw dode in ons mooiste graf’. Tja, denk ik dan, zo kun je wel elke keuze aanvechten!
Ter Linden vindt dat het allemaal niet kan, en hoopt, dat de synode van de PKN beseft, dat deze vertaling niet tot kanselbijbel mag worden gepromoveerd. Ik zie nu even af van de relevantie van een dergelijk synodebesluit – mondige gemeenten maken zelf wel uit, welke bijbel ze als kanselbijbel gebruiken – maar ik hoop, dat de synode eerst naar de gemeenten zal luisteren, in plaats van naar deze betweters.

Wat het gebruik van de bijbelvertaling aan het hof betreft ontlenen de heren Ter Linden en Oosterhuis hun gezag aan het feit, dat ze in koninklijke uitvaartdiensten, trouw- en doopdiensten hebben mogen voorgaan. Nu kan het mij eerlijk gezegd weinig schelen welke bijbelvertaling aan het hof wordt gebruikt. Dat hoort bij het geheim van Huis ten Bos, en daar hadden deze drie heren over moeten zwijgen. De koningin wordt al boos, als een paar kamerleden doorvertellen, dat zij de troonrede maar een slap stuk vond, dus mogen haar hofpredikanten ook niet openbaar maken welke bijbelvertaling hare majesteit wordt aanbevolen. Maar hun beweringen hebben wel hun invloed in de gemeenten. Op een gemeenteberaad in de wijkgemeente in Zoetermeer waar ik lid van ben vroeg een oudere dame vorige zondag wat dat voor vreemde tekst was van psalm 87, die eerder die ochtend in de dienst was gelezen. Wat dat soms uit de nieuwe bijbelvertaling, waarvan geadviseerd werd, om hem aan het hof niet te gebruiken? ‘Laten we daar maar niet aan beginnen!’ verzuchtte de dame, die nog niet eens de kans heeft gehad om zelf de nieuwe bijbelvertaling te lezen. Maar Ter Lindens stuk in Trouw had ze wel gelezen.

Ik denk dat ik wel weet wat er eigenlijk achter zit. De broers Ter Linden en Oosterhuis maken zelf ook bijbelvertalingen en schrijven boeken over de betekenis van de bijbelse teksten. Ik weet niet waarom ze zelf niet aan de nieuwe bijbelvertaling hebben meegewerkt. Wilden ze dat niet, hadden ze geen tijd, werden ze niet competent genoeg geacht, stelden ze onmogelijke eisen aan de andere vertalers, of vertegenwoordigen ze een stroming die niet kan samenwerken met de groep die kennelijk voldoende steun had van de kerkelijke bestuurders? Ik weet het allemaal niet en ik wil niets insinueren. Maar de pietluttigheid van hun argumenten wekt bij mij toch wel heel sterk de indruk van onvervalste ‘jalouzie de metier’ of, zoals het in mooi hedendaags Engels heet ‘not invented here’.

25 september 2004 Koehandel

Een interessante politieke vraag. Hij is voor gevorderde commentatoren, en ik neem het u niet kwalijk als u het antwoord schuldig blijft. Wat hebben het grijze kentekenbewijs, de vervroegde pensionering en het collegegeld met elkaar te maken?

Laat ik meteen het antwoord maar geven, want deze week begrijpen aan aantal landgenoten het waarschijnlijk nog wel, maar over drie maanden of over een paar jaar ziet niemand nog enig verband tussen deze drie onderwerpen. Voor de geschiedschrijving moeten we het nu vastleggen. Dit zijn namelijk de drie punten waarop de drie coalitiepartijen de miljoenennota 2005 willen veranderen. Na het algemene en eenstemmige maatschappelijk protest tegen de kabinetsplannen – sinds midden jaren tachtig niet meer op die mannier vertoond - zijn de fractievoorzitters van VVD, CDA en D66 in een achterkamertje bij elkaar gaan zitten, en hebben voor een miljard Euro aan ombuigingen op de ombuigingen bedacht. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke visie hebben ze er voor gekozen dat elke partij op een punt gelijk krijgt. De VVD wil niet graag de kleine ondernemers van zich vervreemden, en hecht dus sterk aan het grijze kentekenbewijs. Het CDA heeft al eens eerder, in 1994, de ouderen van zich vervreemd door de AOW enigszins ter discussie te stellen en werd daarvoor afgestraft met een verkiezingsnederlaag en acht jaar oppositie. Dit wil het CDA niet nog eens beleven, en daarom moet de vervroegde pensionering blijven voor een zo groot mogelijk deel van de oudere kiezers. En D66 is alleen maar in dit kabinet gestapt op voorwaarde, dat onderwijs en kennis gestimuleerd zouden worden. Een verhoging van het collegegeld met 100 Euro hoeft daarmee niet in strijd te zijn, want bij de toetreding van D66 tot het kabinet is niet vastgelegd, wie die kennis moet betalen. Maar Nederland is al recordhouder voor het collegegeld op het Europese continent, en het is niet zo geloofwaardig als de overheid zegt de kennissamenleving te bevorderen, terwijl tegelijkertijd het verwerven van kennis duurder wordt gemaakt.

Dus besloten de partijen in dat achterkamertje, dat elk van de drie een beetje zijn zin zou krijgen, en zo kunnen we bij de algemene beschouwingen van de komende week zien, dat de coalitiepartijen eensgezind pleiten voor behoud van het grijze kenteken, de vervroegde pensionering voor iedereen die nu al 55 is, en het niet verhogen van het collegegeld. Een gezamenlijke visie in deze onderwerpen ontbreekt jammerlijk. Het had net zo goed kunnen gaan over de PC-privé-regeling, de noclaimregeling in het ziekenfonds, en het aftrekken van gouden handdrukken van de WW-uitkering. Maar met die onderwerpen lijkt de coalitie dus akkoord te gaan.

Met de onderwerpen die de coalitie nu wil ombuigen kan ik het best eens zijn, als 57-plusser en tegenstander van collegegeldverhoging. Want hebben de huidige 57-plussers niet decennia lang bijgedragen aan de pensionering van vroegere generaties? En mogen zij, in het zicht van de haven, nu ook zelf genieten van datgene waarvoor ze hun hele leven lang hebben betaald? En zijn academische opleidingen niet van levensbelang voor een samenleving, waarin ongeschoold werk steeds overbodiger wordt? En hoewel ik dat zelf niet zo voel kan ik me ook nog wel voorstellen, dat voor kleine bedrijfjes het goedkope grijze kenteken op zeker ogenblik de financiële druppel kan zijn die voorkomt dat de emmer overloopt.

Het zijn dus ieder voor zich wel begrijpelijke punten, waarop de coalitiepartijen de miljoenennota willen amenderen. Ik ben alleen bang, dat weinig burgers het verband nog zien. Waarom moet het ene onredelijke kabinetsvoornemen wel gecorrigeerd worden en het andere niet? Is het zo, dat we als samenleving genoegen moeten nemen met een bepaalde hoeveelheid onredelijke maatregelen, en dat elke partij in de gelegenheid moet worden gesteld om het plannetje dat het meest in strijd is met zijn eigen karakter terug te draaien? En mag het kabinet uiteindelijk nog kunnen zeggen, dat het grootste deel van zijn plannen overeind is gebleven? Als we minister Brinkhorst mogen geloven laat de Tweede Kamer het grootste deel van de regeringsplannen overeind, omdat die 1 miljard immers maar een tweehonderste van de totale rijksbegroting is. De goede man ziet even over het hoofd, dat de regering aan het overgrote deel van die totale rijksbegroting niets wilde veranderen, en dat de omstreden bezuinigingen geen 200 miljard betreffen, maar ongeveer vijf miljard. Als de Tweede Kamer daarvan voor een miljard terugfluit is dat iets meer dan een tweehonderdste deel, zoals Brinkhorst suggereert.

Misschien is dit alles wel een vorm van hoger politiek denken, waarvoor mijn denkraam te klein is. Dat zij dan zo. Voorlopig veronderstel ik even, dat ik slim genoeg ben om het allemaal te doorzien, en ik noem het zoals het is: je reinste koehandel!

5 september 2004 Ophitserij

Wat een generatieophitsend gedrag vertoont die regering van ons toch! Jongeren wordt aangepraat, dat ze moeten betalen voor leuke voorzieningen van ouderen waar ze zelf nooit van zullen profiteren. De regering vindt dat niet eerlijk, en ze denkt dat jongeren dit niet langer willen. Daarom wil de regering jong en oud tevreden stellen door degenen die vlak voor hun pensioen zitten nog volgens de oude regelingen te laten uittreden, waar de jongeren dan nog even voor moeten betalen, terwijl de jongeren in het kader van een levensloopregeling straks mogen kiezen of ze willen sparen voor twee jaar er tussenuit, halverwege de loopbaan of aan het eind.
Dit lijkt allemaal wel redelijk, maar wie wil er nu vertrouwen op zo’n levensloopregeling? Over tien jaar hebben we waarschijnlijk een regering die vindt, dat we alle arbeidskrachten hard nodig hebben, in het bijzonder de generatie in de leeftijd tussen 30 en 40 en dat het opnemen van het levensloopverlof in die periode onaantrekkelijk gemaakt moet worden. Dus je kunt nu als jongere van 25 wel denken, ‘Eerst even carrière maken, dan twee jaar er tussen uit om kinderen te baren en naar de peuterklas te brengen, en dan vrolijk verder tot mijn 65ste’, maar wie garandeert je dat de regering van over tien jaar woord zal houden?
Moeten we dan maar doorgaan met jongeren voor ouderen te laten betalen? Natuurlijk niet! Maar er staat nog meer op de balans van de generaties. De huidige aspirant pensionado´s staan niet alleen maar bij de jongeren in het krijt. De vijftigers van nu hebben hun leven lang belasting en premies betaald, niet alleen voor de oudere generaties vóór hen. Hun AOW- en VUT-premie en is niet belegd, maar gebruikt voor de staatsuitgaven van dat moment. In plaats van de premies op te potten, is het geld gebruikt voor de snelwegen, viaducten en knooppunten die er nu liggen. Dat was op dat moment waarschijnlijk de beste besteding van die gelden. Werkloos oppotten van geld is niet zo slim.
Ik ben best bereid om er over te praten, dat de huidige jongeren niet voor mijn AOW en VUT hoeven te betalen. Maar laten we dan ook die andere posten op de generatiebalans even verrekenen. De snelwegen, viaducten en knooppunten, spoorlijnen, overheidsgebouwen, de Zuiderzeewerken en Oosterscheldewerken, en nog heel wat meer is betaald met geld van de ouderen. Dat alles heeft een waarde van wel vijfmaal het nationaal inkomen. Daar staat slechts een staatsschuld van 60% van het nationaal inkomen tegenover. Ik stel daarom voor deze hele nationale infrastructuur én de staatsschuld over te dragen aan een nieuw op te richten Algemeen Ouderen Fonds (AOF), dat deze voorzieningen uitbaat, de rente van de staatsschuld betaalt, en voor de uitkering van VUT en AOW zorgt. De ouderen hebben hier recht op, want ze hebben het allemaal betaald.
Voor de belastingbetaler en de rijksbegroting heeft dit plan ook grote voordelen. De rente van de staatsschuld kan van de begroting van minister Zalm af, en de AOW-premie kan worden afgeschaft, omdat het AOF-fonds tot in lengte van jaren genoeg opbrengt om de uitkering aan de ouderen te betalen. Daar staat tegenover, dat de gebruikers van de infrastructurele voorzieningen moeten betalen. De automobilist moet het AOF betalen voor het gebruik van de wegen. Het is een kwestie van uitvoeringsmodaliteit, of we dat doen door verhogen van de benzineaccijns, wegenbelasting of door invoering van kilometerheffing. Voor het gebruik van overheidsgebouwen moet huur betaald worden die in het AOF vloeit. De boeren in de Zuiderzeepolders moeten de huur voor hun land betalen aan het AOF en de provincie Zeeland moet een waterkeringsheffing invoeren waar alle bewoners aan meebetalen. Met de opbrengst van die heffing wordt de huur van de Deltawerken aan het AOF betaald. Het is een kwestie van uitvoeringsmodaliteit hoe ze dat in Zeeland doen, door het invoeren van een nieuwe provinciale belasting, of door de gemeenten een opslag op de OZB te laten innen.
We kunnen natuurlijk ook van dit hele plan afzien. Het veroorzaakt nogal wat bureaucratie, en we hebben immers in Nederland een regering die van jaar tot jaar de lasten verdeelt en de geldstromen regelt. Dat is wel zo eenvoudig. Nou vooruit, laat al die infrastructuur dan maar eigendom van de staat blijven en laten we met zijn allen naar draagkracht bijdragen aan de kosten van dit alles. Maar dan wil ik geen gezeur meer horen dat de huidige jongeren zouden moeten betalen voor de ouderen. Want ik heb met dit plan aangetoond, dat dat pure flauwekul is.

15 augustus 2004 Het olympisch vuur

De olympische vlam is weer ontstoken! Met een fakkel, die is aangestoken aan de olympische vlam in Sydney is het vuur via vier continenten, over twee oceanen en door talloze hoofdsteden overgebracht naar Athene, zodat daar op vrijdag 13 augustus de olympische vlam kon worden aangestoken. Ik heb gehoord, dat het transport van deze vlam tientallen miljoenen euro's heeft gekost. Vliegtuigen zijn speciaal aangepast om een brandende vlam te kunnen transporteren.

Ik vind dit alles een opmerkelijk ritueel. Praktische betekenis heeft de hele procedure uiteraard niet. De sporters gaan echt niet beter presteren, omdat de vlam uit Sydney is gehaald. Wetenschappelijk gezien is het natuurlijk de grootst mogelijke onzin, om op deze manier een vlam te ontsteken. Als het al van belang zou zijn, dat vanuit de vorige olympische plaats de vlam in Athene wordt ontstoken, dan had men voor veel minder geld vanuit Sydney op afstand de vlam in Athene kunnen ontsteken. Men kan ook op afstand een vlam op Mars ontsteken, als men dat zou willen, dus waarom niet in Sydney op een knop gedrukt? Kennelijk is het van belang, dat de nieuwe olympische vlam wordt ontstoken door rechtstreeks contact met de oude vlam. Ook dit heeft geen enkel praktisch of wetenschappelijk nut, maar als symbool heeft het wel wat. Maar dit doel is niet bereikt met de wereldreis van een in Sydney aangestoken fakkel. Een vlam is niets anders dan een wolkje brandend gas is, dat blijft bestaan bij de gratie van het feit, dat brandstof en zuurstof in de juiste verhouding worden aangevoerd. Een fakkel bestaat uit brandbaar materiaal, dat door de vlam aan de oppervlakte vergast wordt. Het gas dat daarbij vrij komt onderhoudt de vlam. Het gas dat op een bepaald moment brandt is een fractie van een seconde later uitgebrand en het verwaait. Binnen tien seconden nadat de fakkel aan de olympische vlam in Sydney was aangestoken was er geen molecuul van de olympische vlam meer in de fakkel aanwezig. Tot Athene aan toe is de vlam in stand gehouden met vreemde, niet olympische moleculen. Ik weet niet hoe vaak de fakkel gebruikt is om een volgende fakkel aan te steken, maar ik weet zeker, dat met deze procedure niet één brandend molecuul van Sydney naar Athene is getransporteerd.

In de oudheid heeft het aansteken van de vlam door een fakkel die van een ander vuur werd gehaald misschien een praktische betekenis gehad. Het maken van vuur is een van de oudste uitvindingen van de mensheid. Onze hele beschaving zou onmogelijk zijn geweest zonder deze kunde. Na de uitvinding van het vuur, honderdduizenden jaren geleden heeft het tot na de middeleeuwen geduurd voor het maken van vuur een kwestie was van seconden. Tot die tijd kostte het veel moeite en was een eenmaal aangemaakt vuur zo waardevol, dat wat mocht kosten om het in stand te houden. Zo kon het ook de moeite waard zijn om tientallen kilometers met een brandende fakkel te lopen om ergens een vuur te ontsteken. Die praktische betekenis is dankzij de uitvinding van de lucifer, de gasaansteker en de bougie helemaal weggevallen. In de oudheid heeft het aansteken van de vlam zeker ook een religieuze betekenis gehad. Ik weet niet precies wat de oude Grieken zich allemaal hebben voorgesteld bij de relatie tussen de godenwereld, het vuur en de sport, maar dat zal vast een grote rol hebben gespeeld. Iets daarvan vinden we ook wel terug in de christelijke kerk. Het aansteken van een kaars heeft in de moderne eredienst ook een functie. Niet om licht te maken, daar hebben we elektriciteit voor, maar als symbool van de aanwezigheid van de Geest.

Hoe ik er ook over nadenk, ik kan als verklaring voor het aansteken van de olympische vlam in Athene niets anders bedenken dan religieuze motieven. Ze zullen wel afstammen van de gebruiken van de oude Grieken, maar ze worden tegenwoordig gedragen door de sportieve afgevaardigden van een hele wereldbevolking van zes miljard mensen. Christenen, hindoes, sjiïeten, soennieten, communisten, kapitalisten, liberalen, socialisten, Irakezen, Amerikanen, Europeanen, Koreanen, Chinezen, Russen - het lijkt het pinksterverhaal uit de bijbel wel! - allemaal kijken ze met ontroering toe hoe een eenzame loper een brandende fakkel bij de opening van een high-tech bestuurde olympische vlamhouder houdt, en hoe even later het olympische vuur met volle kracht opbloeit. Sport doet werkelijk alle tegenstellingen vergeten. We moeten hem er dus maar brandende houden, die olympische vlam. Dat is wel 20 miljoen Euro waard. Het is tenslotte maar een schijntje vergeleken met de vele biljoenen die buiten deze spelen weer zullen worden uitgeven om de tegenstellingen uit te vechten, waar Athene de komende weken helaas geen oplossing voor zal brengen.

8 augustus 2004 Neelie’s finest hour (2)

Je moet in een column niet te gauw superlatieven gebruiken, heb ik gemerkt. Meer dan een jaar geleden, om precies te zijn op 25 mei 2003, schreef ik over Nelies finest hour, naar aanleiding van de benoeming van 5 vrouwelijke ministers in het kabinet Balkenende-II, wat mede te danken was aan de lobby van Neelie Kroes. Een record aantal vrouwen in het kabinet! Ik noemde dat destijds het allermooiste uur van Neelie Kroes. Men ziet, hoe een eenvoudige observator zich kan vergissen. Nelies allermooiste uur lag toen nog ruim 14 maanden in de toekomst verborgen. Sinds dinsdag 3 augustus 2004 mag zij zich de eerste vrouwelijke Nederlandse Eurocommissaris noemen!

Het past mij natuurlijk in de eerste plaats om mijn gelukwensen uit te spreken aan mevrouw Neelie Kroes, aan Europa en aan Nederland. Met haar rijke ervaring in het openbaar bestuur en in het bedrijfsleven kan het niet anders of zij is een aanwinst voor Europa. Met haar respectabele leeftijd van 63 jaar is ze bovendien een mooi voorbeeld van ouderen die langer blijven werken. Op een leeftijd waarop de meeste Nederlanders kiezen voor vervroegd uittreden nu het nog kan, neemt zij toch maar weer mooi een baan voor vier jaar. En niet zo maar een baan, nee, het is een ´zware post´, als we premier Balkenende en de regeringspartijen mogen geloven. Iedereen van harte gelukgewenst dus.

Maar daar blijft het voorlopig bij. In de kleine lage landen bij de Noordzee is deze stoelendans om het EU-commissariaat uitgelopen op een onbeschrijfelijke partijpolitieke klucht. Terwijl andere landen al lang een oud-premier of een minister van staat of iets dergelijks naar voren hadden geschoven bleef in Den Haag lange tijd een enorme Euro-mist hangen. Wilde VVD-commissaris Frits Bolkestein nog een keer? Mocht hij dat zelf zeggen, of moest hij gevraagd worden? En als het niet Bolkestein werd, mocht dan de VVD, het CDA of de PvdA de opvolger leveren? Wat het logisch dat tussen de partijen gerouleerd werd, of telden alleen de kwaliteiten? Mochten kandidaten zich zelf voorstellen, zoals PvdA-hoogleraar Rick van der Ploeg, die zichzelf ooit te goed vond het kamerlidmaatschap? Kon het een zittende minister zijn? Moest het een vrouw worden, omdat voorzitter Barroso, die nog een conservatief imago uit het verleden had af te schudden, zich ten doel had gesteld minstens 8 vrouwen te benoemen? En deed het er ook nog toe, wat voor werk de commissaris moest doen? Het antwoord op al deze vragen is er nog niet gekomen, maar de Nederlandse commissaris wordt Neelie Kroes. En ze krijgt een zware post. Ik kwam iets te laat op het idee om te gaan turven, maar de correspondent van het NOS-journaal in Brussel sprak in zijn beschrijving van het lobbyproces enige tientallen malen van ‘een zware post’. Ik weet niet of hij zelf de humor van het geval heeft ingezien.

Het kan natuurlijk niet anders, dan dat de fungerend EU-voorzitter in de commissie een zware post in de wacht sleept. Welk zichzelf respecterend land zou genoegen nemen met een lichte post? Zou er ooit een kandidaat te vinden zijn voor een lichte post? Er zijn natuurlijk alleen maar zware posten in Brussel. Voor Neelie Kroes schijnt de portefeuille van verkeer en energie een optie te zijn. Dat is natuurlijk een zware post. Voor Neelie kan niets anders gevonden worden dan een zware post. Met verkeer en waterstaat maakte ze furore als minister. Ze werd zelfs een keer herbenoemd na de vorming van een nieuw kabinet na verkiezingen. Ze stelde in 1989 deze zware post in de waagschaal door voor te stellen de belastingaftrek voor woon-werkverkeer per auto af te schaffen. Het was tegen het zere been van haar partij. Zij wilde haar kleinkinderen kunnen uitleggen hoe het onder haar bewind gegaan was met de door uitlaatgassen belaagde bossen in ons land. Een paar weken later liet Joris Voorhoeve het toenmalige kabinet Lubbers over deze kwestie vallen, en viel het doek voor Neelie voor publieke functies voor de VVD. Met haar benoeming als EU-commissaris krijgt zij een verdiende revanche. Of het werkelijk een zware post is, wat de oppositie publiekelijk betwijfelt, laat ze in het midden. Ze geeft ook geen definitie van een zware post. Het moet natuurlijk wel een post worden die bij haar past, vindt ze. Op de vraag welke lichte post dan niet bij haar zou passen wilde ze eerst geen antwoord geven, maar na enig doorvragen noemde ze de sport. Daar heeft ze werkelijk niks mee, dat moeten ze haar niet laten doen. Maar al het andere is kennelijk zwaar genoeg. Ik denk, dat we de verrichtingen van Neelie Kroes in Brussel met veel vertrouwen tegemoet kunnen zien. En ik ben erg benieuwd wie sport gaat doen!

18 juli 2004 Wie kan dat straks nog narekenen?

Het valt wel mee met die plannen van het kabinet om vervroegd uittreden te ontmoedigen. Voor wie op 31 december 2005 jonger is dan 60 jaar is tot 2011 nog maar de helft van de premie voor vervroegd uittreden aftrekbaar voor de belasting en daarna is de premie helemaal niet meer aftrekbaar. Voor wie ouder is, verandert er helemaal niets.
Als we de vakbeweging moeten geloven, draait de regering hiermee het vervroegde uittreden definitief de nek om, of maakt vervroegd uittreden alleen nog mogelijk voor de rijken. Dit is grote onzin. De fiscale aftrekbaarheid van de premie heeft rekenkundig gezien nauwelijks invloed op de mogelijkheden om vervroegd uit te treden. De regering noemt deze aftrekbaarheid ‘fiscaal stimuleren van vervroegde uittreding’, maar in feite betekent het alleen maar uitstel van belastingheffing. Men betaalt de belasting op het moment, dat men het inkomen geniet, en niet op het moment dat men het inkomen verdient. Dat is op zichzelf heel redelijk, maar als de regering het vervroegd uittreden wil ontmoedigen, dan kan zij deze fiscale aftrekbaarheid schrappen.
Als de premie aftrekbaar is, wordt over de toekomstige uitkering belasting geheven, en als de premie niet aftrekbaar is, is de uitkering onbelast. Bij een niet aftrekbare premie kan dus met een lagere premie worden volstaan om in de toekomst een gelijke netto-uitkering te krijgen. Er is nog wel sprake van rente-effecten. Doordat de belastingbetaling wordt uitgesteld naar de toekomst mist de overheid de renteopbrengst over dat geld. Maar als door het schrappen van de aftrekbaarheid de toekomstige uitkering onbelast is, mist de overheid ook de belasting over de rente die het pensioenfonds krijgt over de ingelegde premie. Deze twee effecten heffen elkaar ongeveer op.
We kunnen dus constateren, dat de ontmoediging van vervroegd uittreden voornamelijk psychologisch is, aangewakkerd door de klaagverhalen van de vakbonden over de maatregelen van de regering. De regering kan in redelijkheid niet meer doen dan wat ze nu doet. Het is in theorie mogelijk, dat de regering 100% belasting heft over alle niet-arbeidsinkomsten die voor de leeftijd van 65 jaar worden genoten. Maar zo ver gaan de plannen niet, en het is maar de vraag of er ooit een parlementaire meerderheid voor zulke draconische maatregelen zou zijn te vinden.
Als de pensioenfondsen het hoofd koel houden en zich niets laten wijsmaken, kunnen u en ik dus ook in de toekomst stoppen met werken als we 61 of 62 zijn. Ik voorzie nog wel een interessant overgangsprobleem. Een werknemer, die op 1 januari 2004 45 jaar was en wiens pensioen door het ABP wordt geregeld, had op dat moment 6,75 jaar FPU opgebouwd. Op 1 januari 2006 is dat 8,75 jaar. Als deze werknemer op 1 januari 2019 60 wordt, heeft hij 8,75 jaar FPU opgebouwd onder het fiscale regime van volledige aftrekbaarheid van premie en volledige belastbaarheid van uitkering, 5 jaar onder het regime van halve aftrekbaarheid van premie en halve belastingheffing over de uitkering en 8 jaar onder het regime van niet aftrekbaarheid van premie en belastingvrije uitkering. Het vervroegde pensioen van deze werknemer bestaat op 1 januari 2019 dus uit drie delen, die zich tot elkaar verhouden als 8,75 : 5 : 8, en die alle drie een verschillende fiscale behandeling moeten krijgen. Dat wordt een heel interessante belastingaangifte! Ik smul al bij de gedachte van het verdelen van de aftrekposten (hypotheekrente, giften, e.d.) over die drie inkomensdelen. Wie kan dat straks nog narekenen?

19 juni 2004 Identificatieplicht

Ik heb me al vaker verwonderd over het krachtige bestuur dat we in Nederland hebben (zie bijvoorbeeld mijn column van 12 oktober 2003). Die verwondering is de afgelopen week dankzij het beleid van minister Donner tot ongekende hoogten gestegen.

Het ziet er naar uit, dat de Eerste Kamer de komende week akkoord zal gaan met een wet waardoor alle Nederlanders vanaf 14 jaar verplicht worden om zich op straat te kunnen legitimeren. De noodzaak van bestrijding van de criminaliteit heeft het tenslotte toch gewonnen van een oud oorlogstrauma, waardoor Nederland als een van de laatste landen in Europa een identificatieplicht gaat invoeren. Daar zult u van mij geen kwaad woord over horen. Ik ben jong genoeg om niet belast te zijn met herinneringen aan Duitse persoonsbewijzen en als oppassende burger heb ik zo weinig te verbergen, dat de politie mij altijd mag vragen wie ik ben. Mijn rijbewijs heb ik meestal wel bij mij, behalve tijdens het hardlopen. Als ik mag volstaan met het tonen van het rijbewijs, dan wel voor de agent mag aantonen dat ik het in mijn trainingspak écht niet kon meenemen, dan vind ik het wel best.

Welnu, daar lijkt het op. Als ik minister Donner goed heb begrepen legt hij ons geen draagplicht op, maar slechts een toonplicht. We hoeven het legitimatiebewijs niet bij ons te dragen, maar we moeten het wel kunnen tonen. De politie mag niet zomaar om legitimatie vragen. Zij mag dat pas doen als daar aanleiding voor is. Voor die aanleiding komen geen criteria in de wet te staan, want dat zou betekenen, dat de agent altijd eerst in discussie moet gaan of aan die criteria is voldaan.

We hoeven ons dus geen zorgen te maken. Laat het paspoort en het rijbewijs maar rustig thuis in omstandigheden waarin dat te lastig is. U kunt volstaan met u zo te gedragen, dat er geen aanleiding is om naar uw legitimatie te vragen. Maar als u van plan bent herrie te schoppen, iemand te beledigen, of de verkeersregels te overtreden, dan moet u zich kunnen legitimeren. Het wordt dus net zoiets als de reeds bestaande identificatieplicht in het openbaar vervoer. Die geldt alleen voor zwartrijders. De oppassende burger mag zich legitimeren met het bus- of treinkaartje.

Wat ik me wel afvraag is, welk probleem er nu eigenlijk wordt opgelost met deze identificatieplicht. Wie met kwade bedoelingen op stap gaat, laat natuurlijk zijn legitimatiebewijs thuis, en probeert niet op te vallen. De bijdrage van deze kloeke wet aan de bestrijding van de zwaardere criminaliteit zal dan ook minimaal zijn. Leuk is wel, dat raddraaiers en herrieschoppers direct in hun kraag gepakt kunnen worden en als ze zich dan niet kunnen legitimeren, dan heeft oom agent een veel gemakkelijker te bewijzen delict, waarvoor bovendien een veel forsere boete kan worden uitgedeeld dan voor dat raddraaien of herrieschoppen. Dat is nog eens effectief! Krachtig bestuur, dat is het! Maar wordt hier niet een beetje met een kanon op een mug geschoten?

13 juni 2004 De hypotheekrente

Een goede collega reageerde op mijn column over de ziekenfondsachtige manier waarop de heer De Waal en zijn vakbondsgenoten de vervroegde pensionering willen financieren. Hij was het met de meeste van mijn argumenten wel eens, maar hij vond dat ik in het dispuut tussen de vakbonden en de regering niet de kant van de regering had mogen kiezen. Want het is immers in hoge mate de schuld van de regering, dat de premies die wij de laatste dertig jaar hebben betaald niet goed zijn terecht gekomen. Alles, het niet beleggen van de AOW- en vutpremie, tot aan de beleggingsvoorschriften voor het ABP, het is allemaal met open ogen veroorzaakt door de regering en zijn voorgangers. Dus dat ik niet zo gecharmeerd was van De Waal's ziekenfondsbenadering vond mijn collega best, maar dat ik de regering gelijk gaf, was een stellingname die aantoonbaar tegen mijn eigen belang in ging.

Ik heb die column nog eens nagelezen, en ik vind dat het wel meevalt met dat partij kiezen voor de regering. Ik wil een betere verzekeraar voor mijn oude dag dan De Waal, maar ik heb niet gezegd, dat de regering die betere verzekeraar is. Het enige waar ik de regering dankbaar voor ben, is dat ze me helpen om van De Waal af te komen.

Maar om mijn collega te gerieven vandaag maar eens een duidelijk antiregeringsstandpunt! De aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Diverse meer of minder onafhankelijke denkers hebben de laatste tijd laten weten, dat ze vinden dat de aftrekbaarheid van de hypotheekrente in Nederland op termijn geleidelijk moet worden afgeschaft. Eerbiedwaardige internationale observatoren zoals de OECD, de banken, en laatstelijk ook CDA'er Hans Hillen sluiten zich aan bij ideeën die zo nu en dan in kringen van de PvdA opkomen, en pleiten voor een snel besluit om de aftrek van de hypotheekrente langzaam af te schaffen. Maar de regeringspartijen zijn er fel tegen. 'Niet aan de orde' is hun meest overtuigende argument is.

Ik moet zeggen, dat ik de meeste argumenten voor afschaffing niet zo sterk vind, sommige zelfs regelrecht demagogisch. Een paar snijden Europees gezien wel hout, maar het hangt er maar van af hoever je Europa wilt laten doordringen in onze fiscale regels of je dit belangrijk vindt. Maar ook de argumenten tegen afschaffing vind ik niet sterk, en mijn belangrijkste argument om het met Hans Hillen eens te zijn is dat we eindelijk eens van dit gezeur af moeten zijn.

In linkse kringen hoort men vaak dat de hypotheekrenteaftrek de rijken bevoordeelt. Iemand die een ton verdient, heeft meer voordeel van de aftrek van 15.000 Euro dan iemand die maar 30.000 Euro verdient. Dat is rekenkundig juist, maar dit is uitsluitend het gevolg van het progressieve belastingstelsel. De rijke in dit getallenvoorbeeld betaalt aan belasting plus rente veel meer dan de arme. Maar politici zijn er in gespecialiseerd om alleen die dingen met elkaar te vergelijken die in hun kraam te pas komen, dus Wouter Bos zegt wel de eerste twee zinnen van deze alinea, maar niet de volgende twee zinnen, hoewel die niet minder waar zijn. We kunnen dit probleem oplossen door iedereen hetzelfde percentage belasting te laten betalen, maar dat wil Wouter Bos ook niet.

Een ander veelgehoord argument is, dat de renteaftrek huiseigenaren bevoordeelt boven huurders, en omdat rijken vaker een eigen huis hebben bevoordeelt het systeem dus de rijken boven de armen. Dit argument gaat er in de PvdA in als koek, maar het is maar zeer ten dele waar. Een huiseigenaar betaalt bij de aankoop van een huis 6% overdrachtsbelasting. Voor hij dit nadeel met de renteaftrek heeft terugverdiend moet hij bij de huidige rentestand van 4% en een belastingtarief van 50% drie jaar in het huis wonen, als hij 100% hypotheek op de aankoopsom heeft genomen. Daarnaast zorgen de onroerendezaakbelasting en het huurwaardeforfait er voor, dat deze periode dubbel zo lang wordt, terwijl de onderhoudskosten van het huis deze periode nogmaals anderhalf maal zo lang maken. Dus een huiseigenaar betaalt de eerste negen jaar na aankoop van een huis meer dan een huurder. Wie een nieuw huis koopt betaalt weliswaar geen overdrachtsbelasting, maar daarentegen wel het luxetarief van 19% BTW. Voor hij dat met renteaftrek heeft terugverdiend is hij ook zo'n tien jaar verder. Dat toch zoveel mensen graag een eigen huis hebben komt waarschijnlijk omdat ze hopen op waardestijging van het huis, en omdat ze geen last hebben van jaarlijkse huurverhogingen. Banken geven hypotheken met een rentevaste periode van tien jaar of meer; geen enkele verhuurder is bereid de huurprijs voor tien jaar vast te leggen.

Maar al met al leiden deze argumenten niet naar een conclusie voor of tegen de aftrek van de hypotheekrente. Het maakt in feite geen fluit uit. Nederland is het enige land in Europa, waar hypotheekrenteaftrek in deze vorm is toegestaan, zeggen de tegenstanders. Dat zal wel zo zijn, maar wat doet dat er toe? Er zijn wel meer landen die in één of ander opzicht afwijken van het Europese gemiddelde. Zolang Belgen en Duitsers zich niet massaal in Nederland vestigen vanwege het interessante fiscale klimaat valt het wel mee met die afwijking van de Europese norm.

De hypotheekrenteaftrek zou de prijzen van de huizen hebben opgedreven, waardoor het kopen van een huis voor starters inmiddels vrijwel onbetaalbaar is geworden. Hier zit zeker iets in, maar de renteaftrek is zeker niet de enige reden voor de gestegen prijzen. De steeds maar dalende rente van de laatste drie jaar heeft veel meer bijgedragen aan de stijgende prijzen, en ik hoor niemand om die reden pleiten voor een renteverhoging.

Een argument tegen afschaffing is dat honderdduizenden Nederlanders zich in vertrouwen op de standvastigheid van de renteaftrek voor vele jaren hebben vastgelegd op hoge maandlasten. Die wil de regering niet in moeilijkheden brengen. Heel nobel, maar als de rente zich in drie jaar verdubbelt - een heel realistisch scenario - komen deze landgenoten ook in grote moeilijkheden. Het kopen van een huis brengt nu eenmaal risico's met zich mee. Toch is het billijk, dat om deze reden de renteaftrek niet abrupt wordt afgeschaft. De meeste voorstanders pleiten dan ook voor geleidelijke afschaffing, in een periode van 30 jaar, en dat moet kunnen. Ik heb niemand horen pleiten voor een directe afschaffing over de hele linie, zelfs de SP niet, die de aftrekbaarheid in stand wil houden voor hypotheken tot de waarde van het huis waarin Jan Marijnissen woont.

Op lange termijn bekeken maakt het volgens mij niet zoveel uit, of we de hypotheekrenteaftrek afschaffen of niet. Het belangrijkste is, dat we dan in ieder geval van het gezeur af zijn, en dat de portier van een onderneming zich in zijn huurwoning zich niet langer hoeft af te vragen of hij misschien langs een omweg de riante villa van zijn directeur financiert. Dat doet hij niet, maar als de renteaftrek is afgeschaft, kan Wouter Bos hem dat ook niet meer wijsmaken. Geen demagogie van de PvdA meer, dat moet het ons toch wel waard zijn? Laten we dit besluit daarom zo snel mogelijk nemen en voor 30 jaar vastleggen!

Vervroegde pensionering in het ziekenfonds?

Wat een klucht is het geworden met dat overleg tussen de sociale partners en de regering! Op de meeste punten was er een loep nodig om de verschillen te zien tussen de partijen. Mogen we straks vervroegd uittreden als we 62 jaar of 62 en een half zijn? Niemand begrijpt dat zo’n verschil een breekpunt wordt. Desnoods had men er 62 jaar en drie maanden van gemaakt, dan hadden we smakelijk gelachen, maar in naam van het poldermodel hadden we dat best willen accepteren. Maar toch gingen de partijen na de zoveelste nacht vergaderen woedend uit elkaar, elkaar de schuld gevend van wat betiteld werd als het definitieve einde van dat bewierookte poldermodel.

Het enige echte verschil tussen de partijen zat in het verplichtende karakter van de regeling, maar dat was inderdaad zeer principieel. Lodewijk de Waal eiste namens de vakbonden een regeling, die verplicht is voor alle werknemers. Iedereen, jong en oud, zou naast de normale pensioen- en AOW-premie een premie moeten betalen om uittreden op de leeftijd van 62 of 62 ½ jaar mogelijk te maken, ongeacht of hij van plan is daarvan gebruik te maken. En voor de jongeren zou er zelfs geen garantie zijn, dat zij zelf ooit gebruik zullen maken van een systeem waar zij voor betalen. De Waal noemt dat solidariteit: iedereen betaalt een premie naar inkomen, ongeacht de kans die hij loopt om er gebruik van te moeten maken. Doordat een aantal mensen uiteindelijk om uiteenlopende redenen geen gebruik maakt van vervroegd pensioen, wordt de premie lekker laag voor wie er wel gebruik van wil maken. Als de deelname aan de vervroegde pensioenverzekering vrijwillig zou zijn, dan is De Waal bang, dat rijken er niet aan zullen deelnemen, waardoor de premie voor de armen onbetaalbaar wordt.

De Waal pleit dus er dus voor om vervroegde pensionering te bekostigen met het systeem van het ziekenfonds. Dat is verdedigbaar voor risico's die men niet kan vermijden, zoals ziekte of arbeidsongeschiktheid, al moeten we ook daar alert zijn, dat prikkels aanwezig blijven om geen onnodig gebruik te maken van de collectieve verzekering. Zo ben ik er bijvoorbeeld van overtuigd, dat het ziekteverzuim in Nederland binnen een jaar gehalveerd zou worden, als de werknemer vanaf de eerste ziektedag niet 100% maar 70% van zijn salaris uitbetaald zou krijgen. Hoezo onvermijdbare risico's?

Voor vervroegde pensionering is een beroep op solidariteit volstrekt misplaatst. Iedereen kan zelf bepalen of hij vervroegd met pensioen wil, en of hij dan een hoog of een laag inkomen wil hebben. Daar is niets onvermijdbaars of zieligs aan. Daar is niets bij waarvoor sterke schouders met zwakke schouders zouden meebetalen. Iedereen kan wel of niet besluiten of hij gedurende zijn carrière hiervoor maandelijks een bedrag opzij wil zetten. Wie daar geen zin in heeft, kan er voor kiezen om dat geld direct uit te geven, maar dan is er later geen spaarpot voor vervroegd uittreden. Zo simpel ligt het.

Het enige resterende probleem is de overgangsregeling. Bij een vervroegde pensioneringsleeftijd van 62 moet een werknemer in 40 jaar een kapitaal oversparen om hem 3 jaar van een inkomen te voorzien. Dit systeem bestaat echter pas sinds 1997. Voor die tijd gold het systeem van De Waal waarin iedereen betaalde voor de op dat moment aanwezige vutters, ongeacht of hij zelf ooit van de Vut gebruikt zou maken. Omdat dit systeem tot 1997 heeft gegolden, hebben degenen die nu 62 zijn, nog niet eens een vijfde van het benodigde kapitaal opgebouwd om tot hun 65ste te kunnen rentenieren. Daarom is in de meeste CAO's in 1997 een overgangsregeling afgesproken, waardoor werknemers die toen een bepaalde leeftijd hadden bereikt verzekerd waren van de mogelijkheid om op hun 62ste of 61ste met 70% van hun salaris uit te treden. Deze garantieregeling wordt collectief betaald. De ouderen van nu worden hiermee schadeloos gesteld voor het feit, dat zij in het begin van hun carrière jarenlang verplicht solidair zijn geweest met de ouderen van toen.

De Waals voorstellen komen er op neer, dat we opnieuw moeten kiezen voor collectiviteit op een terrein waar individuele keuze veel meer voor de hand ligt. Als ik in de afgelopen 34 jaar keuzevrijheid had gehad, dan was mijn pensioen nu in elk geval geen enkel probleem. Ik zou dan mijn premies voor pensioen, AOW, Vut en FPU inclusief de bijdrage van de werkgever hebben belegd op een geblokkeerde rekening. Zo'n rekening kan tenminste de rente van staatsobligaties opleveren, en dan had ik nu een kapitaal tot mijn beschikking gehad van bijna een miljoen Euro, waarmee Ohra of de Amersfoortse mij zonder meer een riant maandinkomen tot mijn dood zouden kunnen garanderen. Dan zou er nu geen De Waal of Balkenende aan te pas hoeven komen om te bepalen op welke leeftijd ik met pensioen ga.

Maar zo is het niet gegaan. Mijn AOW-premie is gebruikt voor de uitkering van oudere generaties, die zelf niet hadden gespaard voor hun pensioen, mijn Vut-premie is gebruikt voor vuttende collega's tussen 1982 en 1997, en met mijn FPU- en pensioenpremie is het ABP in 2000 op het hoogtepunt van de beurzen in aandelen gestapt, om een paar jaar later te constateren, dat men daarop 50% verloren heeft. Soms denk ik wel eens, dat zelfs Karl Marx en Lenin beter voor mijn oude dag hadden kunnen zorgen dan de sociale partners en het ABP.

Gelukkig heeft het kabinet de rug recht gehouden. Het is moeilijk om een collectief systeem te verlaten met verplichte solidariteit tussen de generaties, maar aangezien het systeem de opgebouwde rechten niet levenslang blijkt te kunnen garanderen moet het vertrouwen in de collectiviteit worden opgezegd. Lodewijk de Waal wordt bedankt. Ik heb er geen enkele behoefte meer aan om de financiering van mijn oude dag aan hem toe te vertrouwen. Ik wil een betere verzekeraar zoeken!

16 mei 2004 Ga gewoon fietsen!

Ik heb deze week de broekriem aangehaald. Niet vanwege de bezuinigingen van het kabinet-Balkenende. Nee, dat koopkrachtgerommel van de Haagse amateurs, op de hielen gezeten door poldergrage vakbonden en werkgevers, is niet bij machte om mij uit mijn financiële humeur te krijgen. Een procentje meer of minder is een nauwelijks te onderscheiden rimpeltje op de overvloed. Als rijke babyboomer in de nadagen van mijn carrière, op het maximum van mijn salarisschaal, met een enorme overwaarde van het huis, de kinderen afgestudeerd en al een jaar of vier de deur uit, dan moet de economie wel helemaal instorten voor ik het benauwd krijg. Vóór ik failliet ga, gaan er eerst minstens 5 miljoen anderen in Nederland failliet. Daar gaat het dus niet om. Ik heb een extra gaatje geslagen in mijn broekriem, omdat de omvang van mijn taille in het afgelopen half jaar met vier centimeter is afgenomen. Oftewel: ik ben een niet onbetekenend aantal kilo's afgevallen!

Elseviers weekblad had deze week een omslagartikel over vermageringsmethoden. Onder de titel ‘de waarheid over afvallen’ probeerde Simon Rozendaal af te rekenen met het slankheidsideaal en de lezer aan te sporen de lat niet te hoog te leggen, omdat het anders jojoën wordt. Montignac en Atkins passeerden de revue en bewegen wordt natuurlijk aangeraden in dit weinig opmerkelijke artikel.

Op het ter discussie stellen van het slankheidsideaal wil ik niets afdingen. Wie zich lekker voelt bij Montignac en Atkins, die mag van mij rustig zijn gang gaan. Ik heb het ook wel eens geproefd en die diëten zijn best lekker en heel goed vol te houden. Toch mist Rozendaal’s beschouwing één zeer belangrijk advies: ga gewoon fietsen! Ik wil proberen dit met enige persoonlijke empirie te onderbouwen.

Op 18 mei 1992 vertrok ik, 45 jaar oud, 1,85 meter lang en 77 kg zwaar, per fiets voor een solotrip van 3.500 km van Zoetermeer naar de Noordkaap, waar ik op 18 juni 1992 aankwam, een daggemiddelde van iets meer dan 100 km. Vijf dagen later was ik per boot en trein weer thuis en bleek 71 kg te wegen. Daarna leefde ik zonder op de lijn te letten, uitsluitend gehoor gevend aan het gevoel in mijn maag. De worst, Friese koek en het bier smaakten uitstekend en op 1 augustus woog ik 78 kg. Een mooi voorbeeld van de gewichtsjojo waar Rozendaal voor waarschuwt, waar ik overigens geen enkele last van heb gehad. In een poging om niet boven de tachtig kilo uit te komen heb ik sinds 1992 ongeveer 7.000 km hardgelopen, zonder enig meetbaar effect op mijn gewicht. Zelfs de marathon van Amsterdam van 1996 heeft niet weerhouden, dat ik langzaam zwaarder werd.

In oktober 2003 woog ik 85 kg, 8 kg meer dan 12 jaar geleden. Dat klopt met een wetmatigheid in onze vetgemeste westerse cultuur, volgens welke mensen tussen hun 20ste en 70ste per 10 jaar 5 tot 10 kg zwaarder worden. Gelukkig was mijn werkgever in oktober 2003 zo vriendelijk om van Zoetermeer naar Den Haag te verhuizen en ik besloot geen gebruik te maken van het gratis treinabonnement dat de ambtenaren werd aangeboden, maar te kiezen voor een sobere fietsvergoeding van 22 Euro per maand. Inmiddels zijn we nog geen 7 maanden verder en ik heb gemiddeld 3 keer per week het retourtje Zoetermeer-Den Haag gefietst, alles bij elkaar nog geen 2.000 km, gemiddeld 10 km per dag. Toch is mijn gewicht in deze periode afgenomen tot 80 kg.

Als gewetensvol wetenschapper waag ik mij natuurlijk niet aan generalisaties. Ik weet niet of fietsen voor anderen ook zo goed werkt. Ik weet zelfs niet, of deze 5 kg niet om andere redenen van mij zijn afgevallen, maar ik voel me prima. Voor mijzelf is de conclusie duidelijk: voor mij geen Montignac of Atkins meer, ik blijf gewoon fietsen!

2 mei 2004 Een eeuwenoude breuk geheeld

Het heeft de landelijke publiciteit niet zo duidelijk gehaald, naast alle aandacht voor de uitbreiding van de EU met de Oosteuropese landen, maar 1 mei 2004 was ook in de kerkgeschiedenis een bijzondere datum. De vorming van de Protestantse Kerk in Nederland is een kerkvereniging die in ons calvinistische land niet eerder vertoond is. De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk vormen samen met de Evangelisch Lutherse Kerk één nieuw kerkverband, afgekort met de weinig inspirende letters PKN.
In veel kerken is aan deze mijlpaal vandaag aandacht besteed, en niet alleen met juichende woorden, want er is ook teleurstelling omdat behoudende groepen, soms hele plaatselijke gemeenten niet mee willen in deze fusie. Dit doet pijn. Een ander soort pijn ontstaat, waar op plaatselijk niveau wel één PKN wordt gevormd, maar waar in de afzonderlijke wijken de hervormden of de gereformeerden niet bereid zijn om met de andere groep één gemeente te vormen. Dit doet zich voor in de dorpswijk van Zoetermeer. Mijn (nog) gereformeerde wijkpredikant aldaar vroeg mij een lied te schrijven over deze kerkvereniging. Daarin heb ik geprobeerd zowel de vreugde over de nooit eerder vertoonde kerkvereniging tot uiting te brengen als het verdriet over de scheidsmuren die blijven bestaan.
Ik laat het lied hier in zijn geheel volgen.

Lied bij de vereniging van de drie protestantse kerken, 1 mei 2004
Op de melodie van ‘In Christus is noch west noch oost’ (gezang 308, Liedboek voor de Kerken)

1. Geroepen als Gods ene kerk, tweeduizend jaren lang,
verdeeld, verscheurd door mensenwerk, vervuld van hun belang.

2. Gedreven door het woord zocht men de waarheid en de leer.
Met zuiverheid en felle pen, de liefde was niet meer.

3. Samen op weg, vereniging, het duurde veertig jaar.
Wij mogen in verwondering weer verder met elkaar.

4. Gods Geest maakt één wat is verdeeld, maakt vele dromen waar.
Een eeuwenoude breuk geheeld, zijn werk is wonderbaar.

5. Heer, waar een scheidsmuur blijft bestaan, verlaat uw kudde niet!
Leer ons vertrouwend verder gaan, wij zingen U ons lied:

6. “Laat zuid en noord nu zijn verblijd, Hem prijzen west en oost.
Aan Christus hoort de wereld wijd, in Hem is zij vertroost.”

Frans Dijkstra (couplet 1 – 5), John Oxenham / J.W. Schulte Nordholt (couplet 6)

3 april 2004 De muziek weer op het spoor gezet

Als men mij vraagt vier mijlpalen in de muziekgeschiedenis te noemen, werken van grote componisten die de verdere ontwikkeling van de muziek beslissend hebben beïnvloed, dan noem ik één in de achttiende eeuw, één in de negentiende eeuw en twee in de twintigste eeuw. In de eerste plaats Bachs Mattheus Passion, niet vanwege navolging door andere componisten, want het werk was onnavolgbaar, maar wel vanwege zijn betekenis als monument van de barokke kerkmuziek, dat tot op de dag van vandaag uitvoerenden en luisteraars gevangen houdt. De tweede eer mag van mij naar de negende symfonie van Beethoven gaan, waarmee definitief de weg is gewezen naar de grote vorm van de romantische symfonie. De symfonieën van Bruckner, Brahms en Mahler zouden niet zijn wat ze zijn, als Beethoven hen niet was voorgegaan. Het derde beslissende werk is Le Sacre du Printemps van Strawinski, waarmee de periode van de romantiek definitief werd afgesloten en het ritme en de samenklank van de twintigste eeuw in de steigers werd gezet.

Ik denk dat veel muziekliefhebbers het hier wel mee eens zijn. Maar wat is nu de vierde doorbraak? Dat is naar mijn mening de ‘Harmonielehre’ van de Amerikaanse componist John Adams, geschreven in 1984. Met dit werk heeft Adams de muziek weer op het spoor gezet, door een brug te slaan van het moderne minimalisme naar de melodieusheid en harmonie van de negentiende eeuw. Anders gezegd: Adams heeft de invloed ongedaan gemaakt van Arnold Schönberg waar vele componisten een halve eeuw achteraan hebben gelopen. In het componistenlexicon van Theo Willemze wordt Schönberg nog geroemd met verplichte zinnen als ‘hij behoort tot de allergrootsten aller eeuwen’, ‘een van de grootste vernieuwers uit de muziekgeschiedenis’. Waaraan dankt Schönberg deze eer? De door hem ontwikkelde ‘Methode der Komposition mit zwölf nur aufeinander bezogenen Tönen’ is door de componisten na hem massaal nagevolgd. Hieraan afgemeten moet hij inderdaad als een grote vernieuwer worden gezien. Maar tegelijk heeft hij daarmee een grote vergissing begaan en de muziek op het ergste dwaalspoor in de geschiedenis gezet. Uit het feit, dat het meer dan een halve eeuw heeft moeten duren voor er iemand opstond die deze vergissing weerlegde, kan men misschien afleiden, dat Schönberg een groot man was, maar dat is dan een eer die hij deelt met Marx, Lenin en Stalin.

Wat was er aan de hand? Muziek bestaat uit verschillende tonen die na elkaar of tegelijk kunnen klinken. In het toonsysteem in onze westerse cultuur zijn er binnen een octaaf 12 tonen te onderscheiden. Met 8 daarvan kan een toonladder gemaakt worden. Dat kan op verschillende manieren, maar dat sla ik hier even over. Omdat men een toonladder kan beginnen op elk van de 12 verschillende tonen bestaan er 12 verschillende toonsoorten, ook wel tonaliteiten genoemd. Niet alle 8 tonen binnen een toonladder zijn even belangrijk. De eerste en de achtste zijn het belangrijkste. Een melodie begint en eindigt meestal op een van deze tonen. De vijfde toon is een soort onderkoning, hij wordt ‘dominant’ genoemd en de zevende toon is de meest ondergeschikte. Daarop kan een melodie nooit eindigen, die toon vraagt er om over te gaan in de achtste toon. Hij wordt daarom de leidtoon genoemd. Door de eerste, derde en vijfde toon van een toonladder samen te laten klinken ontstaat een akkoord. Dit wordt een drieklank genoemd. Men kan ook de tweede, vierde en zesde toon samen laten klinken, dan ontstaat een andere drieklank, enzovoorts. Met de drieklank die uitgaat van de zevende toon is weer iets bijzonders aan de hand. Daarmee kan een stuk niet eindigen, zo’n akkoord vraagt om een oplossing naar een volmaaktere klank.

Dit is alles is nooit bedacht of op een concilie afgesproken. Ons oor ervaart het zo, en de componisten hebben dit in de loop der eeuwen ontdekt en de muziek zo opgeschreven, dat hij op ons oor de beoogde werking heeft. Maar componisten verkennen graag de grenzen. Ze probeerden van de ene toonladder over te gaan naar de andere. De zevende toon in de ene toonladder werd dan ineens de derde toon in een andere toonladder en kon anders behandeld worden. Moduleren heet dat. Zo ontstond aan het eind van de negentiende eeuw een muziek waarin zo vaak gemoduleerd werd, dat de componist op zeker ogenblik niet meer wist welke toon de belangrijkste was, en welke tonen op elkaar konden volgen. Om aan dat probleem een einde te maken besloot Schönberg om de hele tonaliteit overboord te gooien. Hij gebruikte niet meer een toonladder die van een bepaalde toon uitging, maar hij ontwierp reeksen van twaalf tonen die allemaal even belangrijk waren. Elke toon mocht pas weer gebruikt worden als alle andere uit de reeks aan de beurt waren geweest. Door ook de harmonieën te baseren op deze reeksen verkreeg hij een klankbeeld dat fundamenteel verschilde van de klassieke muziek. Dit lijkt een zeer vernieuwende aanpak. Het resultaat was alleen niet om aan te horen. Een twaalftoonsmelodie blijft niet in het gehoor hangen en is voor een ongeoefende stem niet na te zingen. Met de introductie van de twaalftoonstechniek vervreemdden de componisten zich definitief van hun publiek.

Dit was het deprimerende en kale muzikale landschap dat John Adams aantrof toen voor componist ging studeren. Hij zag in, dat dit niet zo door kon gaan. De fout die Schönberg had begaan was, dat hij dacht dat hij de regels van de muziek kon uitvinden. Hij dacht dat hij een harmonieleer, die de loop van de eeuwen in onze oren en ons muzikaal bewustzijn was gegroeid, op zij kon zetten en kon vervangen door een kunstmatig bedenksel. En velen dachten dit met hem! Opmerkelijk is overigens, dat in het Mekka van de maakbare samenleving en cultuur, de voormalige Sovjet-Unie, nooit veel waardering is geweest voor het idee van twaalf gelijkwaardige tonen, wat eigenlijk een heel goed marxistisch uitgangspunt had kunnen zijn. Maar Sovjetcomponisten die zich aan deze techniek waagden kregen steevast berispingen van de staat en hun werd het werken vrijwel onmogelijk gemaakt.

Een andere stijl die John Adams aantrof toen hij ging componeren was het minimalisme, waarin de muzikale spanning wordt opgebouwd met behulp van zo weinig mogelijk variatie. Philip Glass en Steve Reich waren daarvan de voortrekkers. Voor wie deze muziek het eerst hoort is dit een boeiende gewaarwording, maar als dit de muzikale stijl voor de komende decennia zou moeten zijn, dan wisselden we het ene kale landschap af met het andere. John Adams besloot de brug te slaan van het minimalisme naar de romantische harmonieën en melodieën van voor Arnold Schönberg. Zijn ‘Harmonielehre’ rekent definitief af met de seriële techniek, voegt aan het minimalisme de klassieke harmonieën toe en gebruikt meer melodische wendingen dan Philip Glass en de zijnen.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest had deze week een concertcyclus gewijd aan werken van John Adams. Niet alleen werden zijn orkest- en kamerwerken uitgevoerd, waaronder de Harmonielehre en de Nederlanse première van ‘My father knew Charles Ives’ maar ook vond de eerste geacteerde uitvoering in Nederland plaats van de opera ‘Death of Klinghoffer’. Volgens de oorspronkelijke planning had John Adams zelf het Rotterdams Philharmonisch Orkest zullen dirigeren, maar dat heeft hij wegens tijdgebrek moeten afzeggen. De opera in het Nieuwe Luxortheater werd goed bezocht, maar bij de concerten in de Doelen was de zaal nog niet eens half vol.

Zou het nog niet tot het concertbezoekende publiek zijn doorgedrongen dat hier echt muziekgeschiedenis werd geschreven? De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen: ‘dat weten we immers nog niet!’ Nee, want de muziekgeschiedenis moet daar zelf nog over oordelen. Het zal nog moeten blijken, dat Adams hiermee een blijvende inspiratiebron heeft aangeboord. Deze Rotterdamse cyclus overziende zeg ik dat één werk, de Harmonielehre, er met kop en schouders boven uit torende. De rest was aardig, maar een beetje ‘meer van hetzelfde’. Het zal ook nog moeten blijken, dat andere componisten er in slagen op deze weg door te gaan. Pas dan mag ik definitief de Harmonielehre inlijven in het rijtje van mijlpalen in de muziekgeschiedenis waarmee deze column begon.

21 maart 2004 De moeder van het kabinet-Den Uyl is overleden

De fractieleider van de Partij van de Arbeid in de jaren zestig, Jaap Burger, wordt wel de vader van het kabinet Den Uyl genoemd. Daar zit heel veel in. Hij had onorthodoxe formatiemethoden. Hij rekruteerde Boersma en De Gaay Fortman senior als minister buiten hun fractieleider Biesheuvel om, zonder dat er overeenstemming was over het beleid. Deze nooit eerder of later vertoonde inbraak in de confessionele gelederen maakte uiteindelijk het kabinet-Den Uyl mogelijk. Maar voor het zover was moest er nog wel een dag of honderd verder geformeerd worden.

De situatie was gecompliceerd. Het kabinet-Biesheuvel, een rechts kabinet steunend op vijf partijen, was al na een jaar gevallen. Het had het collegegeld verhoogd tot duizend gulden, maar had verder niet veel bereikt. In de daaropvolgende vervroegde verkiezingen van 29 november 1972 had de PvdA het programma ‘Keerpunt 72’ tot inzet gemaakt. Dit programma werd gesteund door de drie linkse partijen, PvdA, D’66 en de PPR (een voorloper van Groen Links). De kiezers konden zich voor of tegen Keerpunt 72 uitspreken. Na de verkiezingen waren onderhandelingen over de inhoud uitgesloten, aldus PvdA-leider Joop den Uyl. De kiezers moesten iets kunnen kiezen, en daar stond hij dan voor. Het liep zoals men had kunnen verwachten. De Keerpunt-partijen haalden geen meerderheid. De oude rechtse coalitie had net wel een kleine meerderheid. Maar omdat die coalitie een half jaar eerder uit elkaar was gevallen durfden Biesheuvel en de zijnen een nieuw rechts avontuur niet aan. Ruppert, een voormalig CNV-man kreeg van koningin Juliana de opdracht om de mogelijkheden van een links georiënteerd kabinet te onderzoeken. Ruppert had het niet gemakkelijk, want Joop den Uyl eiste de uitvoering van Keerpunt 72, dat dan bij gebrek aan een rechts alternatief gedoogd zou moeten worden door een deel van de confessionele partijen, zodat een minderheidskabinet Den-Den Uyl mogelijk zou worden. Ruppert adviseerde koningin Juliana dan ook om Jaap Burger tot formateur te benoemen. Deze zette het idee van confessionele gedoogsteun aan een minderheidskabinet kracht bij door Boersma en De Gaay Fortmann (beiden van de ARP, een van de voorlopers van het CDA) over te halen als minister in zo’n kabinet plaats te nemen.

Ongeveer honderd dagen later liep het hele feest echter vast op de weigering van de confessionele partijen aan zo’n constructie deel te nemen. ‘Wij doen volwaardig mee, of we doen niet mee. Wij willen geen bijwagen zijn!’ riep KVP-voorman Andriessen uit. Toen Burger zijn opdracht aan de koningin had teruggegeven en Van Agt en Albeda er als informateurs ook niet uitkwamen leek de zaak helemaal vast te zitten. Maar toen kwam koningin Juliana met een verrassende zet: zij benoemde de heren Ruppert en Burger samen tot formateur. Ik herinner me het moment dat dit bekend werd als de dag van gisteren. Ik riep onmiddellijk uit ‘Je kunt van de koningin zeggen wat je wilt, maar ze wil beslist een links kabinet!’. En haar wil geschiedde. Na de tot dan toe langste kabinetsformatie in de Nederlandse geschiedenis, 164 dagen, kon in mei 1973 het kabinet-Den Uyl aantreden, waarvan de grondslag op nevengeschikte wijze gevormd werd door Keerpunt 72 en het ‘Programma op hoofdzaken’ van de christen-democraten, maar waarbij in de personele samenstelling de linkse partijen meer dan evenredig waren vertegenwoordigd.

De gisteren overleden koningin Juliana kan, gezien haar verrassende formateursbenoeming worden gezien als de moeder van het kabinet-Den Uyl. Als zij niet op dat kritieke moment Burger en Ruppert had benoemd, hadden we waarschijnlijk een kabinet-Biesheuvel-Wiegel gekregen. Jammer genoeg zit in deze constatering een element van speculatieve geschiedschrijving. In Nederland wordt heel geheimzinnig gedaan over de rol van de koningin in het politieke bedrijf. Ministers nemen zogenaamd de verantwoordelijkheid voor alles wat de koningin doet, ook in kabinetsformaties, waarin de ministers demissionair zijn. De premier van het kabinet dat gevormd wordt, neemt alle verantwoording op zich en de rol van de koningin blijft buiten schot. Of Juliana in het voorjaar van 1973 inderdaad zelf de stoot heeft gegeven tot de vorming van het kabinet Den Uyl zullen we voorlopig niet weten. Dat blijft nog minstens een halve eeuw verborgen in het geheim van Soestdijk, tegenwoordig het geheim van Huis Ten Bosch, waar het democratisch bestuurde volk pas met een vertraging van een halve eeuw kennis van mag nemen. Maar de hypothese dat Juliana een actieve rol heeft gespeeld in die formatie past uitstekend in het beeld dat in de eerste 24 uur na haar overlijden de media domineert: een sociaal bewogen, vredelievend, pacifistisch georiënteerd staatshoofd.

Juliana’s politieke nalatenschap, het kabinet Den Uyl, heeft geregeerd van mei 1973 tot december 1977. Het loodste Nederland door de oliecrisis, het bezorgde ons autoloze zondagen en het verdubbelde de overheidsuitgaven. Minister van Financiën Wim Duisenberg had nog geen last van het Europact en financierde maar raak. De gulden werd 44% minder waard, maar dat werd allemaal automatisch gecompenseerd in de lonen. Wie vóór het aantreden van het kabinet-Den Uyl een huis had gekocht, dankte aan de goede Joop een enorme vermogensaanwas, die hij niet met de arbeiders hoefde te delen. Joop den Uyl bedankte de moeder van zijn kabinet door haar echtgenoot bij de Lockeed-affaire uit de wind te houden. Verder maakte de ministerraad ruzie over abortus en Zuid-Afrika, tot het kabinet viel over de grondpolitiek. In 1977 probeerde PvdA de truc van 1973 te herhalen, maar haalde weer te weinig stemmen, overspeelde zijn hand in de formatie en viel buiten de boot, omdat ze over het hoofd had gezien, dat CDA en VVD samen met 77 zetels ook een meerderheid in de Tweede Kamer hadden. Zelfs koningin Juliana heeft dit niet kunnen verhinderen. Het rechtse kabinet Van Agt slaagde er niet in om de door Den Uyl opgevoerde overheidsuitgaven in te dammen en verdubbelde de staatsschuld. Juliana heeft dit niet actief willen meemaken. Voordat Van Agt zijn rit had uitgereden trad ze dan ook af.

29 februari 2004 Documenthouders in het toilet

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is in oktober 2003 verhuisd naar een nieuwe kantoortoren, de Hofteren bij het Centraal Station van Den Haag. Het pand is fraai ingericht, maar er zal geen commissie Meijer aan te pas hoeven te komen om vast te stellen, dat de inrichting door de sobere overheidsbeugel kan. De fraaie vergaderzalen, panoramische kamers en glanzende kunstwerken die het gebouw sieren worden ruimschoots gecompenseerd door de karige werkhoeken voor de 1200 ambtenaren die in dit gebouw hun dagelijkse werkplek vinden. Per saldo zijn de vroeger in Zoetermeer werkende ambtenaren er flink op achteruitgegaan.
Toen in 1998 het besluit werd genomen om het ministerie van OCW van Zoetermeer naar Den Haag te verplaatsen vroeg het toenmalige kamerlid Maria van der Hoeven in kritische vragen aan minister Hermans of het in deze tijd van internet en mobiele telefoon nog wel zo nodig was om de ministeries weer op loopafstand bij elkaar te zetten. Ik weet niet of ze zich dat als minister nog steeds afvraagt; wel weet ik, dat ze het wachten voor de liften behoorlijk irriterend vindt, en dat daarom de mogelijkheid onderzocht wordt of er voor de bewindslieden een speciale lift gereserveerd kan worden. Maar of de huidige minister het gebouw nu wel of niet te luxe vindt doet niet veel meer terzake; het vele geld voor de bouw en de verhuizing is uitgegeven en gedane zaken nemen geen keer. Ik weet wel bijna zeker dat voor de Hoftoren hetzelfde geldt als wat minister Peijs onlangs zei toen de HSL-tunnel onder het groene hart was voltooid: ‘hij ligt er nu eenmaal, maar als ik hem had moeten betalen, dan was hij er niet gekomen!’.
Maar laten we niet te veel morren; over tien jaar zijn we die grote investering al lang vergeten, en dan zitten de OCW-ambtenaren toch maar mooi in het hoogste kantoorgebouw in Nederland ten noorden van de lijn Hoek van Holland-Arnhem en als de telefoon uitvalt kunnen ze met de andere ministeries communiceren met rooksignalen. Er is over dit gebouw goed nagedacht, echt waar, tot in de kleinste details. Een van de mooiste vind ik de documenthouders in de toiletten. Een ambtenaar die zich van zijn bureau met een map stukken naar een van de vergaderzalen rept voelt meestal wel een zekere behoefte om eerst het resultaat van enkele natuurlijke processen op een bestemde plaats te brengen. Om te voorkomen dat de ambtenaar tijdens zijn plasje zijn stukken in zijn hand moet houden, is in ieder toilet onder het lichtknopje een documenthouder aan de wand geschroefd, waarin de stukken tijdelijk geparkeerd kunnen worden. Hoeveel van de 120.000 rijksambtenaren plassen zo luxe?
Uiteraard geldt hier wel de wet van Kruyf, ‘elk voordeel heb zijn nadeel’. De industriële ontwerpers die deze documenthouder hebben bedacht hadden nog even moeten doordenken. Want nu komt het regelmatig voor, dat vertwijfelde ambtenaren e-mails aan het gehele departement sturen, omdat ze hun stukken ergens hebben laten liggen in de documenthouder in een toilet. De oplossing van dit probleem lijkt me zoiets als het waarschuwingstoontje voor het aanlaten van de autolampen, dat een auto tegenwoordig meestal laat horen. De automobielindustrie heeft er ook vele decennia over gedaan, om een standaard te bedenken, die voorkomt dat een autoaccu leegloopt, dus aan de ontwerpers van utiliteiten voor ministeries mag nog enig respijt worden gegund. Maar in het volgende gebouw van OCW moet dit beslist geregeld zijn. Over 18 jaar dus.

8 februari 2004 Een zwaluw maakt nog geen zomer

Het was gisteren een goede dag voor de Nederlandse monarchie. Prins Bernhard verbrak het stilzwijgen waartoe de gouden kooi hem verplichtte waarin hij een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht. Hij wierp de muilkorf van de ministeriële verantwoordelijkheid af en gaf eindelijk zijn eigen mening over de vele verhalen die er over hem de ronde doen. Om zijn standpunt te onderbouwen had hij de hulp ingeroepen van een deskundige, een voormalig directeur van de rijksvoorlichtingsdienst, die een speciaal archiefonderzoek heeft gedaan naar de beweringen die de prins publiekelijk wilde tegenspreken. De onderzoeker en de prins hopen, dat er met deze expliciete repliek een einde komt aan hardnekkige geruchten over collaboratiepogingen en onechte zonen in Londen. Om er toch nog enige spanning in te houden, zegt de prins niets over een onechte dochter in Parijs. Erg nobel vind ik dat laatste. De roddelpers moet iets te schrijven over houden, nietwaar?
Ik ga hier niet in op de argumentatie van de prins, noch op de voorvallen waarover hij tekst en uitleg geeft. Wie daar meer van wil weten moet de Volkskrant maar lezen of een boek van Thomas Ross. Waar het om gaat, is dat de prins gewoon gebruik heeft gemaakt van een grondrecht dat iedereen heeft in een vrije samenleving, het recht op vrije meningsuiting. Het vreemde van de situatie is, dat zo’n gebeurtenis meteen voorpaginanieuws is. Er was een hele stoet fractieleiders uit de Tweede Kamer voor nodig om te verklaren, dat het goed was dat de prins zich in het openbaar uitte met zijn visie op de vele verhalen die er over hem de ronde doen. Alsof de prins daarvoor hun goedkeuring nodig had! Deze fractieleiders komen toch ook niet verklaren dat ik het volste recht heb om deze column op internet te zetten? Maar goed, het feit, dat de prins op deze manier onomwonden naar buiten kwam is een goed moment geweest voor de democratie. Zou het koninklijk huis eindelijk een beetje een gewone familie gaan worden, met goede en slechte eigenschappen, waar gewoon over gepraat en geschreven kan worden?
Helaas maakt deze ene zwaluw nog geen zomer. De voor Nederlandse verhoudingen opmerkelijke stap van prins Bernhard is hem slechts bij gratie toegestaan. Premier Balkenende verklaarde, dat hij geen opvatting heeft over de door de prins naar voren gebrachte meningen, maar dat hij vond, dat het de prins aan het eind van zijn leven gegund moest worden om de verhalen over zijn persoon tegen te spreken. Dus hoezo, vrijheid van meningsuiting voor het koninklijk huis? Aan het eind van hun leven mogen ze een keertje in de Volkskrant schrijven dat het allemaal niet waar was. Maar tot dat moment geldt onverkort de ministeriële verantwoordelijkheid. De Nederlandse monarchie heeft nog een lange weg te gaan, voordat er van echte vernieuwing gesproken kan worden!

1 februari 2004 Water op Mars?

Misschien is het u een beetje ontgaan, maar er is weer een ruimtewedloop aan de gang. Europa en Amerika proberen elkaar af te troeven bij het onderzoek van de planeet Mars. Het wemelt rond Mars op het ogenblik van de verkenners. De Europeanen hebben een satelliet in een baan om Mars, en hebben geprobeerd met een capsule een zachte landing uit te voeren. Jammer genoeg is dat laatste mislukt, maar de satelliet stuurt prachtige foto’s van de planeet naar de aarde. De Amerikanen hebben twee verkenners gestuurd, die allebei een wagentje op Mars hebben gezet. Die wagentjes doen het goed en ze sturen gedetailleerde kleurenfoto’s van een troosteloos Marslandschap naar huis. Dat is dus 2-0 voor de Amerikanen, zou je denken, als je alleen de geslaagde landingen telt.
Maar bij ESA hebben ze daar iets op gevonden. Op het moment, dat het tweede Amerikaanse wagentje zou landen, en het eerste wagentje tobde met computerstoringen, waardoor hij alleen nog maar wartaal naar de aarde stuurde, kwamen de Europeanen met een klapstuk: hun satelliet ontdekte bevroren water op de noordpool van Mars! Dat was het belangrijkste doel van hun landingsvaartuig, en nu dat niets meer van zich liet horen leken de kansen op goed nieuws uit Europa verkeken. Maar vanuit de lucht kunnen ze dus ook water ontdekken. Hoera voor Europa!
Nu ben ik een beetje een argwanend mens. Het moment van deze ontdekking kwam te goed gelegen. Ik wil het eerst nog wel eens zien. Ik geloof pas in water op Mars, als de ijsblokken zijn uitgehakt, gesmolten en ontleed in waterstof en zuurstof. Die mooie foto’s van de Europese Marssatelliet lieten een paar uitgedroogde rivierbeddingen zien. Dat hadden ze al wel eerder waargenomen, maar het nieuwe was, dat op de nieuwe foto’s de kleur van die rivierbeddingen kon worden waargenomen. En die kleur was wit, de kleur van ijs! Precies waar al die karretjes naar op zoek waren! Ik mag hopen, dat de geleerden nog ander bewijsmateriaal hebben dat te moeilijk was om in het televisiejournaal uit te leggen. Maar dan nog, het blijft indirect bewijs. ‘Water ontdekt op Mars’ lijkt me voorlopig wat te veel gezegd. Maar op het moment waarop Europa net een Marslander had verspeeld kwam deze ‘ontdekking’ natuurlijk als geroepen. Zulk nieuws opent de geldbuidels van de Europese regeringen, en dat heeft ESA hard nodig. Tegen de tijd, dat blijkt, dat ze per ongeluk een vreemde witte zandsoort hebben gefotografeerd en voor ijs aangezien zijn de nieuwe budgetten al lang toegewezen, en is de nieuwe Europese Marslander onderweg.

23 januari 2004 Dat moet toch kunnen?

Met wat een interessante vragen houdt het moderne bestuur van een grote stad zich toch bezig! Mag de wethouder naar de hoeren? Het zou mijn keus van vrije tijdsbesteding niet zijn, maar zolang hij het voor zich houdt mag hier wat mij betreft gelden ‘wie zonder zonde is werpe de eerste steen!’.
Maar een wethouder die over zijn prostitueebezoek gaat opscheppen in een kroeg, dat wordt iets anders. Rob Oudkerk heeft waarschijnlijk gedacht, dat de algehele tolerantie in onze samenleving zover is voortgeschreden, dat de gemiddelde burger die het verhaal hoort gaat zeggen ‘Ach, wat kan het schelen, dat moet toch kunnen?’ Hij wilde baanbrekend werk doen bij het opzij zetten van de benepen traditionele moraal die ons volk zo lang heeft geteisterd. Eindelijk die beslissende stap uit het keurslijf waar we zo lang op hebben gewacht, publiekelijk gezet door niemand minder dan de wethouder volksgezondheid van de grootste stad van Nederland, PvdA-coryfee Rob Oudkerk!
Jammer voor Oudkerk, maar dit was een politieke blunder. Zo denkt de grote massa in de samenleving er nog helemaal niet over, hoe graag progressieve politici hen dat ook zouden willen aanpraten. Het feit, dat hij dit niet heeft beseft, is een ernstige tekortkoming, die Oudkerk fataal is geworden. Hij heeft niet door gehad, dat er nog steeds grenzen zijn aan wat de samenleving accepteert. Legalisering van prostitutie is één ding, dat kan er na jaren van politieke strijd nu wel mee door, maar dat politici er in voorgaan, dat is nog een heleboel bruggen te ver. Misschien, meneer Oudkerk, dat u dit in het jaar 2050 zult kunnen – als u hem dan nog omhoog krijgt - maar zelfs dat zou nog wel eens tegen kunnen vallen. Opvattingen in de samenleving hoeven helemaal niet altijd in dezelfde richting door te gaan. Net als bij de economie kunnen hier flinke golfbewegingen optreden. Het is zelfs maar de vraag of de door Oudkerk gehoopte verandering in maatschappelijke opvattingen voorkomt bij meer dan een paar procent van de bevolking. Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Misschien hebben we in 2050 de bordelen wel weer afgeschaft, zijn Heleen van Royen’s boeken verbrand en verlangen we van politieke ambtsdragers een publieke kuisheidsverklaring.

14 december 2003 Koningskind

Er zijn op 7 december 2003 in Nederland ruim 500 kinderen geboren. Niet al deze kinderen hebben gelijke kansen in het leven. Een deel – laten we zeggen zo’n 5%, dus 25 van deze 500 kinderen - is ter wereld gekomen in gegoede milieus, waar alles gedaan zal worden om hen de plaats in de maatschappij te geven die past bij hun capaciteiten, en mochten die capaciteiten gering zijn, dan zullen hun gegoede milieus toch wel aangenaam voor hen zorgen. Voor de resterende 95% geldt dit laatste niet, zij moeten zich in ieder geval zélf bewijzen, maar zij krijgen die kans in ieder geval. Wie uit oogpunt van ‘gelijke kansen voor iedereen’ moeite heeft met de bevoorrechte positie van die bovenste 5% heeft een punt, maar wie er teveel op hamert verwart socialisme met jaloezie. Want die 95% krijgen dankzij ons sociale stelsel en ons voortreffelijke onderwijsbestel in hoge mate gelijke kansen. Vrijwel al deze 500 kinderen zullen in de gemiddeld 17 jaar dat een Nederlands kind onderwijs volgt ten volle in staat worden gesteld ‘hun talenten te ontdekken, te ontwikkelen en te gebruiken’ (dit is, tussen haakjes, de officiële missie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen). Dit is een mooi ideaal, maar we hoeven elkaar niets wijs te maken. Helaas zal een deel van deze 500 kinderen niet goed terecht komen. Sommigen komen in de criminaliteit, anderen raken verslaafd, en weer anderen worden depressief, door oorzaken die deels bij henzelf liggen, deels bij anderen. Maar gelukkig zal het verreweg het grootste deel van de op 7 december 2003 geboren kinderen lukken hun talenten te ontdekken, te ontwikkelen en te gebruiken.

Voor één kind geldt dit echter niet: prinses Catharina-Amalia van Oranje-Nassau-Von Amsberg-Von Lippe-Biesterfeld, en ik weet niet precies, welke namen ik hier nog aan moet toevoegen. Van dit meisje staat nu al vast, dat zij – als er geen onverwachte dingen gebeuren – koningin zal worden, ongeacht of ze er de talenten voor heeft of niet. De missie van het ministerie van OCW is aan haar niet besteed. Wat haar talenten ook zijn, zij wordt de door haar genen gekozen president van de Nederlandse deelstaat van de republiek Europa.
Helemaal waar is dit laatste niet. Zij kan de functie die haar wordt aangeboden weigeren. Mij lijkt, dat zij zodra ze 18 is, kan melden, dat ze de benoeming niet aanvaardt. Dit is tenslotte het recht van iedere sollicitant, dus waarom zou dat voor haar niet gelden. Maar toch heb ik een staatsrechtgeleerde horen uitleggen, dat zij alleen maar afstand kan doen van de troon, als ze al op de troon zit. Dat zou betekenen, dat de grondwet haar verplicht om eerst koningin te worden, zelfs als ze dat niet zou willen, voordat ze er afstand van kan doen. Ik weet niet of deze geleerde gelijk heeft. Zo ja, dan lijkt mij, dat de Nederlandse grondwet in strijd is met elementaire mensenrechten. Erg veel doet dat er niet toe: rechtstreeks of langs een omweg kan Catharina-Amalia weigeren koningin te worden. Maar de kans, dat ze dit zal doen is klein. Want de komende 18 jaar zal zij door opvoeding en onderwijs volledig geconditioneerd worden om het volstrekt normaal te vinden, dat zij na het terugtreden van haar vader koningin wordt. Zij zal een zeer internationale opvoeding krijgen en meerdere talen leren spreken, zij zal er al heel jong aan gewend worden om opdrachten te geven en oudere en wijzere personen te domineren. Zij zal leren met ministers op gelijke voet om te gaan. Veel langer dan de 17 jaar van haar gemiddelde leeftijdgenoten zal zij door familie en staat worden opgeleid tot koningin, naar verwachting wel tot haar 40ste jaar.

Tegen zo’n systeem is vanuit biologisch oogpunt niet eens zo veel in te brengen. Bij bijen en mieren gebeurt precies hetzelfde. Ook daar krijgt een beperkt aantal larven een speciale behandeling, waardoor ze uitgroeien tot koningin, en uiteindelijk voor het voortbestaan van het volk zorgen. Aan deze bijen- en mierenlarven wordt ook niets gevraagd. Maar dankzij de speciale behandeling van enkele larven blijft een bijenvolk en een mierenvolk in stand.
De vraag is echter, of het moreel te verdedigen is, om een pasgeboren mensenkind aan zo’n behandeling bloot te stellen. De menselijke techniek en bestuurskunde bieden ons talloze alternatieven voor zo’n wreed experiment op een pasgeboren mens. Ik weet niet welke afdeling van de raad voor de kinderbescherming gaat over baby’s in Wassenaar, maar ik denk, dat daar snel een extra vergadering moet worden ingelast, om te bezien, of het verantwoord is, de opvoeding van dit jonge kind toe te vertrouwen aan de heer Willem-Alexander en zijn vrouw Maxima.

23 november 2003 Zalms kruistocht

Ik begrijp niet wat die Gerrit Zalm bezielt in zijn kruistocht tegen de begrotingstekort van zijn Europese collega’s. Als enige van de Europese ministers van financiën houdt hij vol, dat Duitsland en Frankrijk zich aan het stabiliteitspact moeten houden. Dat houdt in, dat de Europese regeringen geen groter begrotingstekort mogen hebben dan 3%. Deze afspraak is bij de invoering van de Euro gemaakt, om de hardheid van de munt te waarborgen. Het is een criterium, dat nergens op is gebaseerd, hoogstens op het idee van sommige economen, dat te grote begrotingstekorten van overheden leiden tot hoge rente en inflatie en ‘dus’ tot uitholling van de munt. Het causaal verband tussen deze zaken is nooit bewezen, iets wat overigens geldt voor alle verbanden in de economische theorie.

Al sinds de economie een wetenschap wordt genoemd gebruiken economen dezelfde verschijnselen om tegengestelde verbanden aan te tonen, of ze trekken tegengestelde conclusies uit hetzelfde verschijnsel. Als de rente in een land daalt, zeggen economen dat de nationale munt zwak staat, waardoor niemand meer bereid is dit geld te lenen. Volgens de theorie van vraag en aanbod daalt dan de prijs, in dit voorbeeld de rente. Maar als de rente in een land stijgt, zeggen economen ook, dat de munt zwak staat. Hij is dan zo onbetrouwbaar, dat iedereen een hoge vergoeding wil hebben voor het uitlenen van geld, omdat het te snel in waarde daalt. Toen de Euro een lage koers had ten opzichte van de dollar, was dat volgens sommige economen niet goed en een bewijs van het mislukken van de gemeenschappelijke munt, maar nu de Euro een hoge koers heeft ten opzichte van de dollar is het ook weer niet goed, omdat dat de Europese export benadeelt.

Ik hoef hier niet verder uit te wijden over economenprietpraat; iedere weldenkende burger weet dat deze heren (dames zijn er merkwaardig genoeg niet zoveel in dit vak, behalve natuurlijk Henriëtte Maassen van den Brink) hun verhalen leveren naar behoefte. Hun vermogen om praatjes te maken is hun enige kunde, niet hun inzicht in verband tussen de factoren waarover zij praten. Gerrit Zalm probeert nu om de Duitse en de Franse regering te dwingen om conform de gemaakte afspraken in het stabiliteitspact hun begrotingstekort in 2004 beneden de 3% te houden. Maar de Duitse minister van financiën is van mening, dat zo’n maatregel funest zou zijn voor de economische groei in zijn land en hij vertikt het om verder te bezuinigen.

Mijn economische scepsis verplicht mij op voorhand om ook geen geloof te hechten aan de Duitse redenering. Er is vast wel een andere econoom te vinden, die het tegendeel beweert. Maar dat betekent niet dat Zalm gelijk heeft. Hoezo moet Duitsland bezuinigen om de Euro hard te maken? Wat is er mis met die hardheid? Is een koers van $ 1,20 voor de Euro niet hoog genoeg? De Duitse minister denkt, dat hij met zijn begrotingstekort de Duitse economie kan stimuleren. De rente is historisch laag, dus om de prijs hoeft hij het niet te laten. Geld om te lenen is er genoeg. Stel nou eens, dat de Duitse minister gelijk heeft, (van zijn socialistische achterban moet hij dit vinden). Dan krijgen ze in Duitsland meer economische groei. Duitsland is de belangrijkste handelspartner van Nederland, dus dan krijgen we in Nederland ook meer economische groei, die ons niets kost, want Duitsland betaalt de rente. Maar als de Duitse minister geen gelijk heeft, dan stijgt de rente voor niets, en dan wordt de Euro misschien iets zwakker ten opzichte van de dollar. Dat betekent, dat Nederlandse bedrijven die exporteren naar Amerika betere zaken doen, en dat we in Nederland meer economische groei krijgen. Dus: of de Duitsers nu wel of niet gelijk hebben, we krijgen in Nederland meer economische groei als hun begrotingstekort oploopt. Waar maakt Gerrit Zalm zich nou zorgen over?

9 november 2003 Bananenschillenrepubliek

Na de jongste uitlatingen van de premier over het koningshuis mag Nederland met recht een bananenschillenrepubliek genoemd worden. We hebben de laatste jaren een traditie opgebouwd, waarbij het koningshuis een paar keer per jaar de regering in moeilijkheden brengt. De premier moet zich dan in alle mogelijke bochten wringen, zonder dat hij mag zeggen dat het koningshuis iets fout heeft gedaan. Want als hij dat zou zeggen, heeft hij zelf iets fout gedaan, omdat het koningshuis onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt. Op alle dieper gaande vragen pleegt de premier dan uitsluitend ontwijkende antwoorden te geven en elk betoog eindigt met de vaststelling, dat onze monarchie een groot goed is, dat we in ere moeten houden. En telkens weer vindt Nederland, dat de premier zich op het heikele terrein van de monarchie voortreffelijk heeft staande gehouden. Zo ging het met Willem Alexander en Maxima, zo ging het met Margerita en Edwin en zo ging het met Mabel en Friso. Kok en Van der Stoel hebben het slim gedaan met papa Zorregieta. Bij Balkenende heeft na Margerita de twijfel geknaagd, of hij misschien toch niet teveel aan de geheime leiband van de koningin had gelopen, maar bij Mabel en Friso hield hij zich zo ferm staande dat het weer volstrekt duidelijk was, wie er de baas is in dit land. Hoe vaak hebben we niet de beelden gezien van de koningin die stralend haar aanstaande schoondochter binnenhaalde, en de premier, die weigerde haar reservekoningin te maken? Het land moet het weten, geen bananenschil die het koningshuis opwerpt is te glad voor de premier!

En zo moet premier Balkenende deze week gedacht hebben, dat hij, bij gebrek aan bananenschillen van het koninklijk huis, zelf eens wat moest doen. Hij vindt, dat er maar eens een einde moet komen aan satirische programma’s over het koningshuis. ‘Emilie en het geheim van Huis ten Bosch’, het nieuwe monologenstuk over Beatrix, Kopspijkers en een kleipoppenprogramma van BNN, het is in de ogen van de premier allemaal op of over de rand, want het koningshuis kan zich tegen deze satire niet verdedigen. Er moet dus maar eens een gesprek over goede smaak van programmamakers komen, vindt hij.

Wat een onzin! Hoezo kan het koningshuis zich niet verdedigen? Ze kunnen net zo goed naar de rechter gaan als alle anderen in dit land. Prins Claus heeft dat wel eens gedaan en ook Margerita is er bepaald niet vies van. En voorzover het koningshuis onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt, zijn ministers bij uitstek in staat het koningshuis te verdedigen. Dat hebben ze de laatste jaren wel laten zien. Als satirische programma’s beledigend zouden worden, dan kan justitie altijd tot vervolging overgaan. En we hebben zelfs nog een – overigens volstrekt verouderd – begrip dat ‘majesteitsschennis’ heet, op grond waarvan justitie tot speciale vervolging over kan gaan voor belediging van de koningin. Van dergelijke vervolgingen of zelfs maar dreigingen daarmee heb ik de laatste jaren nooit iets gehoord. Niets aan de hand dus met die satirische programma’s.

Wat maakt het trouwens uit, of het koningshuis zich kan verdedigen? Er worden ook dikwijls ministers geïmiteerd in satirische programma’s, maar ik heb nooit gehoord, dat een minister zich daartegen wilde verdedigen. Sterker nog, net als vroeger bij Wim Kan, wordt het voor ministers een prestatie-indicator hoe vaak ze al zijn geïmiteerd bij het Vara-programma Kopspijkers. Toen de drie huidige bewindslieden van OCW in juni j.l. in Zoetermeer aan hun ambtenaren werden voorgesteld, was de slotvraag ‘Als u in Kopspijkers wordt geïmiteerd, welke eigenschap van u zullen ze dan op de korrel nemen?’ Maria van der Hoeven gaf bij die gelegenheid als antwoord ‘ik kan wel erg pietepeuterig zijn!’. Zij heeft gisteravond bij Kopspijkers mogen scoren, toen haar imitatie aan ‘minister Zalm’ uitlegde, dat je guldensbedragen moest delen door 2,2 om Euro’s te krijgen, in plaats van te vermenigvuldigen. Daarna gaven de makers van het programma het enig juiste antwoord op de klacht van de premier: ze lieten hun imitatiepremier genadeloos afgaan tegen de imitatiekoningin, die het allemaal wel best vond.

23 oktober 2003 Geheugenverlies

Het gebeurt gelukkig niet zo vaak, dat je uit eigen waarneming kunt vertellen over geheugenverlies. Het is me tot dusver tweemaal overkomen, éénmaal in 1976 en vrijdag j.l. Laat ik me hier tot het laatste geval te beperken. Het komt in essentie volledig overeen met de ervaring uit 1976, maar het was veel intensiever dan toen. Vrijdagavond 17 oktober om zeven uur ging ik er even op uit, om een paar dingen te kopen di